Hof van Cassatie: Arrest van 19 April 1991 (België). RG 7140
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19910419-1
- Rolnummer :
- 7140
Samenvatting :
Al is de rechterlijke macht bevoegd om een door de administratieve overheid bij de uitoefening van haar discretionaire macht begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht te voorkomen en ook te vergoeden, vermag zij niet aan het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen; ook de rechter in kort geding vermag dit niet. ( Artt. 92 en 93, Grondwet; art. 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. )
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op de bestreden arresten, op 20 december 1988 en 26 september 1989 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 584, 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, 25, 29, 30, 31, 92, 93, 107, 108 van de Grondwet, 75, 84, 85, 85bis, 90, 99 van de Gemeentewet van 30 maart 1936, 36, 40, 41, 117, 118, 123, 133, 145, 146, 149, 150, 151 van de Nieuwe Gemeentewet, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 24 juni 1988, bekrachtigd bij artikel 1 van de wet van 26 mei 1989,
doordat het bestreden arrest van 20 december 1988 het hof van beroep bevoegd verklaart om van de vordering kennis te nemen, op grond van de in het eerste middel aangehaalde overwegingen, en het bestreden arrest van 26 september 1989 "beveelt dat vanaf maandag 9 oktober 1989 - deze datum wordt gesteld ter respectering van de goede gang van zaken in de onderwijsinstellingen en met het oog op de noodzaak van de herplanning - (verweerder) als lesgevende leerkracht-titularis zal worden aangesteld in één van de gemeentescholen van Groot-Zwevegem" en "dat, ter vrijwaring van (verweerders) rechten, elke binnen de periode verstrijkend eind juni 1992 tegen (verweerder) genomen ordemaatregel of tuchtmaatregel ter bekrachtiging zal worden voorgelegd aan de kortgedingrechter ten verzoeke van de Inrichtende Macht", op grond van de in het eerste middel eveneens aangehaalde overwegingen,
terwijl de Rechterlijke Macht geen bevel mag geven waarbij het bestuur verplicht zou worden een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op een bepaalde wijze uit te oefenen, zodat het bestuur haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid zou ontnomen worden en deze nog enkel op de in het vonnis of arrest aangeduide wijze kan uitoefenen; het tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de gemeentelijke overheid behoort de leerkrachten die vast benoemd zijn als onderwijzer in het gemeentelijk lager onderwijs met taken te belasten, zonder verplicht te zijn een bepaalde leerkracht als titularis van een klas te laten fungeren; de bestreden arresten derhalve, door eiseres te bevelen verweerder als lesgevende klastitularis in een bepaalde school aan te stellen, en elke orde- en tuchtmaatregel voor eind juni 1992 ter bekrachtiging aan de voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding voor te leggen, en haar daardoor elke discretionaire beoordelingsbevoegdheid kan ontnemen, de in het middel vermelde wettelijke bepalingen schendt :
Over de door verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel "vermits (erin) niet wordt aangeduid op welke wijze uit de (erin als geschonden aangewezen) artikelen zou volgen dat de Rechterlijke Macht geen bevel mag geven waardoor het bestuur verplicht zou worden een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op een bepaalde wijze uit te oefenen", en, nu erin "geen schending wordt ingeroepen van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten" :
Overwegende dat in het middel schending wordt aangevoerd van de grondwettelijke en wettelijke bepalingen die de uitoefening van de Uitvoerende Macht en de Rechterlijke Macht regelen en van de bepalingen die de machten van de gemeente omschrijven; dat het beginsel van de scheiding der machten niet ten overvloede hoefde vermeld te worden, nu de onderlinge verhouding van de onderscheiden organen waaraan de uitoefening van die machten werd toegewezen uit de voormelde bepalingen voortvloeit;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel zelf :
Overwegende dat het arrest van 20 december 1988 constateert : 1. dat verweerder "bij dagvaarding in kort geding van 6 oktober 1987 (vorderde) dat (eiseres) ertoe gehouden is hem te laten fungeren als titularis van de tweede graadsklas in de gemeenteschool te Zwevegem-Sint-Denijs, op straffe van een dwangsom van 100.000 frank per dag"; 2. dat verweerder voor het hof van beroep zijn vordering als volgt herformuleerde : "het stopzetten door (eiseres) van de willekeurige manier van optreden tegenover hem en de aanwijzing van (verweerder) als klastitularis in één van de gemeentescholen van Groot-Zwevegem, op straffe van de oorspronkelijke gevraagde dwangsom";
Overwegende dat het hof van beroep, na te hebben vastgesteld dat het "de gemeentelijke overheid is die, als inrichtende macht en bij toepassing van de gemeentelijke autonomie, de leerkrachten van haar scholen benoemt en volkomen vrij is de leeropdrachten waarmee de betrokkenen worden belast te bepalen en uiteraard ook te wijzigen" mits "die vrijheid op redelijke gronden, en niet arbitrair, wordt uitgeoefend", in zijn arrest van 20 december 1988 zich bevoegd verklaart om van de vordering van verweerder kennis te nemen; dat het in zijn arrest van 26 september 1989 vaststelt "dat er, in de huidige stand van zaken, geen voldoende decisieve elementen voorhanden zijn - noch van medische aard, noch van sociaal-psychologische aard, noch van onderwijskundige aard - om (verweerder) verder te laten fungeren als ambulante leerkracht in een voor hem ten opzichte van andere collega's ondergeschikte en frustrerende positie", en beveelt : 1. "dat vanaf maandag 9 oktober 1989 (verweerder) als lesgevende leerkrachttitularis zal worden aangesteld in een van de gemeentescholen van Groot-Zwevegem" en 2. "dat, ter vrijwaring van (verweerders) rechten, elke binnen de periode verstrijkend einde juni 1992 tegen (verweerder) genomen ordemaatregel of tuchtmaatregel ter bekrachtiging zal worden voorgelegd aan de kortgedingrechter ten verzoeke van de Inrichtende Macht";
Overwegende dat de administratieve overheid die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt over een beoordelingsvrijheid die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent en de haar meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen;
Dat de Rechterlijke Macht weliswaar bevoegd is om een door de administratie bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar niet vermag aan het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen; dat ook de rechter in kort geding dit niet vermag;
Overwegende dat de appelrechter, door op grond van in het arrest van 26 september 1989 vermelde belangenafweging aan eiseres bevel te geven verweerder opnieuw in een van de scholen van de gemeente als "klastitularis" aan te stellen, zich in de plaats stelt van eiseres en haar discretionaire bevoegdheid miskent;
Dat voorts de Rechterlijke Macht geen bevoegdheid heeft om de door de administratieve overheid genomen ordemaatregel of tuchtstraf aan haar bekrachtiging te onderwerpen;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest van 26 september 1989; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.
Over het tweede middel : schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 584, 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, 25, 29, 30, 31, 92, 93, 107, 108 van de Grondwet, 75, 84, 85, 85bis, 90, 99 van de Gemeentewet van 30 maart 1936, 36, 40, 41, 117, 118, 123, 133, 145, 146, 149, 150, 151 van de Nieuwe Gemeentewet, gecodificeerd bij koninklijk besluit van 24 juni 1988, bekrachtigd bij artikel 1 van de wet van 26 mei 1989,
doordat het bestreden arrest van 20 december 1988 het hof van beroep bevoegd verklaart om van de vordering kennis te nemen, op grond van de in het eerste middel aangehaalde overwegingen, en het bestreden arrest van 26 september 1989 "beveelt dat vanaf maandag 9 oktober 1989 - deze datum wordt gesteld ter respectering van de goede gang van zaken in de onderwijsinstellingen en met het oog op de noodzaak van de herplanning - (verweerder) als lesgevende leerkracht-titularis zal worden aangesteld in één van de gemeentescholen van Groot-Zwevegem" en "dat, ter vrijwaring van (verweerders) rechten, elke binnen de periode verstrijkend eind juni 1992 tegen (verweerder) genomen ordemaatregel of tuchtmaatregel ter bekrachtiging zal worden voorgelegd aan de kortgedingrechter ten verzoeke van de Inrichtende Macht", op grond van de in het eerste middel eveneens aangehaalde overwegingen,
terwijl de Rechterlijke Macht geen bevel mag geven waarbij het bestuur verplicht zou worden een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op een bepaalde wijze uit te oefenen, zodat het bestuur haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid zou ontnomen worden en deze nog enkel op de in het vonnis of arrest aangeduide wijze kan uitoefenen; het tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de gemeentelijke overheid behoort de leerkrachten die vast benoemd zijn als onderwijzer in het gemeentelijk lager onderwijs met taken te belasten, zonder verplicht te zijn een bepaalde leerkracht als titularis van een klas te laten fungeren; de bestreden arresten derhalve, door eiseres te bevelen verweerder als lesgevende klastitularis in een bepaalde school aan te stellen, en elke orde- en tuchtmaatregel voor eind juni 1992 ter bekrachtiging aan de voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding voor te leggen, en haar daardoor elke discretionaire beoordelingsbevoegdheid kan ontnemen, de in het middel vermelde wettelijke bepalingen schendt :
Over de door verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel "vermits (erin) niet wordt aangeduid op welke wijze uit de (erin als geschonden aangewezen) artikelen zou volgen dat de Rechterlijke Macht geen bevel mag geven waardoor het bestuur verplicht zou worden een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op een bepaalde wijze uit te oefenen", en, nu erin "geen schending wordt ingeroepen van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten" :
Overwegende dat in het middel schending wordt aangevoerd van de grondwettelijke en wettelijke bepalingen die de uitoefening van de Uitvoerende Macht en de Rechterlijke Macht regelen en van de bepalingen die de machten van de gemeente omschrijven; dat het beginsel van de scheiding der machten niet ten overvloede hoefde vermeld te worden, nu de onderlinge verhouding van de onderscheiden organen waaraan de uitoefening van die machten werd toegewezen uit de voormelde bepalingen voortvloeit;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel zelf :
Overwegende dat het arrest van 20 december 1988 constateert : 1. dat verweerder "bij dagvaarding in kort geding van 6 oktober 1987 (vorderde) dat (eiseres) ertoe gehouden is hem te laten fungeren als titularis van de tweede graadsklas in de gemeenteschool te Zwevegem-Sint-Denijs, op straffe van een dwangsom van 100.000 frank per dag"; 2. dat verweerder voor het hof van beroep zijn vordering als volgt herformuleerde : "het stopzetten door (eiseres) van de willekeurige manier van optreden tegenover hem en de aanwijzing van (verweerder) als klastitularis in één van de gemeentescholen van Groot-Zwevegem, op straffe van de oorspronkelijke gevraagde dwangsom";
Overwegende dat het hof van beroep, na te hebben vastgesteld dat het "de gemeentelijke overheid is die, als inrichtende macht en bij toepassing van de gemeentelijke autonomie, de leerkrachten van haar scholen benoemt en volkomen vrij is de leeropdrachten waarmee de betrokkenen worden belast te bepalen en uiteraard ook te wijzigen" mits "die vrijheid op redelijke gronden, en niet arbitrair, wordt uitgeoefend", in zijn arrest van 20 december 1988 zich bevoegd verklaart om van de vordering van verweerder kennis te nemen; dat het in zijn arrest van 26 september 1989 vaststelt "dat er, in de huidige stand van zaken, geen voldoende decisieve elementen voorhanden zijn - noch van medische aard, noch van sociaal-psychologische aard, noch van onderwijskundige aard - om (verweerder) verder te laten fungeren als ambulante leerkracht in een voor hem ten opzichte van andere collega's ondergeschikte en frustrerende positie", en beveelt : 1. "dat vanaf maandag 9 oktober 1989 (verweerder) als lesgevende leerkrachttitularis zal worden aangesteld in een van de gemeentescholen van Groot-Zwevegem" en 2. "dat, ter vrijwaring van (verweerders) rechten, elke binnen de periode verstrijkend einde juni 1992 tegen (verweerder) genomen ordemaatregel of tuchtmaatregel ter bekrachtiging zal worden voorgelegd aan de kortgedingrechter ten verzoeke van de Inrichtende Macht";
Overwegende dat de administratieve overheid die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt over een beoordelingsvrijheid die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent en de haar meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen;
Dat de Rechterlijke Macht weliswaar bevoegd is om een door de administratie bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar niet vermag aan het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen; dat ook de rechter in kort geding dit niet vermag;
Overwegende dat de appelrechter, door op grond van in het arrest van 26 september 1989 vermelde belangenafweging aan eiseres bevel te geven verweerder opnieuw in een van de scholen van de gemeente als "klastitularis" aan te stellen, zich in de plaats stelt van eiseres en haar discretionaire bevoegdheid miskent;
Dat voorts de Rechterlijke Macht geen bevoegdheid heeft om de door de administratieve overheid genomen ordemaatregel of tuchtstraf aan haar bekrachtiging te onderwerpen;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest van 26 september 1989; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.