We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.
Hof van Cassatie: Arrest van 11 September 1995 (België). RG C950035N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19950911-3
- Rolnummer :
- C950035N
Samenvatting :
Wanneer de erkenning op grond van art. 330, alinéa 2, BW wordt betwist, dient de rechter bij het al dan niet tenietdoen van de erkenning geen rekening te houden met het belang van het kind.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op de beschikking van de eerste Voorzitter van 8 augustus 1995 waarbij de zaak naar de derde kamer wordt verwezen;
Gelet op het bestreden arrest, op 15 september 1994 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 (oud 97) van de Grondwet en van de artikelen 319, 320, 322, 323, 324, 327, 330, 331sexies, 331septies, 331nonies van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig het algemeen rechtsbeginsel "belangen van het kind", zoals o.m. vervat in de artikelen 319, alinéa 3 en 322 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest overweegt :
"I. Over het verzoek tot heropening der debatten (...) dat 'het nieuw stuk en feit van overwegend belang' waarop (eisers) zich steunen om de heropening der debatten te vragen, een arrest is van de jeugdkamer van dit hof dd. 29 juni 1994, waarbij het toekennen van een omgangsrecht aan de feitelijke vader (Callebaut) t.o.v. het kind Erika 'in de gegeven omstandigheden' wordt geweigerd, hierbij de aangevochten beslissing bevestigend; (...) dat, waar het in casu gaat om de betwisting van de erkenning van het kind Erika, de beslissing van de jeugdkamer van het Hof geen invloed kan hebben op de uitspraak in huidige zaak; dat er bijgevolg geen aanleiding is om de debatten te heropenen; (...);
II. Ontvankelijkheid van de vordering (...) dat (eisers) stellen dat het bezit van staat een hindernis vormt tot betwisting van de erkenning; (...) dat, te dezen, het bezit van staat in vraag wordt gesteld zodat de exceptie niet gegrond is;
III. Het bezit van staat (...) dat door partijen niet betwist wordt dat (verweerder) de biologische vader is van het kind Erika; dat (eisers), nochtans stellen dat het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner; (...) dat Marleen Detré (tweede eiseres), geboren op 3 september 1964, op 16-jarige leeftijd een relatie heeft aangeknoopt met (verweerder), geboren op 8 december 1947, relatie waaraan evenwel een einde kwam toen tweede (eiseres) meerderjarig was geworden (1985); dat het kind Erika op 24 maart 1986 geboren werd; (...) dat Marleen Detré (tweede eiseres) in januari 1992 is gaan samenwonen met Stefaan Leroy (eerste eiser); dat deze laatste het kind Erika erkend heeft op 5 juni 1992, met toestemming van de moeder en haar zijn naam heeft gegeven; dat (verweerder) deze erkenning heeft aangevochten vanaf 2 juli 1992; (...) dat (eisers) op 1 augustus 1992 in het huwelijk zijn getreden; (...) dat het bezit van staat, luidens art. 331 BW nonies voortdurend moet bewezen zijn en bewezen wordt door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen; (...) dat, overeenkomstig een constante rechtsleer en rechtspraak, het bezit van staat ook ondubbelzinnig moet zijn (J. Sosson, Quelques problèmes judiciaires d'application de la loi du 31 mars 1987, in J.T. 1992, p. 304); (...) dat de omstandigheid dat (verweerder) nooit bijgedragen heeft in de kosten van onderhoud en opvoeding van het kind en slechts zelden een bezoekrecht heeft uitgeoefend, ter zake niet dienend is; (...) dat de periode gedurende dewelke Stefaan Leroy (eerste eiser) en het kind onder hetzelfde dak hebben geleefd te kort is om van een ondubbelzinnig bezit van staat te gewagen; (...) dat Erika vanaf haar geboorte in 1986 tot erkenning door Stefaan Leroy (eerste eiser) in juni 1992, de naam Detré heeft gedragen; (...) dat (verweerder) op 2 juli 1992 een verzoekschrift heeft neergelegd bij de vrederechter van het kanton Halle,
overeenkomstig artikel 319, alinéa 3, al. 3 BW, ten einde de toestemming van de moeder te bekomen tot erkenning van het kind; dat deze procedure steeds hangende is en geen voortgang kan vinden zolang huidige betwisting niet wordt beslecht; (...) dat te dezen bijgevolg geen sprake kan zijn van ondubbelzinnig bezit van staat; dat het hoger beroep gegrond is; dat de bevolen onderzoeksmaatregel overbodig is";
en bijgevolg de vordering tot vernietiging van erkenning gegrond verklaart,
terwijl,...
tweede onderdeel, de rechter, geadieerd met een afstammingsvordering dient rekening te houden, bij de uitspraak, met de opportuniteit van de vordering, rekening houdende met het belang van het kind, en het bestreden arrest, hoewel daartoe door eisers uitgenodigd, geen acht slaat op dit beginsel, zijn beslissing niet in rechte verantwoordt (schending van de artikelen 319, 320, 322, 323, 324, 327, 330, 331sexies, 331septies, 331nonies van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig het algemeen rechtsbeginsel "belangen van het kind", zoals o.m. vervat in de artikelen 319, alinéa 3 en 322 van het Burgerlijk Wetboek) :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat, wanneer zoals te dezen een erkenning op grond van artikel 330, alinéa 2, van het Burgerlijk Wetboek wordt betwist, de rechter bij het al dan niet tenietdoen van de erkenning geen rekening dient te houden met het belang van het kind;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Gelet op de beschikking van de eerste Voorzitter van 8 augustus 1995 waarbij de zaak naar de derde kamer wordt verwezen;
Gelet op het bestreden arrest, op 15 september 1994 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 (oud 97) van de Grondwet en van de artikelen 319, 320, 322, 323, 324, 327, 330, 331sexies, 331septies, 331nonies van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig het algemeen rechtsbeginsel "belangen van het kind", zoals o.m. vervat in de artikelen 319, alinéa 3 en 322 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest overweegt :
"I. Over het verzoek tot heropening der debatten (...) dat 'het nieuw stuk en feit van overwegend belang' waarop (eisers) zich steunen om de heropening der debatten te vragen, een arrest is van de jeugdkamer van dit hof dd. 29 juni 1994, waarbij het toekennen van een omgangsrecht aan de feitelijke vader (Callebaut) t.o.v. het kind Erika 'in de gegeven omstandigheden' wordt geweigerd, hierbij de aangevochten beslissing bevestigend; (...) dat, waar het in casu gaat om de betwisting van de erkenning van het kind Erika, de beslissing van de jeugdkamer van het Hof geen invloed kan hebben op de uitspraak in huidige zaak; dat er bijgevolg geen aanleiding is om de debatten te heropenen; (...);
II. Ontvankelijkheid van de vordering (...) dat (eisers) stellen dat het bezit van staat een hindernis vormt tot betwisting van de erkenning; (...) dat, te dezen, het bezit van staat in vraag wordt gesteld zodat de exceptie niet gegrond is;
III. Het bezit van staat (...) dat door partijen niet betwist wordt dat (verweerder) de biologische vader is van het kind Erika; dat (eisers), nochtans stellen dat het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner; (...) dat Marleen Detré (tweede eiseres), geboren op 3 september 1964, op 16-jarige leeftijd een relatie heeft aangeknoopt met (verweerder), geboren op 8 december 1947, relatie waaraan evenwel een einde kwam toen tweede (eiseres) meerderjarig was geworden (1985); dat het kind Erika op 24 maart 1986 geboren werd; (...) dat Marleen Detré (tweede eiseres) in januari 1992 is gaan samenwonen met Stefaan Leroy (eerste eiser); dat deze laatste het kind Erika erkend heeft op 5 juni 1992, met toestemming van de moeder en haar zijn naam heeft gegeven; dat (verweerder) deze erkenning heeft aangevochten vanaf 2 juli 1992; (...) dat (eisers) op 1 augustus 1992 in het huwelijk zijn getreden; (...) dat het bezit van staat, luidens art. 331 BW nonies voortdurend moet bewezen zijn en bewezen wordt door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen; (...) dat, overeenkomstig een constante rechtsleer en rechtspraak, het bezit van staat ook ondubbelzinnig moet zijn (J. Sosson, Quelques problèmes judiciaires d'application de la loi du 31 mars 1987, in J.T. 1992, p. 304); (...) dat de omstandigheid dat (verweerder) nooit bijgedragen heeft in de kosten van onderhoud en opvoeding van het kind en slechts zelden een bezoekrecht heeft uitgeoefend, ter zake niet dienend is; (...) dat de periode gedurende dewelke Stefaan Leroy (eerste eiser) en het kind onder hetzelfde dak hebben geleefd te kort is om van een ondubbelzinnig bezit van staat te gewagen; (...) dat Erika vanaf haar geboorte in 1986 tot erkenning door Stefaan Leroy (eerste eiser) in juni 1992, de naam Detré heeft gedragen; (...) dat (verweerder) op 2 juli 1992 een verzoekschrift heeft neergelegd bij de vrederechter van het kanton Halle,
overeenkomstig artikel 319, alinéa 3, al. 3 BW, ten einde de toestemming van de moeder te bekomen tot erkenning van het kind; dat deze procedure steeds hangende is en geen voortgang kan vinden zolang huidige betwisting niet wordt beslecht; (...) dat te dezen bijgevolg geen sprake kan zijn van ondubbelzinnig bezit van staat; dat het hoger beroep gegrond is; dat de bevolen onderzoeksmaatregel overbodig is";
en bijgevolg de vordering tot vernietiging van erkenning gegrond verklaart,
terwijl,...
tweede onderdeel, de rechter, geadieerd met een afstammingsvordering dient rekening te houden, bij de uitspraak, met de opportuniteit van de vordering, rekening houdende met het belang van het kind, en het bestreden arrest, hoewel daartoe door eisers uitgenodigd, geen acht slaat op dit beginsel, zijn beslissing niet in rechte verantwoordt (schending van de artikelen 319, 320, 322, 323, 324, 327, 330, 331sexies, 331septies, 331nonies van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig het algemeen rechtsbeginsel "belangen van het kind", zoals o.m. vervat in de artikelen 319, alinéa 3 en 322 van het Burgerlijk Wetboek) :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat, wanneer zoals te dezen een erkenning op grond van artikel 330, alinéa 2, van het Burgerlijk Wetboek wordt betwist, de rechter bij het al dan niet tenietdoen van de erkenning geen rekening dient te houden met het belang van het kind;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.