Hof van Cassatie: Arrest van 25 April 1991 (België). RG 9123
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19910425-1
- Rolnummer :
- 9123
Samenvatting :
De omstandigheid dat een door de partijen met onderling goedvinden aangewezen deskundige, bij het uitbrengen van zijn advies zijn opdracht te buiten is gegaan, verhindert de rechter niet daaruit vermoedens af te leiden in de gevallen dat het bewijs door vermoedens is toegelaten. ( Art. 1353 Burgerlijk Wetboek. )
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op de bestreden arresten, op 30 januari en 8 mei 1990 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1134, 1165, 1349, 1353, 1779, 1787, 1793, 1989, 1998 van het Burgerlijk Wetboek, 963 van het Gerechtelijk Wetboek en 97 van de Grondwet alsook van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging,
doordat het hof van beroep, met bevestiging van de bestreden beschikking, bij arrest van 8 mei 1990, verweerster belast met het voorlopig bestuur over de persoon en de goederen van de drie minderjarige kinderen en zich daartoe baseert op de "regelmatig verkregen inlichtingen" waaronder het verslag van dokter Dopchie dat het hof, bij tussenarrest van 30 januari 1990, geweigerd had uit de debatten te weren op grond "dat (eiser) aan de eerste rechter verwijt dat hij het verslag van dokter Dopchie aan wie hij verwijt dat hij zijn opdracht, die beperkt was tot het formuleren van voorstellen over de regeling van het bezoekrecht van de niet met de bewaring van het kind belaste ouder (dat is, op dit ogenblik, de echtgenote) te buiten is gegaan, niet uit het debat heeft geweerd; dat die grief (van eiser) op alle punten ongegrond is; dat de eerste rechter niet bevoegd was om een verslag, dat regelmatig was overgelegd door de partijen of door één van hen, dat het standpunt weergeeft van een door de partijen buiten iedere inmenging van de rechtbank geraadpleegde geneesheer-specialist, en waarop de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gerechtelijke deskundigenonderzoeken niet van toepassing zijn, uit het debat te weren; dat de eerste rechter geen redenen had om dat te doen, te meer daar mevrouw Nicole Dopchie in haar verslag binnen de perken van het geoorloofde en van de regels inzake de uitoefening van de geneeskunde gebleven is, toen zij, na te zijn geraadpleegd door de ouders die hun betrekkingen met hun kinderen wensten te regelen met inaanmerkingneming van de behoeften en belangen van de laatstgenoemden, de ouders onverwijld op de hoogte bracht van de door haar gedane vaststellingen die de toewijzing van de bewaring aan de moeder noodzakelijk leken te maken; dat dit besluit de raadpleging van 1 december 1988 over het bezoekrecht van de moeder overbodig maakte en dokter Dopchie verplichtte aan de ouders uit te leggen waarom zij meende geen voorstellen te moeten doen",
terwijl, eerste onderdeel, de partijen, door met onderling goedvinden aan een deskundige, te dezen een geneesheer, de opdracht te geven zijn advies uit te brengen over kwesties betreffende de regeling van het bezoekrecht, een minnelijke overeenkomst tot het verrichten van een deskundigenonderzoek hebben gesloten; die overeenkomst enerzijds de partijen tot wet strekt (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) en aan derden, de rechters inbegrepen, kan worden tegengeworpen (artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek); anderzijds, de deskundige gebonden is door de aan hem toevertrouwde opdracht, gehouden is deze te goeder trouw uit te voeren en dus krachtens de artikelen 1134, 1779, 1787, 1793, 1985 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek zijn opdracht niet te buiten mag gaan; ten slotte, de minnelijke overeenkomst tot het verrichten van een deskundigenonderzoek, zelfs als ze niet aan alle regels van het gerechtelijk deskundigenonderzoek is onderworpen, niettemin noodzakelijk onderworpen is aan bepaalde essentiële regels die gelden voor alle deskundigenonderzoeken, en meer bepaald aan de regel betreffende het recht van verdediging en aan de in artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regel volgens welke de deskundige gehouden is advies uit te brengen binnen de perken van de hem toevertrouwde opdracht; de rechter bijgevolg, aan wie een in der minne opgemaakt verslag wordt voorgelegd, geen rekening mag houden met het advies van de deskundige over kwesties die niet tot zijn opdracht behoren, aangezien een dergelijk, in strijd met de essentiële contractuele en gerechtelijke regels uitgebracht advies niet kan worden aangemerkt als een toelaatbaar bewijsmiddel met de waarde van een deskundigenonderzoek of een vermoeden; het arrest van 30 januari 1990 bijgevolg, door het betwiste verslag niet uit het debat te weren, ofschoon het tevens beslist dat de kwestie van de bewaring van de kinderen niet onder de aan die geneesheer toevertrouwde opdracht viel, op de enkele grond dat de steller van het verslag binnen de perken van het geoorloofde en binnen de perken van de regels betreffende de uitoefening van de geneeskunde gebleven is, alle bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel die in het middel worden vermeld schendt, met uitzondering van artikel 97 van de Grondwet, zodat het arrest van 8 mei 1990, nu het op het voorgaande is gebaseerd, door dezelfde gebreken is aangetast;
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat de omstandigheid dat een deskundige, bij het uitbrengen van zijn advies, de hem toevertrouwde opdracht te buiten is gegaan, niet verhindert dat de verrichte onderzoeken, de gedane vaststellingen en het uitgebrachte advies vaststaande gegevens zijn waaruit de rechter, als zij door een partij in de zaak worden aangevoerd en het bewijs door vermoedens toegestaan is, op grond van een feitelijke beoordeling, vermoedens kan afleiden in de zin van artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek, die bewijs kunnen opleveren onder de bij artikel 1353 van dat wetboek bepaalde voorwaarden;
Dat noch artikel 1134 noch artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek daaraan in de weg staan en dat de rechter zodoende noch artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek, dat enkel op gerechtelijke deskundigenonderzoeken van toepassing is, noch de ter zake niet toepasselijke artikelen 1779, 1787, 1793, 1985 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest van 8 mei 1990 in zoverre dit arrest het bedrag van de bijdrage van eiser in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de gemeenschappelijke kinderen vaststelt; verwerpt de voorziening voor het overige; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; verwijst eiser in de helft van de kosten; houdt het overige aan en laat de beslissing hieromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik.
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1134, 1165, 1349, 1353, 1779, 1787, 1793, 1989, 1998 van het Burgerlijk Wetboek, 963 van het Gerechtelijk Wetboek en 97 van de Grondwet alsook van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging,
doordat het hof van beroep, met bevestiging van de bestreden beschikking, bij arrest van 8 mei 1990, verweerster belast met het voorlopig bestuur over de persoon en de goederen van de drie minderjarige kinderen en zich daartoe baseert op de "regelmatig verkregen inlichtingen" waaronder het verslag van dokter Dopchie dat het hof, bij tussenarrest van 30 januari 1990, geweigerd had uit de debatten te weren op grond "dat (eiser) aan de eerste rechter verwijt dat hij het verslag van dokter Dopchie aan wie hij verwijt dat hij zijn opdracht, die beperkt was tot het formuleren van voorstellen over de regeling van het bezoekrecht van de niet met de bewaring van het kind belaste ouder (dat is, op dit ogenblik, de echtgenote) te buiten is gegaan, niet uit het debat heeft geweerd; dat die grief (van eiser) op alle punten ongegrond is; dat de eerste rechter niet bevoegd was om een verslag, dat regelmatig was overgelegd door de partijen of door één van hen, dat het standpunt weergeeft van een door de partijen buiten iedere inmenging van de rechtbank geraadpleegde geneesheer-specialist, en waarop de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gerechtelijke deskundigenonderzoeken niet van toepassing zijn, uit het debat te weren; dat de eerste rechter geen redenen had om dat te doen, te meer daar mevrouw Nicole Dopchie in haar verslag binnen de perken van het geoorloofde en van de regels inzake de uitoefening van de geneeskunde gebleven is, toen zij, na te zijn geraadpleegd door de ouders die hun betrekkingen met hun kinderen wensten te regelen met inaanmerkingneming van de behoeften en belangen van de laatstgenoemden, de ouders onverwijld op de hoogte bracht van de door haar gedane vaststellingen die de toewijzing van de bewaring aan de moeder noodzakelijk leken te maken; dat dit besluit de raadpleging van 1 december 1988 over het bezoekrecht van de moeder overbodig maakte en dokter Dopchie verplichtte aan de ouders uit te leggen waarom zij meende geen voorstellen te moeten doen",
terwijl, eerste onderdeel, de partijen, door met onderling goedvinden aan een deskundige, te dezen een geneesheer, de opdracht te geven zijn advies uit te brengen over kwesties betreffende de regeling van het bezoekrecht, een minnelijke overeenkomst tot het verrichten van een deskundigenonderzoek hebben gesloten; die overeenkomst enerzijds de partijen tot wet strekt (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) en aan derden, de rechters inbegrepen, kan worden tegengeworpen (artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek); anderzijds, de deskundige gebonden is door de aan hem toevertrouwde opdracht, gehouden is deze te goeder trouw uit te voeren en dus krachtens de artikelen 1134, 1779, 1787, 1793, 1985 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek zijn opdracht niet te buiten mag gaan; ten slotte, de minnelijke overeenkomst tot het verrichten van een deskundigenonderzoek, zelfs als ze niet aan alle regels van het gerechtelijk deskundigenonderzoek is onderworpen, niettemin noodzakelijk onderworpen is aan bepaalde essentiële regels die gelden voor alle deskundigenonderzoeken, en meer bepaald aan de regel betreffende het recht van verdediging en aan de in artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regel volgens welke de deskundige gehouden is advies uit te brengen binnen de perken van de hem toevertrouwde opdracht; de rechter bijgevolg, aan wie een in der minne opgemaakt verslag wordt voorgelegd, geen rekening mag houden met het advies van de deskundige over kwesties die niet tot zijn opdracht behoren, aangezien een dergelijk, in strijd met de essentiële contractuele en gerechtelijke regels uitgebracht advies niet kan worden aangemerkt als een toelaatbaar bewijsmiddel met de waarde van een deskundigenonderzoek of een vermoeden; het arrest van 30 januari 1990 bijgevolg, door het betwiste verslag niet uit het debat te weren, ofschoon het tevens beslist dat de kwestie van de bewaring van de kinderen niet onder de aan die geneesheer toevertrouwde opdracht viel, op de enkele grond dat de steller van het verslag binnen de perken van het geoorloofde en binnen de perken van de regels betreffende de uitoefening van de geneeskunde gebleven is, alle bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel die in het middel worden vermeld schendt, met uitzondering van artikel 97 van de Grondwet, zodat het arrest van 8 mei 1990, nu het op het voorgaande is gebaseerd, door dezelfde gebreken is aangetast;
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat de omstandigheid dat een deskundige, bij het uitbrengen van zijn advies, de hem toevertrouwde opdracht te buiten is gegaan, niet verhindert dat de verrichte onderzoeken, de gedane vaststellingen en het uitgebrachte advies vaststaande gegevens zijn waaruit de rechter, als zij door een partij in de zaak worden aangevoerd en het bewijs door vermoedens toegestaan is, op grond van een feitelijke beoordeling, vermoedens kan afleiden in de zin van artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek, die bewijs kunnen opleveren onder de bij artikel 1353 van dat wetboek bepaalde voorwaarden;
Dat noch artikel 1134 noch artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek daaraan in de weg staan en dat de rechter zodoende noch artikel 963 van het Gerechtelijk Wetboek, dat enkel op gerechtelijke deskundigenonderzoeken van toepassing is, noch de ter zake niet toepasselijke artikelen 1779, 1787, 1793, 1985 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek schendt;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest van 8 mei 1990 in zoverre dit arrest het bedrag van de bijdrage van eiser in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de gemeenschappelijke kinderen vaststelt; verwerpt de voorziening voor het overige; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; verwijst eiser in de helft van de kosten; houdt het overige aan en laat de beslissing hieromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik.