Hof van Cassatie: Arrest van 26 April 1991 (België). RG 7387
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19910426-9
- Rolnummer :
- 7387
Samenvatting :
Een "toevallig feit", in de zin van art. 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, is een feit dat, ongeacht de oorsprong ervan, voor de bestuurder van het motorrijtuig dat het ongeval veroorzaakte, overmacht heeft uitgemaakt.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 19 februari 1990 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en 19, alinéa 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,
doordat het hof van beroep de vordering van de eisers tegen verweerder ongegrond verklaart, na enerzijds in feite te hebben vastgesteld "dat het ongeval veroorzaakt werd door de camion die bestuurd werd door de aangestelde van de N.V. Davytrans" en "dat, waar ten genoegen van recht vaststaat dat de steen die het slachtoffer verwondde, werd weggeslingerd van tussen de achterwielen van de camion, bestuurd door de aangestelde van de N.V. Davytrans, uit niets blijkt hoe deze steen dan wel tussen de achterwielen van de camion is terechtgekomen", en anderzijds te hebben geoordeeld : "dat, waar de oorsprong van de steen onbekend is, ook niet kan besloten worden dat deze steen op de rijbaan lag en dat de aangestelde van de N.V. Davytrans onvoorzichtig is geweest om over deze steen te rijden; (...) dat, naar luid van artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, elke benadeelde, van (verweerder) de vergoeding kan bekomen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels - en eventueel ook van stoffelijke schade - indien die letsels zijn veroorzaakt door een motorrijtuig - wat ter zake het geval is - wanneer geen enkele toegelaten verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is, bijvoorbeeld om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat (...); dat het toevallig feit dat de bestuurder, die het ongeval heeft veroorzaakt, vrijstelt van elke schuld, voor hem onvoorzienbaar moet geweest zijn, vervolgens ook een onoverkomelijk beletsel voor het nakomen van zijn verplichtingen als bestuurder op de openbare weg en ten slotte niet te wijten aan zijn eigen schuld; dat ter zake, zoals blijkt uit wat hierboven werd gezegd, de afwezigheid van schuld in hoofde van de aangestelde van N.V. Davytrans werd afgelegd uit de onbekende oorsprong van de steen die van tussen de achterste wielen van de vrachtwagen werd weggeslingerd op het scheenbeen van het slachtoffer; dat, waar het ter zake niet bewezen is dat deze steen, voor hij weggeslingerd werd, deel uitmaakte van de camion, het evenmin bewezen is dat hij, bijvoorbeeld op het wegdek heeft gelegen en daar een plotseling opdagende en onvoorzienbare hindernis is geweest voor de bestuurder van de vrachtwagen; dat in deze omstandigheden ook niet bewezen wordt dat de bestuurder van de camion, door wie de steen werd weggeslingerd, vrijuit gaat omwille van het toevallig feit, bedoeld in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen",
terwijl het "toevallig feit" bedoeld in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975, waarnaar artikel 19, alinéa 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 verwijst, een omstandigheid of gebeurtenis is die voor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, overmacht uitmaakt zodat ze hem niet kunnen worden toegerekend; de vraag of de oorsprong van die omstandigheid of gebeurtenis al dan niet bewezen is - te dezen met name de herkomst van de door de achterwielen van de vrachtwagen weggeslingerde steen - ter zake niet dienend is, zodra bedoelde overmacht voor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte vaststaat; het wegslingeren via de achterwielen van een vrachtwagen, van een steen, waarvan de oorsprong of herkomst onbekend is en waarvan met name niet bewezen is dat deze hetzij van die vrachtwagen afkomstig was, hetzij op het wegdek had gelegen, voor de bestuurder ervan - die dienaangaande geen enkele fout beging - een geval van overmacht uitmaakt dat hem niet kan worden toegerekend; zodat het hof van beroep, dat vaststelt "dat het ongeval veroorzaakt werd door de camion die bestuurd werd door de aangestelde van de N.V. Davytrans" en dat deze laatste geen enkele fout kan worden verweten wegens de onbekende oorsprong van de weggeslingerde steen, niet wettig, louter op grond dat "niet bewezen is dat de steen, voor hij weggeslingerd werd, deel uitmaakte van de camion (en) evenmin (...) dat hij bijvoorbeeld op het wegdek heeft gelegen en daar een plotseling opdagende en onvoorzienbare hindernis is geweest voor de bestuurder van de vrachtwagen", beslist dat ook niet bewezen wordt dat deze bestuurder vrijuit gaat omwille van het toevallig feit, bedoeld in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 (schending van de in het middel aangeduide wetsbepalingen) :
Overwegende dat, voor de verplichting van verweerder om de benadeelde te vergoeden, te dezen van belang is de bepaling in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975, dat het moet gaan om "een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat";
Overwegende dat daartoe niet voldoende is dat de bestuurder vrijuit gaat; dat bovendien vereist is dat hij vrijuit gaat "om reden van een toevallig feit", zoals de wet het uitdrukt;
Overwegende dat weliswaar voor de toepassing van voormelde wetsbepaling niet vereist is dat, als het gaat om een toevallig feit, de oorsprong hiervan bekend is; dat echter noodzakelijk blijft de vaststelling dat het feit, ongeacht de oorsprong ervan, voor de bestuurder in kwestie overmacht heeft uitgemaakt;
Overwegende dat het arrest beslist dat de bestuurder van de vrachtwagen waardoor de steen weggeslingerd werd, vrijuit gaat omdat, wegens de onbekendheid van de oorsprong van de steen, de omstandigheden waarin hij weggeslingerd werd, niet vaststaan en derhalve geen onvoorzichtigheid van de bestuurder bewezen is;
Dat die beslissing inhoudt dat niet uitgesloten is dat het wegslingeren van de steen het gevolg is van een onvoorzichtigheid van de bestuurder, maar dat een onvoorzichtigheid niet vaststaat;
Dat het arrest derhalve de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen niet schendt door de vordering van de eisers af te wijzen omdat niet bewezen is dat de bestuurder vrijuit gaat "om reden van een toevallig feit";
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt de eisers in de kosten.
Over het middel : schending van de artikelen 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en 19, alinéa 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,
doordat het hof van beroep de vordering van de eisers tegen verweerder ongegrond verklaart, na enerzijds in feite te hebben vastgesteld "dat het ongeval veroorzaakt werd door de camion die bestuurd werd door de aangestelde van de N.V. Davytrans" en "dat, waar ten genoegen van recht vaststaat dat de steen die het slachtoffer verwondde, werd weggeslingerd van tussen de achterwielen van de camion, bestuurd door de aangestelde van de N.V. Davytrans, uit niets blijkt hoe deze steen dan wel tussen de achterwielen van de camion is terechtgekomen", en anderzijds te hebben geoordeeld : "dat, waar de oorsprong van de steen onbekend is, ook niet kan besloten worden dat deze steen op de rijbaan lag en dat de aangestelde van de N.V. Davytrans onvoorzichtig is geweest om over deze steen te rijden; (...) dat, naar luid van artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, elke benadeelde, van (verweerder) de vergoeding kan bekomen van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels - en eventueel ook van stoffelijke schade - indien die letsels zijn veroorzaakt door een motorrijtuig - wat ter zake het geval is - wanneer geen enkele toegelaten verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is, bijvoorbeeld om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat (...); dat het toevallig feit dat de bestuurder, die het ongeval heeft veroorzaakt, vrijstelt van elke schuld, voor hem onvoorzienbaar moet geweest zijn, vervolgens ook een onoverkomelijk beletsel voor het nakomen van zijn verplichtingen als bestuurder op de openbare weg en ten slotte niet te wijten aan zijn eigen schuld; dat ter zake, zoals blijkt uit wat hierboven werd gezegd, de afwezigheid van schuld in hoofde van de aangestelde van N.V. Davytrans werd afgelegd uit de onbekende oorsprong van de steen die van tussen de achterste wielen van de vrachtwagen werd weggeslingerd op het scheenbeen van het slachtoffer; dat, waar het ter zake niet bewezen is dat deze steen, voor hij weggeslingerd werd, deel uitmaakte van de camion, het evenmin bewezen is dat hij, bijvoorbeeld op het wegdek heeft gelegen en daar een plotseling opdagende en onvoorzienbare hindernis is geweest voor de bestuurder van de vrachtwagen; dat in deze omstandigheden ook niet bewezen wordt dat de bestuurder van de camion, door wie de steen werd weggeslingerd, vrijuit gaat omwille van het toevallig feit, bedoeld in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen",
terwijl het "toevallig feit" bedoeld in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975, waarnaar artikel 19, alinéa 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 verwijst, een omstandigheid of gebeurtenis is die voor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, overmacht uitmaakt zodat ze hem niet kunnen worden toegerekend; de vraag of de oorsprong van die omstandigheid of gebeurtenis al dan niet bewezen is - te dezen met name de herkomst van de door de achterwielen van de vrachtwagen weggeslingerde steen - ter zake niet dienend is, zodra bedoelde overmacht voor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte vaststaat; het wegslingeren via de achterwielen van een vrachtwagen, van een steen, waarvan de oorsprong of herkomst onbekend is en waarvan met name niet bewezen is dat deze hetzij van die vrachtwagen afkomstig was, hetzij op het wegdek had gelegen, voor de bestuurder ervan - die dienaangaande geen enkele fout beging - een geval van overmacht uitmaakt dat hem niet kan worden toegerekend; zodat het hof van beroep, dat vaststelt "dat het ongeval veroorzaakt werd door de camion die bestuurd werd door de aangestelde van de N.V. Davytrans" en dat deze laatste geen enkele fout kan worden verweten wegens de onbekende oorsprong van de weggeslingerde steen, niet wettig, louter op grond dat "niet bewezen is dat de steen, voor hij weggeslingerd werd, deel uitmaakte van de camion (en) evenmin (...) dat hij bijvoorbeeld op het wegdek heeft gelegen en daar een plotseling opdagende en onvoorzienbare hindernis is geweest voor de bestuurder van de vrachtwagen", beslist dat ook niet bewezen wordt dat deze bestuurder vrijuit gaat omwille van het toevallig feit, bedoeld in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975 (schending van de in het middel aangeduide wetsbepalingen) :
Overwegende dat, voor de verplichting van verweerder om de benadeelde te vergoeden, te dezen van belang is de bepaling in artikel 50, alinéa 1, 2°, van de wet van 9 juli 1975, dat het moet gaan om "een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat";
Overwegende dat daartoe niet voldoende is dat de bestuurder vrijuit gaat; dat bovendien vereist is dat hij vrijuit gaat "om reden van een toevallig feit", zoals de wet het uitdrukt;
Overwegende dat weliswaar voor de toepassing van voormelde wetsbepaling niet vereist is dat, als het gaat om een toevallig feit, de oorsprong hiervan bekend is; dat echter noodzakelijk blijft de vaststelling dat het feit, ongeacht de oorsprong ervan, voor de bestuurder in kwestie overmacht heeft uitgemaakt;
Overwegende dat het arrest beslist dat de bestuurder van de vrachtwagen waardoor de steen weggeslingerd werd, vrijuit gaat omdat, wegens de onbekendheid van de oorsprong van de steen, de omstandigheden waarin hij weggeslingerd werd, niet vaststaan en derhalve geen onvoorzichtigheid van de bestuurder bewezen is;
Dat die beslissing inhoudt dat niet uitgesloten is dat het wegslingeren van de steen het gevolg is van een onvoorzichtigheid van de bestuurder, maar dat een onvoorzichtigheid niet vaststaat;
Dat het arrest derhalve de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen niet schendt door de vordering van de eisers af te wijzen omdat niet bewezen is dat de bestuurder vrijuit gaat "om reden van een toevallig feit";
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt de eisers in de kosten.