We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Hof van Cassatie: Arrest van 16 September 1999 (België). RG C970301N

Datum :
16-09-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990916-7
Rolnummer :
C970301N

Samenvatting :

Bedrog veronderstelt dat een contractant met opzet kunstgrepen gebruikt om de wederpartij te doen contracteren.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 29 april 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 1108, 1116, 1117 en 1234 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest de vordering van verweerster tegen eisers gegrond verklaart, aldus de overeenkomst van 31 juli 1990 "ontbonden" verklaart lastens eisers en hen beiden veroordeelt tot betaling aan verweerster van een bedrag van 297.500 frank meer intresten, en deze beslissing op o.m.
volgende overwegingen laat steunen:
"(...) dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de verkoop is aangetast door bedrog nu zowel Proost als Camargue op het tijdstip van de verkoop wisten of moesten weten dat de loods moest afgebroken worden; (...) dat de handelswijze van de verkopers te dezen een listige kunstgreep uitmaakt en in redelijkheid mag aangenomen dat de koopster het contract niet zou hebben aangegaan indien zij op de hoogte was geweest van de afwezigheid van een bouwvergunning en de daaruit voortvloeiende overtreding en verplichting tot afbraak; (...) dat bedrog door artikel 1116 BW als een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wordt aangemerkt en de nietigheid voor gevolg heeft dat de overeenkomst geacht wordt nooit te hebben bestaan",
tweede onderdeel, het bedrog bedoeld in artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek het bestaan impliceert enerzijds van het oogmerk om zijn medecontractant te misleiden of de bedoeling om de medecontractant te bedriegen en anderzijds van listige kunstgrepen; aan deze eerste voorwaarde, psychologisch bestanddeel van het bedrog, niet is voldaan wanneer de contractpartij aan wie bedrog wordt verweten het litigieuze element enkel "behoorde te weten" of zelfs "wist"; het enkel "behoren te weten" en zelfs het "weten" immers niet de bedoeling om te misleiden of te bedriegen impliceert; dit psychologisch element derhalve bijkomend dient vastgesteld; het bestaan van "listige kunstgrepen", materieel element van het bedrog, deze vaststelling evenmin impliceert;
het bestreden arrest echter tot bedrog in hoofde van eisers besluit op grond van de vaststelling dat eisers op het tijdstip van de verkoop "wisten" of "moesten weten" dat de loods moest afgebroken worden, en verder het bestaan van een listige kunstgreep vaststelt om tot nietigheid van de litigieuze koopovereenkomst te besluiten; eerstvermelde vaststelling niet volstaat om tot bedrog als nietigheidsgrond te besluiten, ook niet samen gelezen met de verdere vaststelling, zonder enige specifiëring, van het bestaan van een "listige kunstgreep";
het bestreden arrest derhalve, door te oordelen zoals vermeld, de artikelen 1108, 1116, 1117 en 1234 van het Burgerlijk Wetboek schendt:
Wat het tweede onderdeel betreft:
Overwegende dat bedrog in de zin van artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek veronderstelt dat een contractant met opzet kunstgrepen gebruikt om de wederpartij te doen contracteren;
Dat stilzwijgen bij het sluiten van een overeenkomst onder omstandigheden bedrog kan uitmaken in de zin van artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek wanneer de partij die het verzwegen feit niet kende niet zou gecontracteerd hebben zo zij dit feit zou hebben gekend;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de verkoper door het proces-verbaal van de politie van Schilde van 20 februari 1989 ingelicht werd over de inbreuk; dat het oordeelt dat de eisers wisten of moesten weten dat de loods moest worden afgebroken; dat het verder vaststelt dat de verkoopovereenkomst van 31 juli 1990 dateert; dat het oordeelt dat de handelwijze van de verkopers een kunstgreep uitmaakte die listig was en dat in redelijkheid mag worden aangenomen dat de koopster niet zou hebben gekocht indien zij op de hoogte was geweest van de afwezigheid van een bouwvergunning en de daaruit voortvloeiende overtreding en verplichting tot afbraak;
Dat het arrest zodoende zonder schending van artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek op grond van het stilzwijgen van eiseres dat het als een listige kunstgreep beschouwt en op grond van de gevolgen die dit stilzwijgen had voor de koper oordeelt dat er te dezen sprake was van bedrog;
Dat het aldus zijn beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening ...;