Geen titel
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
art. 44. art. 44. Nummer R 44/01-01 01. - Omzetting van vruchtgebruik in lijfrente. 01. - De omzetting van het wettelijk vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot in een lijfrente, binnen
Originele tekst :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
art. 44
Document
Search in text:
Properties
Nummer R 44/01-01 01. - Omzetting van vruchtgebruik in lijfrente. 01. - De omzetting van het wettelijk vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot in een lijfrente, binnen de termijnen en onder de voorwaarden voorzien in artikel 767 van het Burgerlijk Wetboek, is niets anders dan de uitoefening van een wettelijke optie waarover de erfgenamen beschikken in verband met de wijze waarop de erfrechten van die echtgenoot zullen worden uitgeoefend. De akte die dergelijke omzetting laat blijken, zou niet kunnen gelden als titel van een overeenkomst tussen de overlevende echtgenoot en de erfgenamen. Deze akte is dan ook niet aan het evenredig registratierecht onderworpen. Betreft het daarentegen de omzetting van een vruchtgebruik dat door de overledene aan zijn echtgenoot geschonken of gelegateerd werd, dan gaat het om een vrijewilsuiting van partijen en geldt de akte die de omzetting laatblijken, als titel van een OVEREENKOMST van afstand van vruchtgebruik tegen een rente. Deze akte is onderworpen aan het in artikel 44 bepaalde recht, zo het afgestaan vruchtgebruik op de geheelheid van de onroerende erfgoederen slaat. (Besl. 21 juni 1957, nr. E.E./74.082) ----------
Nummer R 44/02-01 02. - Overlating aan de gemeenschap door de vrouw of haar erfgenamen. 01. - Wanneer echtgenoten gehuwd zijn onder een oud stelsel van gemeenschap en er uit een akte blijkt dat de man onverdeelde aandelen heeft verkregen in een onroerend goed, hetwelk voor het overige toebehoort aan de vrouw, zonder nadere aanduiding voor wiens rekening de man optrad, terwijl anderdeels de vrouw bij de verrichting is tussengekomen, zoals blijkt uit haar handtekening onderaan op de akte, moet er aangenomen worden dat de man in naam van zijn vrouw gehandeld heeft en dat het onroerend goed bij toepassing van het oud artikel 1408, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, eigendom van de vrouw is geworden. De latere akte waardoor aandelen in bedoeld onroerend goed aan de man zouden worden toebedeeld, onder de vorm van een voorgewende overlating door de erfgenamen van de vrouw aan de gemeenschap, zoals voorzien in het oud artikel 1408, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zou aanleiding geven tot de heffing van het recht dat gevestigd is op de overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen, op de helft van de aan de gemeenschap overgelaten aandelen waarvan de tegenprestatie zou bestaan in de helft van de vergoeding waartoe de vrouw gehouden was. (Ondersteld wordt dat de verdeling van de gemeenschap per helft gebeurt.) Geschiedde de verkrijging door de man ALLEEN en in zijn persoonlijke naam (Burgerlijk Wetboek, oud artikel 1408, tweede lid), dan beschouwt de administratie de verkregen aandelen als eigendom van de vrouw, behoudens het vermogen, voor de vrouw, om die aandelen aan de gemeenschap over te laten (conf. DE PAGE, TRAITE ELEMENTAIRE DE DROIT CIVIL BELGE, d.X, nr. 289). In die opvatting maakt de overlating een mutatie uit, die onderworpen is aan het recht dat gevestigd is op de overdrachten onder bezwarende titel van onroerende goederen, op de helft van de aan de gemeenschap overgelaten aandelen waarvan de tegenprestatie bestaat in de helft van de vergoeding waartoe de vrouw gehouden was. (Besl. 14 juli 1958, nr. E.E./74.166) ----------
Nummer R 44/03-01 03. - Schijnbare overdracht. 01. - De erfelijke devolutie van de in België gelegen onroerende goederen geschiedt steeds volgens de Belgische wet, welke ook de nationaliteit of de woonplaats van de overledene moge zijn. Het staat hem die in België gelegen onroerende goederen uit de nalatenschap van een buitenlander geërfd heeft, nochtans vrij zich met de overige erfgenamen te verstaan om de devolutie van die goederen volgens de wetgeving van een ander land (b.v. de nationale wet van de overledene) te regelen. Dergelijke regeling die van de wettelijke devolutie afwijkt moet nochtans steeds ontleed worden als een conventionele afstand of overdracht van erfelijke rechten. Bijgevolg blijft deze regeling zonder invloed op de heffing van het successierecht maar geeft ze, op gebied van het registratierecht, aanleiding , naargelang de omstandigheden, tot de heffing van het recht van verdeling, van verkoop of van schenking, in de mate waarin de gekozen erfregeling niet strookt met deze van de Belgische wet. Voorbeeld: Overlijden van een Nederlander gehuisvest in Nederland. Hij laat na zijn weduwe alsmede vijf broers en zusters. Van de nalatenschap hangt onder meer af: de helft van een in België gelegen onroerend goed (de andere helft behoort aan de weduwe). Devolutie volgens de Belgische wetgeving: De broers en zusters elk 1/5 behoudens de helft van het vruchtgebruik aan de weduwe. Volgens het Nederlands erfrecht echter vervalt de nalatenschap voor de geheelheid aan de weduwe. Bij een notariële akte, verleden in aanwezigheid van alle belanghebbenden, verklaren de broers en zusters de devolutie van het in België gelegen onroerend goed volgens de Nederlandse wetgeving te willen regelen en bijgevolg bekomt de weduwe de geheelheid van dit goed. Op deze akte dient het recht van verdeling geheven, tenzij uit de omstandigheden zou blijken dat er begiftiging bestaat door de zijverwanten aan de weduwe, in welk geval het schenkingsrecht op de overgedragen aandelen zou dienen geheven. (Besl. 24 september 1958, nr. E.E./74.995) ---------- JANUARI 1980 - 126
Nummer R 44/03-02 03. - Schijnbare overgang. 02. - De akte die de beschrijving van het verkochte goed verbetert wordt slechts onderworpen aan het algemeen vast recht als de vergissing wordt bewezen en als deze afte leiden is uit de context van de akte die de verkoop vaststelt of zelfs uit extrinsieke doch determinerende elementen. Bij gebrek aan bewijs van deze vergissing (de bewijslast ligt bij diegene die zich erop beroept), wordt de akte, ingevolge de theorie van de schijnbare overgang, beschouwd als een ruil en aldus belast. (Arrest van het hof van beroep te Luik, dd. 29 november 1990, Rec. gén., nr. 23.978 - bl. nr. E.E./87.844) ----------
Nummer R 44/03-03 03. - Schijnbare overgang. 03. - Dat de verkoper hetzelfde goed aan een andere persoon dan de oorspronkelijke koper verkoopt, kan alleen verklaard worden door, een mogelijk stilzwijgende, wederoverdracht van het goed aan de oorspronkelijke verkoper. Dit betekent dat er een eigendom overdragende overeenkomst bestaat die aan het registratierecht onderworpen is. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen, 22 januari 1992, Rec. gén., nr. 24.124 -bl. nr. E.E./88.578) ----------
Nummer R 44/03-04 03. - Schijnbare overdracht. 04. - Bij onderhandse akte, ondertekend door alle partijen, vervreemdt K aan eisers percelen grond : de ontvanger registreert deze akte tegen het verkooprecht. De partijen beginnen te onderhandelen over de goederen en over de prijs. Bij authentieke akte verkoopt K dezelfde goederen aan dezelfde prijs, het vruchtgebruik aan een landbouwvennootschap, de blote eigendom aan eisers; de ontvanger onderwerpt de wederverkoop van het vruchtgebruik aan het verkooprecht. Eisers beschouwen de onderhandse akte als een eenzijdige verkoopbelofte en niet als een verkoopcompromis, omdat ze enkel verbintenissen zou opleggen aan de eigenaar. De rechter merkt op dat, in plaats van te voorzien in een optie termijn toegestaan aan eisers met het oog op het eventuele sluiten van de verkoop, de akte voorziet dat "de akten moeten verleden worden binnen de vier maand", hetgeen verbintenissen van de eisers betekent met betrekking tot de verkoop. Er is dus een volmaakte verkoop door de handtekening van alle partijen en overdracht van eigendom in toepassing van artikel 1583 Burg. Wb. In hun aanvraag tot teruggave hebben partijen trouwens hun akte betiteld als compromis. Subsidiair menen eisers dat de onderhandse akte een verkoop vaststelt van het vruchtgebruik aan de landbouwvennootschap en van de blote eigendom aan eisers; volgens de rechtbank handelt de onderhandse akte niet over het vruchtgebruik en is de landbouwvennootschap vreemd aan de overeenkomst; het is overigens de authentieke akte die een overdracht van vruchtgebruik vaststelt tussen de oorspronkelijke verkoper en een vennootschap vreemd aan de oorspronkelijke overeenkomst. De fiscus is een derde voor wat betreft de heffing van registratierechten zodat tegenbrieven hem niet tegenstelbaar zijn. Krachtens de theorie van de schijnbare overdracht, is de wederverkoop van het vruchtgebruik onderhavig aan het verkooprecht. (Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, dd. 25 april 2006, dr. nr.E.E./98.871). ----------
Nummer R 44/04-01 04. - Af te breken gebouwen. 01. - De roerende of onroerende aard van een zaak wordt bepaald volgens haar actuele staat en niet volgens de wijzigingen die ze later zou ondergaan (verbr., 21 maart 1872, REC. GEN., nr. 7613). Maakt derhalve een onroerende verkoop uit voor het geheel, de verkoop van een grond samen met de daarop staande gebouwen, wanneer de akte voorziet dat de gebouwen bestemd zijn om afgebroken te worden bij het verstrijken van een huur die pas over meer dan twee jaar zal eindigen. (Besl. 22 april 1959, nr. E.E./75.230) ----------
Nummer R 44/04-02 04. - Af te breken gebouwen. 02. - Bij verkoop door dezelfde akte aan dezelfde persoon van een grond en van op deze grond opgerichte gebouwen, kunnen die gebouwen niet beschouwd worden als roerende goederen bij vervroeging, zelfs zo de overeenkomst de koper tot slopen verplicht; normaal is dergelijk beding trouwens niet bindend voor de koper (rechtb. Jonzac, 23 januari 1900, JOURNAL FRANCAIS DE L'ENREGISTREMENT, nr. 25.917; rechtb. Limoges, 18 maart 1874, REC. GEN., nr. 8204; rechtb. Bayonne, 31 januari 1911, IBID, nr. 15.006; rechtb. Hoei, 30 juli 1913, IBID., nr. 15.321; beroep Luik, 21 maart 1914, IBID., nr. 15.468; rechtb. Charlerloi, 28 januari 1952, IBID., nr. 19.310; rechtb. Namen, 8 juni 1953, IBID., nr. 19.311; PANDECTES BELGES, v° Tributs et impôts – droit d'enregistrement -, nrs. 1168 en 1179). Op grond niet alleen van de beginselen van het gemeen recht, maar ook van de bepalingen van artikel 74 en 75 van het Wetboek der registratierechten, is de verkoop in zijn geheel onderworpen aan het recht dat de verkopen van onroerende goederen belast. (Besl. 29 maart 1963, nr. E.E./77.937) ----------
Nummer R 44/04-03 04. - Af te breken gebouwen. 03. - Bij verkoop, aan dezelfde persoon van een grond en van de op deze grond staande gebouwen, kunnen die gebouwen niet worden beschouwd als roerend bij vervroeging, zelfs wanneer de partijen op het ogenblik van de verkoop enkel de overdracht beogen van de grond en van de materialen die van de afbraak der gebouwen zullen voortkomen. Er moet in dat opzicht geenonderscheid worden gemaakt naargelang de verkoop werd gesloten bij één enkele overeenkomst of bij twee onderscheiden overeenkomsten (de ene voor de grond, de andere voor de gebouwen). (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, dd. 24 november 1967, Rec. gén., nr. 21.134. - bl. nr. E.E./78.010) ----------
Nummer R 44/05-01 05. - Constructie op het openbaar domein. 01. - De constructies in steen welke op een tot het openbaar domein behorende grond worden opgetrokken door degene die vergunning bekomen heeft om die grond te gebruiken, met toelating tot bouwen, zijn onroerende goederen uit hun aard, ook al werd er voorzien dat bedoelde constructies zullen moeten afgebroken worden na het verstrijken van de vergunning; dit geldt ook voor de verbinding met het spoor die onder dezelfde voorwaarden werd aangelegd. Die omstandigheden blijven inderdaad zonder invloed op de aard der goederen welke uitsluitend bepaald wordt door een louter materieel feit: het vastzitten aan de grond (verbr. 21 maart 1872, PAS., 1872, I, 183, rechtb. Gent, 20 mei 1914, PAS., 1914, III, 274; rechtb. Marche, 25 oktober 1935, bevestigd door beroep Luik, 12 januari 1937, REVUE DER REG. ENDOM., nr. 58; DE PAGE, TRAITE ELEMENTAIRE DE DROIT CIVIL BELGE, d. IV, nr; 688, d. V, nrs. 627, 629, 637 tot 643; LEVIE, TRAITE THEORIQUE ET PRATIQUE DES CONSTRUCTIONS ERIGEES SUR LE DOMAINE D'AUTRUI, blz. 163 TOT 172). Bijgevolg is de door de vergunninghouder van de grond toegestane verkoop van die constructies en van bedoelde verbinding onderworpen aan het op de onroerende overgangen gevestigd recht. (Besl. 31 augustus 1959, nr. E.E./75.551) ----------
Nummer R 44/05-02 05. - Constructie op het openbaar domein. 02. - Door het toestaan van een vergunning met toelating tot bouwen ziet de eigenaar van de grond stilzwijgend af van zijn recht op natrekking. Tijdens de duur van de vergunning zijn de constructies welke werden opgetrokken door de vergunninghouder de eigendom van deze laatste. De overdracht van de vergunning door de vergunninghouder gaat gepaard met de overdracht van de door de vergunninghouder opgerichte gebouwen. Op deze overdracht van de gebouwen is bijgevolg het onroerend mutatierecht verschuldigd. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, dd. 20 december 1993, Rec. gén., nr. 24.443 - bl. nr. E.E./93.568) ----------
Nummer R 44/06-01 06. – Verkoop van bomen zonder de grond. 01. - Roerendmaking bij vervroeging, die in beginsel kan voortspruiten uit de verkoop van bomen zonder de grond, kan slechts weerhouden worden wanneer zulks het gemeenschappelijk inzicht van partijen is geweest en wanneer daarenboven de verwijdering van de bomen tamelijk kort na de verkoop moet plaatsgrijpen, zodat de verkrijger niet kan geacht worden een zakelijk recht op de grond verkregen te hebben (zie FREJAVILLE, DES MEUBLES PAR ANTICIPATION, Parijs, 1927, blz. 61 tot 82). Ook moet een verkoop van bomen als onroerend beschouwd worden, wanneer de koper die bomen laat staan omdat zij nog niet volgroeid zijn en eerst meerdere jaren na de verkoop zullen moeten omgehakt worden. (Besl. 4 mei 1960, nr. E.E./75.789) ----------
Nummer R 44/06-02 06. – Verkoop van bomen zonder grond. 02. - Wanneer de bomen meer dan vier jaar na hun aankoop nog altijd niet omgehakt zijn, moet betwijfeld worden of het de bedoeling van partijen was roerende goederen bij vervroeging te bekomen terwijl volgens de gebruiken de bomen, die op stam werden gekocht om omgehakt te worden, ten laatste binnen de twee jaar volgend op hun aankoop geëxploiteerd worden. Bovendien wordt deze twijfel versterkt door het feit dat de bomen en de grond kort na elkaar overgedragen werden en respectievelijk door een vennootschap en een belangrijke aandeelhouder werden verworven. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau, dd. 8 juli 1992, Rec. gén., nr. 24.141. - bl. nr. E.E./92.874) Een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 26 mei 1994 heeft het vonnis van de rechtbank van Neufchâteau gewijzigd en heeft om de volgende redenen geoordeeld dat de termijn die nodig was voor de roerendmaking niet overdreven was en zeker niet volstond om te bewijzen dat er veinzing was betreffende de verkoop van bomen die uit hun aard onroerend zijn:
(Arrest van het hof van beroep te Luik van 26 mei 1994, Rec. gén., nr. 24.398. - bl. nr. E.E./92.874) ----------
Nummer R 44/06-03 06. - Verkoop van bomen zonder de grond. 03. - In een zelfde akte werden enerzijds de bossen op stam, roerend verklaard bij vervroeging, en anderzijds, de grond waarop ze groeien, aan verschillende kopers toegewezen met de contractuele verplichting de bomen binnen een welbepaalde termijn om te hakken en de bepaling van een schadevergoeding voor het genotverlies voor de kopers van de grond. De bomen werden slechts vijf jaar na de overeengekomen termijn omgehakt. Door een geheel van gewichtige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens heeft de Administratie het bewijs geleverd van de door de koper van de bomen opzettelijk tot stand gebrachte veinzing :
(Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne van 13 maart 1997, Rec. gén., nr. 24.752, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Luik, dd. 3 mei 1999 - bl. nr. E.E./92.874-3) ----------
Nummer R 44/06-04 06. - Verkoop van bomen zonder grond. 04. - De verkoop van bomen, roerend verklaard bij vervroeging, bij onderhandse akte in 1989 is begin 1991 gevolgd door de verkoop van de grond, onder het voorbehoud dat de erop groeiende bossen niet in de verkoop begrepen zijn en dat ze ten laatste op 30 december 1991 zullen verwijderd zijn. Meer dan zes jaar na hun aankoop waren de bomen nog niet omgehakt. Uit gewichtige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens volgt dat de twee opeenvolgende verkopen (bomen in 1989 en grond in 1991) in werkelijkheid slechts één verkoop vormen waarop het registratierecht van toepassing is, met uitsluiting van de BTW :
De nutteloze clausule en de voornoemde tegenstrijdigheden onthullen de bedoeling om twee verkopen te veinzen, terwijl er in werkelijkheid slechts één verkoop heeft plaatsgegrepen. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne van 11 februari 1999, Rec. gén., nr. 24.912 - bl. nr. E.E./92.874-4) ----------
Nummer R 44/06-05 06. – Gelijktijdige aankoop van hout en grond. 05. – Echtgenoten, gehuwd met een gemeenschapsstelsel, kopen een grond beplant met bos, zij kopen enkel de grond. Dezelfde dag koopt de man, die bosuitbater is, enkel het hout, onder het stelsel van de BTW. De BTW wordt betaald. Het Hof oordeelt dat de artikels 74 en 75 W. Reg. ter zake niet toepasselijk zijn. Het gaat hier niet om een koper van hout op stam onder beding van het te vellen, die later onder de levenden de eigendom van de grond verwerft alvorens het hout volledig geveld is. Dat is de hypothese die beoogd wordt in art. 74 W. Reg. Het gaat hier ook niet om een overeenkomst onder de levenden te bezwarende titel die betrekking heeft op hout op stam, afgesloten met de grondeigenaar. Dat is de hypothese die beoogd wordt in art; 75 W. Reg. Het Hof oordeelt dat de splitsing in twee onderscheiden akten beantwoordt aan rechtmatige financiële en economische behoeften in de betekenis van artikel 18 § 2 W. Reg. omdat de koop van het hout bestemd was om opgenomen te worden in de economische activiteit van de man alleen, wat niet het geval was voor de andere aankoop te privaten titel door Mijnheer en Mevrouw. De aankoop van het bos is opgenomen in de boekhouding van Mijnheer, is onderworpen aan de BTW en het aangekochte bos is in korte termijn uitgebaat. De splitsing is in deze context niet kunstmatig en heeft niet als enig doel rechte te ontwijken. De aankoop van hout op stam als roerend goed onderworpen aan de BTW en niet aan het registratierecht houdt echter in dat men de fictie van de vervroegde roerendmaking kan toepassen. Deze veronderstelt dat de grond en het hout zouden ondergebracht worden in onderscheiden patrimonia wat een materiële scheiding van deze patrimonia vereist. Ter zake werden de grond en het hout door Mijnheer en Mevrouw in gemeenschap aangekocht gelet op hun huwelijksstelsel. Er was geen verplichting het bos uit te baten en het is van geen belang dat het daadwerkelijk uitgebaat werd. De Administratie legt een administratieve beslissing voor die terecht opwerpt dat “gelet op het feit dat de koper de bedoeling had het geheel te kopen, zelfs al was dit met het oog op het scheiden van de grond en de bomen, binnen een korte tijdspanne in het kader van zijn beroep, hij niet, enkel door zijn wil tot verwijderen, de onroerende aard van de goederen kon wijzigen”. Bij gebrek aan vervroegde roerendmaking is de verkoop van hout op stam ene onroerende verkoop onderworpen aan het registratierecht. (Arrest van het Hof van beroep te Luik, dd. 27 juni 2008 – bl. nr. E.E./99.034) NOOT: Zie A. Mayeur, Letrre d’info, Droits d’enregistrement, 2008, nr. 4, 15-20. ---------- JANUARI 2011 – ERRATUM – 131/6 en 131/7
Nummer R 44/07-01 07. - Onroerende goederen. 01. - Daar de fiscale wetten op het stuk van het onderscheid van de goederen geen enkel nieuw criterium ingevoerd hebben, moet men zich dienaangaande houden aan de normen van het burgerlijk recht. Vandaar dat de onroerende goederen waarvan sprake in artikel 44, van het Wetboek der registratierechten alle goederen omvatten die als zodanig beschouwd worden in boek II, titel I, hoofdstuk I van het Burgerlijk Wetboek. De door partijen aan de goederen gegeven benaming geeft niet de doorslag. Alleen de juridische realiteit komt in aanmerking voor de bepaling van de aanslagvoet. Ook moet er, voor de toepassing van het tarief der registratierechten, enkel en alleen rekening gehouden worden met de aard van het goed, zoals die juridisch bepaald wordt volgens de burgerlijke wet op het ogenblik van de overgang; achteraf door de koper vrijwillig gestelde handelingen blijven daarop zonder de minste weerslag. Vandaar dat er, bij verkoop van onroerende goederen, zonder verplichting tot afbraak voor de koper, en dus ook zonder wijziging van de onroerende aard van die goederen, dan ook niet moet worden nagegaan of de verkrijger de onroerende goederen na de verkoop heeft afgebroken. De kabels en isolatoren van een bedelingsnet van elektrische stroom zijn onroerende goederen uit hun aard, vermits ze deel uitmaken van één geheel dat het karakter van een constructie vertoont, zoals bedoeld in artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek. Het materieel van een transformatiecabine van elektrische stroom is onroerend door zijn bestemming, zo het aan de eigenaar van de cabine toebehoort. Hetzelfde geldt voor het materieel dat door de eigenaar tot exploitatie van een elektrisch net aangewend werd. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dd. 30 juni 1960, Rec. gén., nr. 20.279 - bl. nr. E.E./74.724) ---------- JANUARI 1980 - 133
Nummer R 44/07-02 07. - Onroerende goederen. 02. - De overdracht van aandelen van een naamloze vennootschap waarvan het voornaamste actief in een onroerend goed bestaat en waarvan de activiteit door de verkrijger wordt voortgezet zonder dat alle aandelen in één hand worden verenigd, is in principe, niet onderworpen aan het recht van 12,50 pct. (Antwoord op een vraag gesteld door de H. Volksvertegenwoordiger Schiltz op 30 maart 1984, Bulletin der vragen en antwoorden, Kamer, nr. 26, van 1 mei 1984. -dr. nr. Parl. 44) N.B. In de vraag zelf werd vermeld dat enige hypothese van veinzing zich niet voordeed. Bijgevolg moet bedoelde overdracht beschouwd worden als een overdracht van roerende goederen. Het is vanzelfsprekend dat, wanneer de Administratie het bewijs van veinzing toch kan leveren, de heffing geschiedt volgens de beginselen die op de reële situatie van toepassing zijn. ----------
Nummer R 44/08-01 08. – Verkoop of schenking. 01. - Aan de benaming verkoop, die de partijen aan hun overeenkomst gegeven hebben, moet geen aandacht geschonken worden:
In dit verband moet als een schenking worden beschouwd, de afstand toegestaan door een bejaarde vrijgezel op het ogenblik waarop hij zich uit zijn zaken terugtrekt, aan zijn vermoedelijke erfgenamen, van verschillende onroerende goederen, mits een lijfrente die volgens de overeenkomst werd vastgesteld op het bedrag van de huurprijs van deze goederen, onder aftrek van 20 pct. voor kosten. (Besl. 7 oktober 1960, nr. E.E./76.165) ----------
Nummer R 44/08-02 08. – Verkoop of schenking. 02. - De omstandigheid dat de partijen, in een akte houdende verkoop voor een prijs die geenszins bespottelijk laag is, voor de heffing een waardering hebben gegeven die merkelijk hoger is dan de bedongen prijs, laat op zich zelf niet toe te beweren dat de akte titel vormt van een schenking in de mate waarin de waarde van het verkochte goed de prijs overtreft. (Besl. 12 maart 1973, nr. E.E./83.045) ----------
Nummer R 44/08-03 08. – Verkoop of erfpacht. 03. - Moet beschouwd worden als een verkoop, met uitgestelde eigendomsoverdracht, de met erfpacht betitelde overeenkomst, die gesloten wordt mits betaling van een kapitaal, dat overeenstemt met de verkoopwaarde van het goed dat er het voorwerp van is, en, eventueel, van een symbolische jaarlijkse vergoeding, en die ten voordele van de zogenaamde erfpachter een aankoopoptie inhoudt voor een bespottelijk lage prijs. (Besl. 21 oktober 1974, nr. E.E./83.865) ----------
Nummer R 44/08-04 08. – Verkoop of schenking. 04. - De akte, welke als verkoop betiteld werd, moet als een schenking belast worden wanneer de afstand werd toegestaan mits een bespottelijke prijs en de eerder symbolische tegenprestaties van de "kopers" duidelijk toe te schrijven zijn aan de animus donandi van de "verkoopster". Ter zake heeft de "verkoopster" een onroerend goed afgestaan met een waarde van 3 000 000 F en met als tegenprestaties het voorbehoud van een gedeeltelijk recht van bewoning, alsmede het verzorgen van de maaltijden en het instaan voor verwarming, was en verlichting. Deze tegenprestaties kunnen geraamd worden op een jaarlijkse last van 276 000 F. Rekening houdende met een vermoedelijke levensduur voor de "verkoopster" van vijf jaar mag gesteld worden dat de wanverhouding aanzienlijk is. Benevens de derisoire tegenprestaties tonen de leeftijd, de ziektetoestand en de testamentaire beschikkingen van de "verkoopster", evenals de verwantschap tussen de "verkoopster" en de "koper" het animus donandi van de "verkoopster" afdoende aan. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dd. 5 november 1987, bevestigd bij een arrest van het hof van beroep te Gent, dd. 26 januari 1990, Rec. gén., nr. 23.824. - bl. nr. E.E./88.577) ----------
Nummer R 44/08-05 08. – Verkoop of schenking. 05. - De benaming die door partijengegeven wordt aan een overeenkomst weegt niet op tegen de wettelijke bepalingen welke deze overeenkomst beheersen volgens haar bestanddelen. Wanneer er een aanzienlijke wanverhouding bestaat tussen de door partijen overeengekomen prijs en de door de ontvanger geschatte waarde, en het verschil tussenbeide bedragen zodanig groot is dat er van een prijs geen sprake kan zijn, dient de overeenkomst als een schenking te worden beschouwd. Terzake werd de verkoopwaarde van het afgestane goed door de ontvanger bepaald op 5 800 000 F (bedrag waarmee de "kopers" zich schriftelijk akkoord verklaarden) en bestond de enige tegenprestatie uit de betaling van de in de verkoopsovereenkomst vermelde prijs van 1 000 000 F. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dd. 25 mei 1992, Rec. gén., nr.24.387. - bl. nr. E.E./90.044) ---------- JANUARI 1995 - 136/3
Nummer R 44/08-06 08. - Verkoop of schenking. 06. - Wanneer in een akte betiteld als "Verkoop" de prijs bespottelijk laag is, dat wil zeggen zonder enig verband met de waarde van het goed, spreekt de akte in zekere zin voor zichzelf en is de prijs slechts een schijnbare prijs zodanig dat het vermoeden van vrijgevigheid, enkel gebaseerd op het bedrag van de prijs, praktisch beslissend is. Ook heeft de fiscus gegronde redenen om, alleen op het zicht van de akte, het schenkingsrecht te heffen; het behoort immers aan de partijen om te bewijzen dat, in tegenstelling met de klaarblijkelijkheid, de bespottelijk lage prijs niet significant is voor de vrijgevigheid. In dit opzicht volstaat de eenvoudige bewering dat de verkoopster in een echtscheidingsprocedure verwikkeld is en dat de koopster de maîtresse van haar echtgenoot is, niet om het vermoeden van vrijgevigheid te ontzenuwen. (Besl. dd. 21 november 1994, nr. E.E./94.463) ---------- APRIL 1995 - 136/4
Nummer R 44/08-07 08. – Verkoop of schenking. 07. – Onderhandse overeenkomst van verkoop van een onroerend goed afgesloten tussen een tante en haar nicht. De prijs wordt bepaald op 6.500.000 BEF. De tante behoudt zich het levenslang recht van gebruik en woonst voor. Zij is op dat ogenblik 85 jaar. Er dient geen voorschot betaald te worden en de prijs zal door koopster uiterlijk drie maand na het overlijden van verkoopster betaald dienen te worden. De onderhandse overeenkomst wordt ter registratie aangeboden doch niet notarieel verleden. De ontvanger van de registratie betekent de controleschatting en de deskundige stelt de waarde van het goed vast op 10.250.000 BEF. Gelet ondermeer op het grote verschil tussen de prijs en de verkoopwaarde van het goed herkwalificeert de ontvanger van de registratie de onderhandse verkoopovereenkomst als een schenking. Bijrechten worden ingevorderd. De partijen gaan vervolgens over tot neerlegging van de overeenkomst onder de minuten van een notaris. De ontvanger betekent een dwangbevel. Het schattingsverslag wordt door contracterende partijen betwist. De rechtbank stelt een nieuwe schatter aan. Deze schat het goed op de datum van de overeenkomst op 10.250.000 BEF. Uit zijn schattingsverslag blijkt dat hij met alle waardebepalende factoren rekening heeft gehouden. Animus donandi wordt niet vermoed. De Administratie haalt naast de prijszetting nog een aantal argumenten aan om het bestaan van animus donandi te staven: nauwe familieband, het uitstel voor de betaling van de volledige prijs tot na het overlijden van de verkoopster, gelet op de leeftijd van de verkoopster is het bedongen gebruik en bewoning te verwaarlozen. Koopster beroept zich op de slechte staat van de woning doch kan niet om de waardering van de schatter heen die het goed schatte op datum en in de staat dat het zich bevond op de dag van de overeenkomst. Koopster heeft de tweede schatting niet betwist. Het verweer loopt echter hoe dan ook naast de kwestie, ongeacht de prijszetting. Te dezen kan worden besloten dat de tante haar nicht heeft willen bevoordelen en dat ook effectief heeft gedaan. Het beding dat de “koopster” de prijs “potestatief” eerst “uiterlijk” drie maand na overlijden van tante moet betalen, houdt bij dit alles in dat eiseres gewoon niets moet betalen voordat ze effectief erfgenaam wordt door het overlijden van tante, op welk ogenblik de verbintenis tot “betaling” vervalt door vermenging van hoedanigheid van schuldenaar en erfgenaam. De Administratie heeft de uiteengezette verrichting dan ook terecht bestempeld als een schenking met onmiddellijke ingang, dit alles ongeacht hoeveel de in de overeenkomst vermelde prijs ook bedraagt. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 25 maart 2009 – bl. nr. E.E./97.720) Koopster stelde beroep in tegen voormeld vonnis. Het hof beslist dat het verschil tussen de prijs en de verkoopwaarde niet gelijkgesteld kan worden met het ontbreken van een prijs. Er is evenmin sprake van een bespottelijk lage prijs. Bovendien kreeg de verkoopster een levenslang recht van gebruik en bewoning waardoor het recht van de koopster werd beperkt. Het betalen van de verkoopprijs die maand na het overlijden is een modaliteit in verband met de betaling van de prijs. Een zestal maanden voor de verkoop had verkoopster een testament opgemaakt ten voordele van een derde. Dit werd nooit herroepen. Hieruit blijkt duidelijk dat de verkoopster haar familie niet wilde begustigen. Er kon bij de verkoop niet van uitgegaan worden dat koopster door vermenging de prijs nooit zou moeten betalen. Het hof oordeelt dat herkwalificatie van de overeenkomst niet kan. Dit arrest hervomt voormeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. (Arrest van het Hof van beroep in Antwerpen dd. 30 oktober 2012 – bl. nr. E.E./97.720) ---------- JANUARI 2010 - 136/5 JULI 2013 - 136/6 Zie ook: Historische versie R 44/08-07
Nummer R 44/09-01 09. - Afstand van vruchtgebruik mits een tegenprestatie. 01. - Bij de verdeling tussen een moeder - eigenares PRO PARTE en vruchtgebruikster van het overige - en haar kinderen (blote eigenaars van de geheelheid van bepaalde goederen en PRO PARTE van de overige goederen), wordt aan de moeder een kavel toebedeeld, die het vruchtgebruik van alle goederen begrijpt, met uitzondering van de gebouwen van twee hoeven, waarvoor zij verklaart afstand te doen van alle rechten in vruchtgebruik. Dit beding kan niet beschouwd worden als een zuivere en eenvoudige afstand, door de moeder, van het vruchtgebruik dat zij bezat op de hoevegebouwen, vermits zij partij gebleven is bij de verdeling en er voordelen heeft bekomen, niet alleen naar verhouding van haar rechten in de boedel, maar ook tot vergelding van de afstand van haar vruchtgebruik. Hierbij dient niet te worden nagegaan of die voordelen al dan niet overeenstemmen met de waarde van het vruchtgebruik; het volstaat dat het bestaan zelf van een tegenprestatie van de afstand wordt vastgesteld. De thesis als zou de moeder zuiver en eenvoudig afstand hebben gedaan van het vruchtgebruik op bepaalde goederen, terwijl de andere deelhebbers haar nadien, bij de verdeling, waarden zouden toegekend hebben die meer bedroegen dan hetgeen waarop zij strikt genomen recht had, is een denkbeeld dat noch met de tekst van de akte, noch met de werkelijkheid strookt. Inderdaad, het beding van afstand van het vruchtgebruik komt ter zake voor in een kontekst die begint als volgt : "de verschijners hebben de ondergetekende notaris verzocht de authenticiteit te verlenen aan de hierna volgende verdeling, die zij in der minne en na gemeen overleg hebben gedaan". Bij de verdeling bestond de bedoeling de rechten van de moeder integraal te eerbiedigen; voor haar was er derhalve geen spraak van een afstand die haar rechten kon verminderen. De afstand van het vruchtgebruik is dus het resultaat geweest van een akkoord tussen de partijen bij de akte; hij is daarenboven vergoed geworden. Bijgevolg is hij noch een abdicatieve afstand, noch een onrechtstreekse schenking, doch hij beantwoordt aan het brede begrip "overdragende overeenkomst onder bezwarende titel van vruchtgebruik" waarop het in artikel 44 bepaalde recht moet geheven worden, zo het vruchtgebruik een onroerend goed als voorwerp heeft. (Arrest van het hof van beroep te Luik, 8ste kamer, dd. 21 december 1961, Rec. gén., nr. 20.484. - bl. nr. E.E./71.947) ---------- JANUARI 1980 - 138
Nummer R 44/10-01 10. - Verkoop- en koopbelofte met beding van rouwgeld. 01. - Wordt in een verkoop- en koopbelofte voorzien, voor het geval de verkoop niet zou tot stand komen vóór het verstrijken van een bepaalde termijn "om eender welke reden te wijten aan een der partijen", dat die partij aan de andere een bepaalde som zal moeten betalen "als forfaitaire en niet voor vermindering vatbare schadevergoeding, ter uitsluiting van alle andere verschuldigde sommen en alsof de verkoop tussen partijen nooit bestaan had", dan is die verkoop- en koopbelofte gedaan met beding van rouwgeld voor iedere partij. Soortgelijke overeenkomst moet niet als een verkoop beschouwd worden maar als een contract waaruit een alternatieve verbintenis voortspruit, daar iedere partij zich verbindt de verkoop te sluiten of aan de andere partij een vergoeding te storten. (Besl. 13 februari 1964, nr. E.E./78.460) ----------
Nummer R 44/10-02 10. - Wederkerige verkoopbelofte. 02. - De wederkerige verkoopbelofte, waarbij partijen hun instemming betuigen omtrent de zaak en omtrent de prijs, geldt als verkoop (Burgerlijk Wetboek, art. 1589). Zo die verkoopbelofte een onroerend goed tot voorwerp heeft, is zij onderworpen aan het registratierecht gevestigd op de overdrachten onder bezwarende titel van dergelijke goederen. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, dd. 21 februari 1967, Rec. gén., nr. 21.070. - bl. nr. E.E./79.360) ----------
Nummer R 44/11-01 11. - Boomkwekerijen. 01. - Er wordt algemeen aanvaard dat indien de grond door een pachter bebouwd is, de tak- en wortelvaste vruchten te zijnen opzichte als roerende goederen moeten beschouwd worden (COLIN en CAPITANT, COURS ELEMENTAIRE DE DROIT CIVIL FRANCAIS, d. I, nr. 844, A. C; LAURENT, PRINCIPES DE DROIT CIVIL, d. V, nr. 419; KLUYSKENS, BEGINSELEN VAN BURGERLIJKE RECHT, d. V,nr. 10, C). Dit is meer bepaald ook het geval met de boomkwekerij die aangelegd werd door een pachter op een door hem in huur genomen grond (PANDECTES BELGES, v° Biens, nr. 57;PANDECTES FRANCAISES, v° Biens - . Distinction des -, nrs. 121 en 122;LAURENT, OP. CIT., d. V, nrs. 416, 419 en 420). De verkoop van dergelijke goederendoor de pachter geeft derhalve geen aanleiding tot de heffing van het onroerend overgangsrecht. (Besl. 24 juli 1964, nr. E.E./78.706) ----------
Nummer R 44/12-01 12. – Ruiling van onverdeelde delen tegen verdeelde goederen. 01. - De verrichting waarbij degenen, die samen de geheelheid van een onroerend goed bezitten, ieder hun onverdeelde rechten aan een derde afstaan in ruil voor een verdeeld deel van een ander onroerend goed dat aan die derde toebehoort, geeft geen aanleiding tot de heffing van het verdelingsrecht boven het voor de ruilingen bepaalde recht. Het is zonder belang dat die verrichting het voorwerp uitmaakt van één en dezelfde akte waarin alle mededeelgenoten samen verschijnen of dat daarentegen een afzonderlijke akte voor ieder van hen wordt opgemaakt. (Besl. 6 juli 1965, nr. E.E./79.249) ----------
Nummer R 44/13-01 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 01. - Het beding in een onderhandse akte van verkoop van een onroerend goed, naar luid waarvan de eigendomsoverdracht slechts zal geschieden bij het verlijden van de notariële verkoopakte, maakt het contract niet afhankelijk van een opschortende voorwaarde; het heeft geen ander gevolg dan een termijn te bepalen voor de uitvoering van een zuiver en eenvoudig contract. Zo'n contract maakt het evenredig recht van verkoop onmiddellijk opvorderbaar. Dit recht is immers verschuldigd vanaf het ogenblik waarop de overeenkomst, die de overdracht bewerkt, is gesloten en niet slechts bij de eigendomsoverdracht zelf. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 1 april 1966, Rec. gén., nr. 21.025. - bl. nr. E.E./79.284) ----------
Nummer R 44/13-02 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 02. - Zo een onroerend goed werd gekocht met beding van een termijn voor de eigendomsoverdracht, is de afstand van de rechten van de koper, zelfs indien deze afstand toegestaan wordt vóór het verstrijken van de termijn, een verkoop van een onroerend goed als bedoeld in artikel 44. (Besl. van 16 december 1970, nr. E.E./81.698) ----------
Nummer R 44/13-03 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 03. - De bepaling in een onderhandse verkoopovereenkomst dat de kopers "de volle eigendom van het verkochte goed zullen hebben vanaf het ondertekenen van de authentieke akte" is geen opschortende voorwaarde van de rechtshandeling zoals bedoeld in artikel 16, waardoor de heffing van het evenredig recht vooralsnog niet zou mogen opgelegd worden. Het verlijden van de authentieke akte is, in geval de partijen het verlijden ervan enkel als bewijsmiddel hebben bedoeld, een opschortende tijdsbepaling daar de partijen wettelijk tot het uitvoeren van hun verbintenis zijn gehouden vanaf het afsluiten van de onderhandse overeenkomst. De registratierechten zijn verschuldigd vanaf de datum van deze overeenkomst, die de eigendomsoverdracht bewerkstelligde, en niet vanaf de datum van de feitelijke overdracht zelf. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, dd. 22 maart 1989, Rec. gén., nr. 23.743, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Gent, dd. 10 januari 1994. - bl. nr. E.E./89.157) ----------
Nummer R 44/13-04 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 04. - Een overdragende overeenkomst is die welke juridisch en werkelijk tot gevolg heeft - uit kracht van de overeenkomst - een zakelijk recht van het ene hoofd op het andere over te dragen. Het registratierecht treft niet de overdracht zelf, maar de overeenkomst die de overdracht bewerkstelligt. De akte waarbij de ene partij aan de andere belooft een onroerend goed te verkopen tegen een bepaalde prijs, onder beding dat de eigendomsoverdracht slechts zal geschieden bij het verlijden van de notariële verkoopakte of bijbetaling van de prijs, hetgeen door de andere partij wordt aanvaard, geeft derhalve onmiddellijk aanleiding tot het verkooprecht. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, 2de kamer, van 19 november 1992, Rec. gén., nr. 24.214. bevestigd door een arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 1998. - bl. nr. E.E./92.559.) ---------- APRIL 1998 - 144/3
Nummer R 44/13-05 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht - Huurkoop. 05. - Het beding in een onderhandse verkoopovereenkomst van een onroerend goed, waarbij de eigendomsoverdracht opgeschort wordt tot na de volledige betaling van de verkoopprijs (te betalen door middel van een aantal maandelijkse stortingen), maakt deze verkoop niet afhankelijk van een opschortende voorwaarde; het betreft geen huurovereenkomst met "uitgestelde eigendomsoverdracht" maar wel een verkoop waarin een modaliteit voor de betaling van de prijs werd voorzien. Het verlijden van de authentieke akte welke de overeenkomst zou vaststellen, is evenmin een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 1168 B.W. maar maakt slechts een opschortende tijdsbepaling uit. De koop/verkoop is tussen partijen voltrokken zodra er een overeenkomst bestaat omtrent het voorwerp en de prijs. De registratierechten zijn dus verschuldigd vanaf de datum van het afsluiten van de onderhandse overeenkomst, die de eigendomsoverdracht bewerkstelligde, en niet vanaf de latere eventuele authentieke akte welke die overeenkomst zou vaststellen. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 17 juni 1997, Rec. gén., nr. 24.804, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, dd. 24 december 2002, - bl. nr. E.E./94.999) ----------
Nummer R 44/13-06 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 06. - De eigendomsoverdracht tussen partijen is bij overdragende overeenkomsten in de regel voltrokken op het ogenblik waarop de overeenkomst wordt gesloten. De verkoop is tussen partijen voltrokken zodra er een akkoord is over de zaak en de prijs, ook al is de zaak nog niet geleverd en werd de prijs nog niet betaald. Het in de verkoopovereenkomst opgenomen beding, volgens hetwelk de overdracht van eigendom wordt uitgesteld tot wanneer de prijs volledig betaald is, doet geen afbreuk aan het feit dat de overeenkomst onmiddellijk tot stand komt. Een dergelijke uitgestelde eigendomsoverdracht is geen opschortende voorwaarde. De akte waarbij de ene partij aan de andere belooft een onroerend goed te verkopen tegen een bepaalde prijs, onder het beding dat de eigendomsoverdracht slechts zal geschieden bij het verlijden van de notariële verkoopakte of bij de betaling van de prijs, hetgeen door de andere partij wordt aanvaard, geeft onmiddellijk aanleiding tot de heffing van het verkooprecht. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 13de kamer, van 18 maart 1997, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Gent van 11 september 2000. - bl. nr. E.E./94.374.) In die zin ook: vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 19 april 2010 – bl. nr. E.E./99.533. ---------- JANUARI 2013 - 144/5 Zie ook: Historische versie R 44/13-06
Nummer R 44/13-07 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht - Economische eigendomsoverdracht naar Nederlands recht van een in België gelegen onroerend goed. 07. - De "economische eigendomsoverdracht" naar Nederlands recht volgt uit een verkoopovereenkomst (onderhands) met onder meer bijzondere bepalingen voor de overgang van het risico en de betaling van de koopsom, maar waarbij de juridische eigendomsoverdracht van het onroerend goed uitgesteld wordt tot bij het verlijden van de transportakte (notariële akte). In feite komt dit erop neer dat de verkrijger het volle genot van het onroerend goed krijgt, het risico draagt en de volledige prijs betaalt, zonder dat hij juridisch eigenaar wordt van het goed. De juridische eigendomsoverdracht zal slechts gerealiseerd worden zodra de noodzaak zich voordoet, de tijd er rijp voor is of mogelijk zelfs op een manier dat er geen overdrachts- of omzetbelasting verschuldigd is in Nederland (nl. door erfenis) (zie DECUYPER, J., "De economische eigendomsoverdracht, een Nederlandse rechtsfiguur die het in België niet doet", Samsom Notariaat, 1990, nr. 17, p. 17/7). De overdracht van economische eigendom is een soort beheerscontract gekoppeld aan een gewone verkoopovereenkomst. De koper heeft altijd de vordering tot de juridische eigendomsoverdracht van het goed. Het registratierecht treft niet de overdracht zelf maar de overeenkomst die de overdracht bewerkstelligt. De eigendomsoverdracht tussen partijen is bij overdragende overeenkomsten in de regel voltrokken op het ogenblik waarop de overeenkomst wordt gesloten. De verkoop is tussen partijen voltrokken zodra er een akkoord is over de zaak en de prijs, ook al wordt de juridische eigendomsoverdracht uitgesteld tot bij het verlijden van de transportakte. De verkoopovereenkomst is op zich volwaardig ook al draagt zij niet onmiddellijk eigendom over. De akte waarbij de ene partij aan de andere belooft een onroerend goed te verkopen tegen een bepaalde prijs, onder het beding dat de juridische eigendomsoverdracht slechts zal geschieden bij het verlijden van de transportakte, hetgeen door de andere partij wordt aanvaard, geeft bijgevolg onmiddellijk aanleiding tot de heffing van het verkooprecht. (Besl. dd. 29 augustus 1990, nr. E.E./92.247) ---------- OKTOBER 1999 - 144/7
Nummer R 44/13-08 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 08. - Het criterium voor de heffing van registratierechten conform artikel 19, 2° is niet gelegen in een daadwerkelijke eigendomsoverdracht, maar wel in een overeenkomst waarbij de eigendomsrechten worden overgedragen. Het is hierbij zonder belang indien het tijdstip voor de eigendomsoverdracht naar een later tijdstip wordt uitgesteld en uiteindelijk niet eens plaats zal hebben ingevolge (minnelijke) ontbinding van de overeenkomst. Alleen de overeenkomst geeftaanleiding tot het heffen van registratierechten, terwijl de niet-uitvoering van het contract in beginsel geen invloed heeft op het verschuldigd zijn van de registratierechten. (Arrest van het hof van beroep te Brussel, dd. 16 april 1999 - bl. nr. E.E./92.844) ----------
Nummer R 44/13-09 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 09. - Verkoop bij onderhandse akte met tussenkomst van een makelaar in onroerend goed, waarin opgenomen is dat de koper het eigendomsrecht en het genot bekomt bij het verlijden van de authentieke akte. Deze wordt nooit verleden. De tussenpersoon dagvaardt de verkoper om de voorziene commissie te vorderen. Het vonnis willigt dit verzoek in omdat de tussenpersoon zijn opdracht volbracht heeft en de verkoop gesloten werd onder een ontbindende voorwaarde en gevolgen had vanaf het sluiten van de overeenkomst. Vervolgens verzet de koper zich tegen het dwangbevel uitgevaardigd ter invordering van de registratierechten en de boeten. Later wordt het gebouw in beslaggenomen en toegewezen alvorens de partijen bij de onderhandse akte besloten hadden de ontbinding van de verkoop in rechte te vorderen. Een tweede vonnis willigt het verzoek tot ontbinding in. Artikel 209, 3° W. Reg. kan niet toegepast worden aangezien het verzoek tot ontbinding meer dan een jaar na de overeenkomst ingediend werd en dat, bovendien, de tweede beslissing enkel de wil van partijen bekrachtigde. Tenslotte is het zo dat het beslagdoor de hypothecaire schuldeiser de heffing van het registratierecht op de onderhandse akte niet verhindert. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Verviers, dd. 17 mei 2004, - bl. nr. E.E./95.298) ----------
Nummer R 44/13-10 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 10.- Het bij art. 44 W.Reg. bepaalde recht treft niet de overdracht zelf maar de overeenkomst die de overdracht bewerkt. Uit een onderhandse overeenkomst blijkt dat partijen een koop voltrokken hebben. In hoofde van partijen was er wederzijdse toestemming over de zaak en de prijs. Het beding in de verkoopovereenkomst waarbij het opmaken van een authentieke akte binnen de wettelijke termijn wordt voorzien, met regeling van uitgestelde eigendomsoverdracht en uitgestelde betaling van de prijs doet geen afbreuk aan de onmiddellijke totstandkoming van de overeenkomst en vormt enkel een modaliteit in de tenuitvoerlegging ervan. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dd. 15 november 2007, bevestigd door een arrest van het Hof van Beroep te Gent, dd. 30 juni 2009 – bl. nr. EE/98.460) ---------- JULI 2010 - 144/10
Nummer R 44/13-11 13. - Uitgestelde eigendomsoverdracht. 11. - Het feit dat de eigendomsoverdracht van een onroerend goed in de verkoopovereenkomst wordt uitgesteld tot het verlijden van de notariële akte, belet niet dat het evenredig recht toch onmiddellijk verschuldigd wordt. Het evenredig recht wordt immers niet geheven op de uitvoering van de overdragende overeenkomst, maar op de overeenkomst waarbij de overdracht werd bedongen. Voor de onmiddellijke eisbaarheid van het recht volstaat het dat het afgesloten contract, hetzij onmiddellijk, hetzij, zoals in casu, op het gestelde tijdstip eigendomsoverdracht teweegbrengt. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 19 mei 2010 - bl. nr. E.E./99.676) ---------- OKTOBER 2010 - 144/11
Nummer R 44/13-12 13.- Uitgestelde eigendomsoverdracht. 12.- Het beding in de akte waarbij de eigendomsoverdracht wordt uitgesteld kan niet als een schorsende voorwaarde worden aanzien en doet geen afbreuk aan de onmiddellijke totstandkoming van de overeenkomst. De clausule: “de authentieke akte van verkoping zal verleden worden uiterlijk binnen de drie maand” kwalificeert niet als een geldigheidsclausule, doch als een bewijsmiddel en een tijdsbepaling, waardoor de regeling omtrent de eigendomsoverdracht geen opschortende voorwaarde is. (Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, dd. 20 december 2011, nr. E.E./98.704) ---------- JANUARI 2013 - 144/12
Nummer R 44/14-01 14. - Inbetalinggeving. 01. - De inbetalinggeving van een onroerend goed is een overeenkomst onder bezwarende titel waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van onroerende goederen wordt overgedragen. Ze maakt derhalve het bij artikel 44 bepaalde recht opvorderbaar. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 20 mei 1966, Rec. gén., nr. 21. 004. - bl. nr. E.E./78.289) ----------
Nummer R 44/15-01 15. - Terrils. 01. - De heuvelen die ontstaan door het opeenhopen van aarde en stenen afkomstig van de mijngangen, gewoonlijk "terrils" genaamd, zijn onroerend uit hun aard, niet alleenlijk voor de grond waarop zij zich bevinden maar ook voor de materialen waaruit ze zijn samengesteld. De opeenstapeling op de grond van de zware massa materialen heeft inderdaad tot gevolg dat ze bij het erf zijn ingelijfd (DE PAGE, TRAITE ELEMENTAIRE DE DROIT CIVIL BELGE, d. V. nr. 639; PLANIOL ENRIPERT, TRAITE PRATIQUE DE DROIT CIVIL FRANCAIS, 2deuitg., d. III, nr. 69, voetnoot 1). Bij verkoop, aan eenzelfde persoon, van de grond en de erop liggende materialen die de "terril" vormen, is er dus verkoop van een onroerend goed, voor het geheel. Het doet er niet toe dat er een afzonderlijke prijs voor de materialen is bedongen, noch dat de verkrijger zinnens is die materialen binnen een tamelijk korte tijd te verwijderen. (Besl. 12 januari 1967, nr. E.E./79.973) ----------
Nummer R 44/16-01 16. – Kapitaalvennootschappen - Gelijktijdige overdracht van al de aandelen. 01. - Wanneer, bij gelijktijdige overdracht van alle aandelen van een naamloze vennootschap aan één persoon of aan een nieuwe groep, er uit de bijzondere omstandigheden van de zaak blijkt dat niet de aandelen, doch de goederen van de vennootschap het voorwerp van de overeenkomst uitmaken, is het overgangsrecht verschuldigd op de in België gelegen onroerende goederen van de vennootschap. Dit is bv. het geval wanneer een onderhandse akte de volgende bepalingen bevat :
N.B. : Terzake werd de vordering van de Administratie door de belastingplichtige betwist. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 16 september 1971, bevestigd doorarrest van het hof van beroep te Antwerpen, dd. 26 februari 1979, werd het door de Administratie vooropgestelde principe niet aangevochten, doch werd de Administratie op grond van de feitelijke omstandigheden in het ongelijk gesteld. (Besl. 2 maart 1967, nr. E.E./79.728) ---------- OKTOBER 1988 - 147/2
Nummer R 44/16-02 16. - P.V.B.A. - Gelijktijdige overdracht van alle deelbewijzen aan een nieuwe groep. 02. - Het feit, dat de vennoten van een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid gezamenlijk al hun deelbewijzen in die vennootschap vervreemden aan een nieuwe groep, heeft, naar de rechtspraak (ber. Brussel, 10 januari 1963, en ber. Gent, 8 januari 1969, niet gepubliceerd) de ontbinding van de vennootschap niet tot gevolg. Een dergelijke vervreemding van de deelbewijzen is dan ook een niet door het Wetboek getarifeerde rechtshandeling. Wanneer echter uit de bijzondere omstandigheden van de zaak blijkt dat niet de deelbewijzen maar de goederen van de vennootschap het voorwerp van de vervreemding uitmaken, is het recht op de in België gelegen onroerende goederen van de vennootschap verschuldigd (vgl. R 44, nr. 16.01). (Besl. 3 oktober 1975, nr. E.E./83.400) ----------
Nummer R 44/17-01 17. - Verhoging van verkoopprijs. 01. - Wanneer de partijen na een eerder door hen gesloten verkoop van een in België gelegen onroerend goed, akkoord gaan om de oorspronkelijk overeengekomen prijs te verhogen, maakt die rechtshandeling, in toepassing van artikel 13, het voor de verkopingen van onroerende goederen bepaalde recht opvorderbaar, in de mate dat de nieuwe prijs de voordien belaste grondslag overtreft. Voor zo'n handeling is registratie verplicht binnen vier maanden vanaf haar datum (art.19, 2°). (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 2 januari 1969, Rec. gén., nr. 21.276. - bl. nr. E.E./80.356) ----------
Nummer R 44/18-01 18. - Overdragende akte. Recht tot het aanleggen van een electrische leiding. 01. - De wet van 10 maart 1925, die de partikulieren onder bepaalde voorwaarden oplegt het aanleggen van electrische leidingen op hun goederen te gedogen, heeft een wettelijke erfdienstbaarheid van algemeen nut gevestigd, dat wil zeggen een wettelijke beperking van het eigendomsrecht. Wanneer eigenaars tegen vergoeding ermee instemmen, dat een electriciteitsbedrijf op hun gronden de bij de wet bepaalde rechten uitoefent, mag me aannemen, zelfs zo er geen verklaring van algemeen nut bij koninklijk besluit werd gedaan, dat zij niets anders doen dan het bestaan erkennen van de wettelijke beperking van hun eigendomsrecht, zodat men niet zou kunnen beweren dat zij aldus een overeenkomst tot overdracht van onroerende zakelijke rechten afsluiten. De overeenkomsten die de door het electriciteitsbedrijf te betalen vergoeding in der minne bepalenzijn dus niet binnen een bepaalde termijn aan registratie onderworpen, en zo zij vrijwillig ter registratie worden aangeboden wordt enkel het algemeen vast recht geheven. Het is van weinig belang dat de overeenkomsten aan de eigenaars bepaalde accessoire verplichtingen opleggen die niet rechtstreeks uit de wettelijke erfdienstbaarheid voortspruiten zoals het vellen van bomen en het verbod op een strook grond nieuwe beplantingen te doen. (Besl. 21 oktober 1969, nr. E.E./81.149) ---------- JANUARI 1980 - 150
Nummer R 44/18-02 18. – Overdragende akte – beding van wederinkoop – termijn. 02. – De uitoefening van een beding van wederverkoop is geen overdragende akte in de mate dat de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Het beding houdende een recht van wederinkoop kan gesteund zijn op het Burgerlijk Wetboek doch ook op bijzondere wetten zoals bv. De Wet op de economische expansie (30.12.1970) of op de Vlaamse Wooncode voor verkopen gedaan door sociale huisvestingsmaatschappijen. Wat betreft de Wet op de economische expansie is reeds gevonnist dat de vijfjarige maximumtermijn voorzien in artikel 1660 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is (Cass. 18 maart 2004, T. Not. 2004, p. 374) en dit ondanks het feit dat de wet op de economische expansie zelf geen termijn bevat. Artikel 84 Vlaamse Wooncode daarentegen bevat wél een termijn, zij het dat deze langer is dan de termijn vervat in het Burgerlijk Wetboek. Op wederinkopen bij toepassing van het desbetreffende artikel in de Vlaamse Wooncode is de daarin vastgestelde termijn van toepassing. (Besl. 26 maart 2009, bl. nr. E.E./103.075) ---------- JULI 2009 - 150/2
Nummer R 44/18-03 18. - Overdragende akte. 03.- De rechtbank verwijst naar het ‘Rechtspraakoverzicht Registratierechten (1992-1999) van de hand van Luc BOEYNAEMS. Als indirecte belasting kent het W. Reg. het begrip inkohiering niet, en de eigen specifieke aanslagtermijnen van het WIB zijn niet van toepassing inzake registratierechten. Zoals de administratie correct aangeeft, volgt de registratieverplichting uit het bestaan van een overeenkomst. Het registratierecht treft niet de overdracht maar wel de overeenkomst die de overdracht verwezenlijkt (Antwerpen, 22 maart 1993, F.J.F., 93/285; Rb. Mechelen, 19 november 1992, 29/7). Een eventuele nietigheid van een verkoopovereenkomst belet de heffing van het registratierecht niet. Ook een minnelijke verbreking van de overeenkomst voordat het komt tot het notariële verlijden , belet de heffing niet (Antwerpen, 7 juni 1999, R.G.E.N., 2000, 273; Rb. Brugge, 16 maart 1993, F.J.F., 92/202), en duid zelfs op een overeenkomst van wederoverdracht, die op haar beurt een (nieuwe) heffingsgrond vormt. Zo ook duidt de vaststelling, dat de verkoper hetzelfde goed naderhand verkoopt aan een andere persoon dan de verkoper (Rb. Aarlen, 22 januari 1992, R.G.E.N., 1992, 285, noot) (BOEYNAEMS, L., “Rechtspraakoverzicht Registratierechten (1992-1999)”, T.F.R., nr. 187, 1 oktober 2000, 783). De minnelijke ontbinding van de verkoopovereenkomst verhindert de verschuldigdheid van de registratierechten niet. (Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, dd. 20 december 2011, nr. E.E./98.704) ---------- JANUARI 2013 - 150/3
Nummer R 44/19-01 19. - Recht van voorkoop van de pachter van een landeigendom. 01. - Bij verkoop van een landeigendom met miskenning van het recht van voorkoop van de pachter, is de uitoefening door deze laatste van het recht, te vorderen dat hij zelf of een (of meer) van zijn afstammelingen in de plaats van de koper wordt gesteld (Burg. Wetb., boek II, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, art. 51) geen verkoop noch een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel van onroerende goederen. Deze indeplaatsstelling valt dus buiten de toepassingssfeer van artikel 44. De notariële akte, die wordt opgemaakt in uitvoering van het vonnis dat de eis tot indeplaatsstelling inwilligt, is niet aan het mutatierecht onderworpen. (Besl. van 11 december 1969, nr. E.E./E.L. 49) ----------
Nummer R 44/19-02 19. – Recht van voorkoop voorzien in de Vlaamse Wooncode. 02. - Bij verkoop van een onroerend goed met miskenning van het recht van voorkoop voorzien in de Vlaamse Wooncode maakt de indeplaatsstelling voorzien in artikel 88 van de voornoemde woon code alleen het algemeen vast recht opeisbaar. De indeplaatsstelling is geen overdragende overeenkomst onder bezwarende titel en valt bijgevolg buiten het toepassingsgebied van artikel 44. W. Reg. De indeplaatsstelling zal nooit aanleiding geven tot teruggave van de evenredige registratierechten geheven op de verkoop afgesloten met miskenning van het voorkooprecht, ook niet als de uiteindelijke koper om één of andere reden een vermindering of vrijstelling van het evenredig recht had kunnen genieten. Omgekeerd zal de indeplaatsstellinggeen aanleiding geven tot de heffing van een (bijkomend) evenredig recht indien de verkoop afgesloten met de miskenning van het voorkooprecht plaats had met toepassing van een vermindering of vrijstelling van het evenredig recht. (Besl. van 24 november 1999, nr. E.E./L 88) ----------
Nummer R 44/20-01 20. - Uitgesteld loon. 01. - Wanneer een land- of tuinbouwer aan een van zijn kinderen dat gebeurlijk aanspraak kan maken op een uitgesteld loon (wet van 28 december 1967), een schenking doet vóórdat het recht op uitgesteld loon ontstaan is, ontneemt een clausule in de akte volgens welke de gift moet aangerekend worden op dat uitgesteld loon, aan de verrichting niet de aard van schenking. De akte is derhalve onderworpen aan het recht van schenking en niet aan het recht van overdracht onder bezwarende titel. (Besl. van 16 december 1969, nr. E.E./81.390) ----------
Nummer R 44/21-01 21. - Lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen. 01. - De verkopen en de andere overdragende overeenkomsten onder bezwarende titel zijn niet meer onderworpen aan een evenredig registratierecht in de mate waarin zij betrekking hebben op lichamelijk roerende voorwerpen gebruikt voor de dienst en de exploitatie van onroerende goederen. (Aanschr. van 16 november 1970, nr. 76) ----------
Nummer R 44/22-01 22. - Op te richten gebouwen. 01. - De verkopen en andere overdragende overeenkomsten onder bezwarende titel van op te richten gebouwen zijn aan het evenredig recht onderworpen, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 159, 8°. (Aanschr. van 16 november 1970, nr. 76) ----------
Nummer R 44/22-02 22. - Op te richten gebouwen. 02.- Met betrekking tot de verkoop van een op te richten gebouw, kan men zich niet beroepen op de vrijstelling van het evenredig recht wanneer niet wordt aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald bij artikel 159, 8° W. Reg. Het registratierecht is verschuldigd door het enkel feit van het bestaan van een eigendomsoverdragende overeenkomst, ongeacht of ze al dan niet daadwerkelijk wordt uitgevoerd. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, dd. 10 oktober 1990, Rec. gén., nr. 23.935. - bl. nr. E.E./86.335) ----------
Nummer R 44/22-03 22. - Verkoop van een nieuw gebouw tussen leden van een btw-eenheid. 03. - Voor de toepassing van het WBTW worden in België gevestigde personen die in juridisch opzicht onafhankelijk zijn, maar onderling financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, als één belastingplichtige beschouwd (wettelijke fictie) en vormen ze een btw-eenheid, geïdentificeerd onder een eigen btw-identificatienummer voor de btw-eenheid (Circ. AOIF nr. 42/2007 van 9 november 2007, punt 2.1). De leveringen van goederen en diensten verricht in België tussen de leden van een btw-eenheid ("interne handelingen") vallen niet binnen de werkingssfeer van de btw. Geen enkele bepaling van het WBTW is van toepassing op de overdracht onder bezwarende titel van een nieuw gebouw, de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een nieuw gebouw, door een lid van een btw-eenheid aan een ander lid van deze btw-eenheid (Circ. AOIF nr. 42/2007 van 9 november 2007, punt 7.1). Wanneer de overdracht onder bezwarende titel van een “nieuw” gebouw onderworpen is aan de btw, is er vrijstelling van het evenredig registratierecht en heffing van het algemeen vast recht indien de voorwaarden voorzien door artikel 159, 8° W. Reg. vervuld zijn. Het feit dat de leden van een btw-eenheid kennisgeven van hun bedoeling de verrichting te doen met betaling van de btw, verhindert niet dat de vervreemding buiten de werkingssfeer van de btw valt. Aangezien fiscale wetten strikt geïnterpreteerd worden, dient de toepassing van voornoemd artikel 159, 8° te worden geweigerd. Bijgevolg is de algemene regel van toepassing, namelijk de heffing van het evenredig registratierecht (12,5 % of 10 %) op de overeengekomen waarde van het overgedragen gebouw, met als minimum de verkoopwaarde ervan (artikelen 44 en 46 W. Reg.). (Besl. 26 september 2011, nr. E.E./104.477) ---------- JANUARI 2012 - 154/3
Nummer R 44/23-01 23. - Overdrachten ingevolge een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel. 01.- Het in artikel 44 W.Reg. bepaalde evenredig recht is niet toepasselijk op de overdrachten van in België gelegen onroerende goederen die plaatshebben ingevolge een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel overeenkomstig art. 1394 B.W. door uitbreiding van de gemeenschappelijke baten (artikel 1452 B.W.). Gegeven bijvoorbeeld dat echtgenoten, die gehuwd zijn onder een stelsel van gemeenschap, tijdens het huwelijk overeenkomen naar het gemeenschappelijk vermogen een of meer eigen onroerende goederen van een van hen (of van ieder van hen) over te brengen in het raam van vorengenoemde artikelen 1394 en 1452, dan geeft de akte, die evenbedoelde verrichting vaststelt, uit dien hoofde geen aanleiding tot de heffing van het mutatierecht; zij is, als dusdanig, slechts aan het algemeen vast recht onderworpen. (Besl. 20 juni 1977, nr. E.E./85.261) ----------
Nummer R 44/24-01 24. – Optie tot weder aankoop. 01. - In geval van verkoop van kleiputten door een particulier aan een provincie, kan de mogelijkheid tot weder aankoop die in de akte verkoop werd ingelast onder de hoofding "Optie tot weder aankoop", niet worden begrepen als een beding van wederinkoop als bedoeld in artikel 1659 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, gelet op het feit :
Ten aanzien van de fiscus dient de werkelijke rechtstoestand te worden verkozen boven de uitgedrukte maar onjuiste omschrijving ervan in de akten. (Arrest van het hof van beroep te Antwerpen, dd. 22 november 1978, Rec. gén., nr. 22.420. - bl. nr. E.E./82.471) ----------
Nummer R 44/25-01 25. - Overdracht tussen echtgenoten. 01.- Wanneer in het kader van de regeling van de wederzijdse rechten der echtgenoten, die samengaat met een wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel, een overdracht van onroerende goederen van het vermogen van de ene echtgenoot naar dat van de andere echtgenoot wordt bedongen, dan is die overdracht onderworpen aan het verkooprecht. Dit recht is niet verschuldigd op de akte die vóór de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, overeenkomstig artikel 1394, 2de lid, 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt opgesteld. Deze akte houdt immers slechts een overdracht in onder de opschortende voorwaarde van de homologatie door de rechtbank van eerste aanleg. Het verkooprecht wordt opeisbaar bij de vervulling van deze opschortende voorwaarde, nl. bij het in kracht van gewijsde gaan van het homologatievonnis. (Besl. 7 maart 2001, nr. E.E./85.653) ----------
Nummer R 44/26-01 26. - Handelsvennootschap in oprichting. 01. - De verkrijging van een onroerend goed, door een persoon die verklaart te handelen in naam van een handelsvennootschap in oprichting, vooraleer deze vennootschap rechtspersoonlijkheid bezit, maakt het mutatierecht dadelijk opeisbaar, voor zover althans de verkrijging niet geschiedt met het beding dat ze onderworpen is aan de opschortende voorwaarde van het tot stand komen van die vennootschap. De overeenkomst waarbij die persoon naderhand zijn rechten en verbintenissen betreffende dat onroerend goed, waarover hij aldus de beschikking heeft, gewoon op een derde overdraagt, maakt eveneens het mutatierecht opeisbaar. Wanneer de vennootschap de verkrijging voor haar neemt overeenkomstig artikel 13bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, is er uit dien hoofde geen nieuw mutatierecht verschuldigd. (Besl. 12 maart 1979, nr. E.E./85.691) ----------
Nummer R 44/26-02 26. - Handelsvennootschap in oprichting. 02. - Artikel 13bis Venn. W., thans artikel 60 Venn.W., bepaalt dat diegene, die in naam van een vennootschap in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbintenis heeft aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk is, behalve wanneer de vennootschap binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis is opgericht en zij bovendien die verbintenis binnen twee maanden heeft overgenomen. Artikel 13bis Venn. W. regelt niet de vraag hoe een nog niet opgerichte vennootschap reeds goederen kan verwerven, maar wel wat het lot is van de verbintenissen die namens een vennootschap vóór haar oprichting zijn aangegaan. Deze bepaling regelt de belangen van al diegenen die bij deze verbintenissen zijn betrokken. Daarbij kan het zowel gaan om een medecontractant als om een derde, zoals de fiscus. Artikel 13bis Venn. W. zegt niet dat wie voor een vennootschap in oprichting gekocht heeft, bij het verstrijken van de erin genoemde termijnen geacht wordt voor eigen rekening te hebben gekocht. Het rekent enkel de verbintenissen die voor de op te richten vennootschap werden aangegaan toe aan diegenen die namens de vennootschap in oprichting zijn opgetreden. Uit artikel 13bis Venn. W. kan geenszins worden afgeleid dat diegene die namens een vennootschap in oprichting is opgetreden, eigenaar wordt van het (door hem namens de vennootschap aangekocht) onroerend goed omdat de voorwaarde tot overname van de verbintenis laattijdig vervuld werd. Er kunnen derhalve geen registratierechten worden gevorderd op grond van een tweede overdracht (tussen de betrokkene en de vennootschap) van het goed. (Vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 april 1999 en 30 november 2001 bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 18 april 2006, waartegen de Administratiegeen cassatievoorziening heeft ingesteld - bl. nr.E.E./94.074) ----------
Nummer R 44/27-01 27. – Bestaan of mogelijk bestaan van een ontbinding of een nietigheid van de ter registratie aangeboden overeenkomst. 01. - Het bestaan of het mogelijke bestaan van een ontbinding of een nietigheid zelfs van de overeenkomst die de geregistreerde akte vaststelt, heeft geeninvloed op de te verrichten heffing. De Administratie is geen rechter over de geldigheid van de akten en heeft de opdracht de belasting te heffen volgens de aard van de rechtshandelingen die in de akte zijn vastgesteld, zonder aandacht te besteden aan de nietigheden die hetzij de overeenkomst zelf, hetzij de instrumentaire akte kunnentreffen. Overigens werkt geen enkele nietigheid van rechtswege, al ware zij volstrekt en van openbare orde; de tussenkomst van de rechter is altijd noodzakelijk om haar uit te spreken. Zolang de akte niet nietig verklaard is, heeft zij haar gevolgen en moet zij aan de belasting onderworpen worden. Dat is trouwens de bestaansreden van artikel 209 van het Wetboek der registratierechten. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dd. 5 april 1978, Rec. gén., nr. 22.464.- bl. nr. E.E./81.986) ----------
Nummer R 44/27-02 27. – Bestaan of mogelijk bestaan van een ontbinding of een nietigheid van de ter registratie aangeboden overeenkomst. 02. - Tegen een door de Administratie, wegens niet-aanbieding ter registratie van een onderhandse verkoopovereenkomst, uitgevaardigd dwangschrift werd verzet aangetekend, omdat er geen rechtsgeldige verkoop zou hebben plaatsgehad. Bij de rechtbank van eerste aanleg was inderdaad een vordering ingeleid teneinde de beweerde verkoopovereenkomst tussenpartijen "ex tunc" ontbonden te horen verklaren, omdat zij tot stand was gekomen ingevolge oplichterij gepleegd door een derde. De rechtbank sprak de ontbinding van de verkoop uit wegens wanbetaling van de prijs. In het beschikkend gedeelte van het vonnis was gesteld : "Verklaart ontbonden "extunc" en zonder rechtsgevolg . . .". Het geding ingevolge het verzet op het dwangschrift leidde tot volgend vonnis: "Voormelde gerechtelijke ontbinding kan geen beletsel vormen voor de vordering van de op de overeenkomst verschuldigde rechten. De rechtbank sprak immers alleen de ontbinding uit van een tussen partijen van meet af aan geldige verkoop - met overdracht van eigendom -, en, niet de vernietiging "ab initio". "Verweerder stelt terecht dat haar vordering van het evenredig recht niet voortspruit uithandelingen die door de verkrijger werden uitgevoerd via de eigendomsoverdracht, maar wel uit de verkoopovereenkomst zelf die volmaakt was op het tijdstip van het afsluiten ervan." (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, van 2 september 1981, bl. nr. E.E./85.058) NOOT : De eis tot ontbinding was ingesteld meer dan één jaar na de overeenkomst. ----------
Nummer R 44/27-03 27. - Uitdrukkelijk ontbindend beding. 03. - De ontbinding van een overeenkomst ingevolge feiten die na de voltrekking ervan plaats hebben - in casu de vervulling van een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde - blijft normaal zonder invloed op het fiscaal statuut der belastbare overeenkomst. Deze regel lijdt enkel uitzondering ingeval van gerechtelijke ontbinding van bedoelde overeenkomst mits uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding ervan werd ingesteld (artikel209, 3° , van het Wetboek der registratierechten). De invordering van de op de overeenkomst verschuldigde rechten wordt niet belet door het feit dat deze rechten nog niet waren geheven bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde. (Arrest van het hof van beroep te Brussel, eerste kamer, dd. 9 november 1988, Rec. gén., nr. 23.734.- bl. nr. E.E./82.765) ----------
Nummer R 44/27-04 27. - Ontbindende voorwaarde. 04. - Het overlijden van de koper is geen wettelijke grond tot ontbinding van de verkoop. Indien niets werd overeengekomen dat de ontbinding kan verantwoorden, zijn de ondertekenaars en hun erfgenamen hoofdelijk en ondeelbaar gebonden door het contract. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen, 22 januari 1992, Rec. gén., nr. 24.124. -bl. nr. E.E./88.578) ---------- APRIL 1996 - 158/5
Nummer R 44/27-05 27. - Bestaan of mogelijk bestaan van een oorzaak tot nietigheid van de ter registratie aangeboden overeenkomst. 05. - Zelfs indien een onderhandse verkoopovereenkomst nietig is, heeft deze nietigheid in beginsel geen invloed op de heffing van het registratierecht, zolang de nietigheid niet is uitgesproken in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. De verkoopovereenkomst blijft inmiddels in al haar uitwerkselen bestaan zodat zij ook aan de belasting onderworpen is. (Vonnis van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 16 mei 1995, Réc. gén, nr. 24.614, bl. nr. E.E./93.569) ----------
Nummer R 44/27-06 27. - Minnelijke ontbinding. 06. - De vaststelling dat de verkoper hetzelfde onroerende goed op twee verschillende tijdstippen aan telkens een andere koper heeft verkocht, doet geen afbreuk aan het bestaan van de eerste verkoop. Er dient te worden aangenomen dat de eerste verkoop minnelijk werd ontbonden waarbij de verkoper het voorschot mocht behouden. Dergelijke minnelijke ontbinding belet de heffing van de registratierechten op de eerste verkoop niet. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 13de kamer, van 18 maart 1997, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Gent van 11 september 2000. - bl. nr. E.E./94.374.) In die zin ook: vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 19 april 2010 – bl. nr. E.E./99.533. ---------- JANUARI 2013 - 158/7 Zie ook: Historische versie R 44/27-06
Nummer R 44/27-07 27. - Ontbindende voorwaarde. 07. - Een onderhandse verkoopsovereenkomst bevat volgend beding : "Wanneer een van de sommen bedongen hetzij bij wijze van handgeld, hetzij ter betaling van de verkoopprijs niet werd betaald op de vervaldag, wordt de huidige overeenkomst van rechtswege ontbonden, ten laste van de verkrijger, en dit zonder aanmaning of enige formaliteit. In dit geval is het handgeld van rechtswege door de verkoper verkregen". In casu gaat het over een uitdrukkelijk ontbindend beding en niet over een ontbindende voorwaarde. Het is immers niet toegelaten om in een ontbindende voorwaarde een verplichting voortvloeiende uit het contract op te nemen namelijk de betaling van de prijs. Wat de heffing van de registratierechten betreft, heeft de kwalificatie (ontbindende voorwaarde of uitdrukkelijk ontbindend beding) geen invloed; zowel in het een als in het ander geval is het recht verschuldigd zonder latere mogelijkheid tot teruggave, bij gebrek aan gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst (waarbij de eis tot ontbinding moet worden ingeleid binnen de termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum van de overeenkomst). In beroep is het Hof van oordeel dat artikel 55, tweede alinea, W. Reg. geen prejudiciële vraag rechtvaardigt als het geïnterpreteerd wordt als een verbod voor de partijen om bij een verrichting van eigendomsoverdracht in de zin van artikel 44 van hetzelfde Wetboek, het bewijs van de vervulling van de voorwaarden inzake onroerende eigendom aan te brengen op enige andere wijze dan de verklaring van de verkrijger of van de kandidaat-verkrijger onderaan de akte, in de mate dat het gelijkheidprincipe vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou geschonden zijn door de mogelijkheid tot het leveren van het bewijs van de vervulling van de eigendomsvoorwaarde van de kandidaat-kopers te beperken tot bepaalde personen gehouden tot de betaling van de belasting, en dit met uitsluiting van andere personen nochtans eveneens gehouden tot deze betaling door wettelijke beschikkingen. De appellanten (verkopers) verliezen uit het oog dat het registratierecht in de regel ten laste van de kopers valt. Het zijn bijgevolg deze laatsten die het bewijs van de toepassingsvoorwaarden van het verlaagd recht moeten leveren. De appellanten zijn eenvoudigweg ondeelbaar gehouden tot het recht krachtens artikel 35 W. Reg. en de aangeklaagde toestand is geenszins discriminerend omdat zij koper en verkoper aan hetzelfde regime onderwerpt. Het Hof is eveneens van oordeel dat een prejudiciële vraag ook niet gerechtvaardigd wordt door artikel 212 W. Reg. geïnterpreteerd als een beperking van de mogelijkheid tot teruggave van 3/5 van de rechten bepaald door artikel 44 van hetzelfde Wetboek, enkel aan de verkopers, of aan hun rechtsvoorgangers, die verkregen hebben bij akte onderworpen aan het recht vastgesteld bij artikel 44 en die wederverkocht hebben bij authentieke akte verleden binnen de twee jaar van de authentieke akte van verkrijging, met uitsluiting van andere personen die eveneens gehouden waren tot betaling van het recht vastgesteld bij artikel 44 op de eerste akte van verkrijging, in de mate dat het gelijkheidsprincipe vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou geschonden zijn doordat het recht op teruggave van een gedeelte van de registratierechten zou beperkt zijn tot bepaalde personen gehouden tot de betaling van de belasting en dit met uitsluiting van andere personen die nochtans eveneens gehouden zijn tot de betaling van de belasting door de wettelijke bepalingen. De wettelijke voorwaarden om de teruggave te bekomen van een nochtans regelmatig geheven recht zijn niet samen aanwezig, temeer omdat terzake niet de verkrijger het goed heeft wederverkocht, maar de verkoper, die, gelet op het mislukken van de eerste verkoop, een nieuwe gegadigde heeft gevonden en een nieuwe verkoop heeft gesloten. Aangezien artikel 212 duidelijk niet toepasselijk is op de aan het hof voorgelegde toestand, is er geen reden om het grondwettelijk hof te vatten met een prejudiciële vraag. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik, vijfde kamer, dd. 21 mei 1999, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Luik, dd. 6 juni 2007. - bl. nr. E.E./95.288) ----------
Nummer R 44/28-01 28. – Afzien van het voordeel van een verzaking aan het recht van natrekking. 01. - X heeft gebouwen opgericht op de grond van Y ingevolge een door Y verleende eenvoudige toelating tot bouwen, met verzaking door deze laatste, voor een beperkte termijn, aan het recht van natrekking. Vóór het verstrijken van die termijn, verzaakt X aan het voordeel van die toelating tot bouwen behelzende de verzaking aan het recht van natrekking. Wanneer de door X opgerichte gebouwen aldus aan Y, eigenaar van de grond, overgaan, wordt het evenredig verkooprecht, in principe, niet eisbaar uit dien hoofde. (Besl. 11 januari 1980, nr. E.E./86.373) ----------
Nummer R 44/28-02 28. - Conventionele verzaking aan een recht van opstal. 02. - Het recht van natrekking heeft slechts van rechtswege uitwerking indien de partijen hun overeenkomst niet uitdrukkelijk in de plaats van de wettelijke regeling hebben gesteld. De overeenkomst waarbij de partijen vervroegd een einde stellen aan een recht van opstal kan bijgevolg aanleiding geven tot het heffen van het recht van 12,5 pct. In dit geval voorzag de overeenkomst, houdende de vestiging van een recht van opstal, uitdrukkelijk dat bij de beëindiging van het recht van opstal de opstalgever de eigendom van de constructies terugkreeg zonder hiervoor ook maar enige vergoeding verschuldigd te zijn aan de opstalhouder. De partijen hebben nooit verduidelijkt dat de verzaking aan de vergoeding uitsluitend was bedongen voor het geval dat het recht van opstal zou eindigen door het verstrijken van de termijn. Bijgevolg dient de "regeling der vergoeding" die later tot stand komt in het kader van een conventionele verzaking aan het recht van opstal, beschouwd te worden als een afstand onder bezwarende titel van de constructies opgericht door de opstalhouder. Het hof van beroep beklemtoont bovendien dat het de betrokken partijen vrij stond te onderhandelen over de vervroegde, dit wil zeggen niet in de oorspronkelijke overeenkomst voorziene, ontbinding van het recht van opstal dat aan de opstalhouder verleend werd en, bij deze onderhandeling, te bepalen dat de ontbinding plaats zal hebben mits de betaling van een vergoeding, terwijl de oorspronkelijke akte voorzag dat bij het verstrijken van het recht van opstal, in afwijking van artikel 6 van de Wet van 10 januari 1824, de opstalgever "geen enkele teruggave of vergoeding " verschuldigd zou zijn. Zij moeten in dat geval aan deze vergoeding de betekenis, de draagwijdte en de kwalificatie toekennen die zij noodzakelijk heeft, rekening houdend met de gegevens van de zaak, die duidelijk aantonen dat de bij die gelegenheid betaalde som in werkelijkheid bestemd is om de opstalhouder voor de gevolgen van het verlies van zijn tijdelijk eigendomsrecht op de gebouwen te vergoeden. De overdracht van eigendom van de gebouwen opgericht door de opstalhouder is niet uitsluitend het gevolg van de door het opstal- en natrekkingsrecht ingesteld emechanismen maar wel van een gemeenschappelijke beslissing om een nieuwe overeenkomst af te sluiten waarvan de modaliteiten bestemd waren om de verbintenissen van de oorspronkelijke akte teniet te doen. Het recht van 12,5 pct. moet dus geheven worden op een dergelijke akte. ( Besl. dd. 20 september 1995, Rec. gén., nr. 24.567; vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Neufchâteau, dd. 14 november 1997, Rec. gén., nr. 24.771, bevestigd door een arrest van het Hof van beroep te Luik dd. 7 oktober 1999, Rec. gén., nr. 24.993, bl. nr. E.E./94.894) ---------- JANUARI 2001 - 159/2-2
Nummer R 44/28-03 28. 03. - Beslissing geschrapt. ----------
Nummer R 44/28-04 28. 04. - Beslissing geschrapt. ----------
Nummer R 44/28-05 28. - Vroegtijdige beëindiging van een recht van opstal. 05. - Feiten. Op 3 december1991 wordt door de N.V. A een opstalrecht op drie bouwgronden verleend aan de N.V. B voor een periode van 27 jaar mits een te indexeren jaarlijkse vergoeding. In de akte wordt bedongen dat bij het verstrijken van het recht van opstal de grondeigenaar-opstalgever de eigendom zou verwerven van de opgerichte gebouwen; de passage "partijen komen overeen geen vergoeding te eisen bij het einde van dit contract" wordt doorgehaald. Bij vonnis van 18 december 1997 wordt het faillissement uitgesproken van vennootschap B. Bij notariële akte van 24 maart 1999 verkopen de curatoren het opstalrecht aan de N.V. A bij toepassing van artikel 1193ter Ger. W. onder beschrijving "handelshuis". De Administratie heft op de overdracht onder bezwarende titel van het opstalrecht zelf het evenredig recht op basis van de artikelen 83 en 84 W.Reg. en het evenredig recht overeenkomstig artikel 44 W.Reg. op de overdracht van het inmiddels op de grond opgerichte gebouw. Ten gronde. De N.V. A stelt dat de registratie had dienen te gebeuren tegen het algemeen vastrecht en vordert teruggave van het verschil tussen de opgetelde gedane heffingen en het algemeen vast recht. Beide partijen betwisten niet dat het voorwerp van de heffing moet bestaan in de werkelijke rechtshandeling. Uit het verzoekschrift van de curatoren aan de rechtbank van koophandel om machtiging te bekomen tot verkoop uit de hand overeenkomstig artikel 1193ter Ger.W. blijkt dat zij van de N.V. A een bod op het opstalrecht op het onroerend goed hadden ontvangen. Aangezien het opstalrecht contractueel normaal door tijdsverloop zou geëindigd zijn in 2018, volgt uit de voormelde gegevens dat de N.V. A aan de curatoren een som heeft geboden en betaald om het eigendomsrecht van het inmiddels op de grond opgerichte gebouw dadelijk te bekomen. Nu het in de akte van 1991overeengekomen contractverloop in de akte van 1999 werd verbroken, kan de overeenkomst van 1999 slechts worden gelezen als een zelfstandige overdracht onder bezwarende voorwaarden van het gebouw die belastbaar is bij toepassing van artikel 44 W.Reg. Het gegeven dat de aanvraag van de curatoren tot machtiging tot verkoop uit de hand kaderde in de betrachting om artikel 1193ter Ger.W. te respecteren in afwijking op artikel 1190 Ger.W. inzake openbare verkoop, wijzigt niets aan het gegeven dat de contractspartijen in de daardoor mogelijk gemaakte akte van 1999 vrij het sluiten van een koop-verkoop hebben beoogd en effectief hebben verricht. Het gegeven dat de N.V. A de aankoop van het opstalrecht slechts zag als een wijze van vervroegde beëindiging, belet niet dat het voor de beide contractpartijen ging om een werkelijke overdracht onder bezwarende voorwaarden, zodat de Administratie deze rechtshandeling terecht als dusdanig heeft gelezen en belast. De curatoren hebben als toenmalige gerechtelijke vertegenwoordigers van de N.V. B de vergoeding beoogden verkregen van het verlies van de werkelijke waarde van het gebouw dat toen krachtens een tijdelijk zakelijk recht bestond in hoofde van de gefailleerde en dat door de curatoren in het vermogen werd aangetroffen. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, dd. 8 januari 2003. - bl. nr. E.E./97.315) ---------- OKTOBER 2003 - 159/2-6
Nummer R 44/28-06 28. - Conventionele vervroegde beëindiging van een recht van opstal. 06. - Wanneer het recht van opstal vroegtijdig ophoudt ingevolge een minnelijke beëindiging van de opstalovereenkomst verwerft de grondeigenaar de eigendom van de door de opstalhouder opgerichte gebouwen in de regel ingevolge natrekking uit kracht van de wet. Het recht van natrekking heeft slechts van rechtswege uitwerking indien de partijen hun overeenkomst niet uitdrukkelijk in de plaats van de wettelijke regeling hebben gesteld. Indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de voor de gebouwen toegekende som in feite een prijs is in plaats van de rechtens verschuldigde vergoeding naar aanleiding van de beëindiging van het recht van opstal, worden de gebouwen door de grondeigenaar niet verworven krachtens de wet maar ingevolge de inde plaats gestelde overeenkomst, hetgeen aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig overdrachtsrecht. De beoordeling van de aard van de te betalen som (vergoeding of prijs) hangt telkens af van de feitelijke gegevens van de zaak en/of de bewoordingen van de overeenkomst van vervroegde beëindiging van het recht van opstal. Wanneer de vestigingstitel van het opstalrecht uitdrukkelijk voorziet dat bij het beëindigen van het recht van opstal de opstalgever geen vergoeding verschuldigd is en later in de overeenkomst van vervroegde beëindiging wel een vergoeding wordt bedongen, is het evenredig overdrachtsrecht enkel verschuldigd wanneer deze vergoeding de aard heeft van een prijs voor de overdracht van de gebouwen. De loutere tegenspraak tussen de oorspronkelijke opstalovereenkomst waarin geen vergoeding werd bedongen en de regelingsakte bij de beëindiging van de overeenkomst die wel voorziet in een vergoeding voor de gebouwen volstaat dus niet om het overdrachtsrecht te heffen. (Besl. 20 november 2007, nr. E.E/102.338) ---------- APRIL 2008 - 159/2-7
Nummer R 44/29-01 29. - Uitkering tot onderhoud (Burgerlijk Wetboek, art. 301) vervangen door het vruchtgebruik van een onroerend goed. 01. - De uitkering die is ondergebracht bij de gevolgen van de echtscheiding en die wordt toegekend krachtens een bijzondere wetsbepaling (Burgerlijk Wetboek, art. 301) is een vergoeding die verschuldigd is aan de echtgenoot in wiens voordeel de echtscheiding werd uitgesproken, een regeling van een schadevergoeding en, bijgevolg, een te betalen geldsom. De notariële akte waarbij de schuldenaar van de uitkering in plaats van een prestatie in geld, in voordeel van de schuldeiser een vruchtgebruik toekent op een in België gelegen onroerend goed, maakt bijgevolg het recht van overgang opeisbaar. Inderdaad, de toekenning van vruchtgebruik kan terzake slechts voortvloeien uit een overeenkomsttussen partijen. Het heeft weinig belang dat deze overeenkomst tot doel heeft de uitvoering van een wettelijke verplichting te verzekeren; zij vertoont immers alle kenmerken waarin de fiscale wetgeving voorziet daar waar zij de overdrachten van eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen aan het recht van overgang onderwerpt. Zodra men zich ertoe verbindt een andere zaak te leveren dan het voorwerp van de wettelijke schuld, verandert men het voorwerp van deze schuld en worden de toepasselijke rechten opeisbaar; in de gevolgde werkwijze treft de fiscale wet niet de verplichting die uit de wet voortvloeit, maar wel de overeenkomst of het contract waardoor de partijen, buiten de bepalingen van de wet om, deze verplichting nakomen. (Arrest van het hof van beroep te Brussel, eerste kamer, van 3 november 1981, Rec. gén., nr. 22.895. - bl. nr. E.E./84.574) ----------
Nummer R 44/30-01 30. - Minnelijke ontbinding - Wederoverdracht. 01. - Wanneer een rechterlijke beslissing tot bewijs strekt van een onderhandse overeenkomst waarbij de eigendom van een in België gelegen onroerend goed wordt overgedragen, evenals van een mondelinge overeenkomst tot minnelijke ontbinding van voornoemde overdracht, is bij toepassing van artikel 146 het bij artikel 44 gesteld recht van 12,50 t.h. verschuldigd op beide overdrachten, welke nog niet aan het evenredig mutatierecht werden onderworpen, gezien het eigendom overdragend karakter der beide rechtshandelingen. Immers, een minnelijke akte die een eigendom overdragende overeenkomst teniet doet, dient voor de heffing der registratierechten als een wederoverdracht te worden beschouwd en moet belast worden tegen het tarief voor overdrachten onder bezwarende titel. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, dd. 28 september 1990, Rec. gén., nr. 23.943, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, dd. 4 januari 1993, Rec. gén., nr. 24.647. - bl. nr. E.E./92.061) ----------
Nummer R 44/30-02 30. - Minnelijke ontbinding - Wederoverdracht. 02. - De vrijwillige akte waarbij de partijen in der minne een onderhandse overeenkomst waarbij de eigendom van een in België gelegen onroerend goed wordt overgedragen teniet doen, ontbinden of herroepen, dient voor de heffing van de registratierechten als een wederoverdracht te worden belast. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, dd. 16 maart 1993, bevestigd door arrest van het hof van beroep te Gent, dd. 13 januari 2009.- bl. nr. E.E./91.013) ---------- JANUARI 2010 - 159/5
Nummer R 44/30-03 30. - Minnelijke ontbinding - Wederoverdracht. 03. - Het feit dat twee, door de provinciegouverneur goedgekeurde, O.C.M.W.-raadsbeslissingen duidelijk een verkoop inhouden van eenzelfde onroerend goed, kan slechts verklaard worden door de minnelijke vernietiging/ontbinding van de eerste overeenkomst en het totstandkomen van een tweede, nieuwe overeenkomst. De minnelijke vernietiging/ontbinding van de oorspronkelijke overeenkomst heeft geen invloed op de vorderbaarheid van het op deze overeenkomst verschuldigde evenredig recht. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, dd. 26 september 1996, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, dd. 9 november 1998 - bl. nr. E.E./93.614) ----------
Nummer R 44/30-04 30. - Minnelijke ontbinding - Wederoverdracht. 04.- De rechtbank verwijst naar het ‘Rechtspraakoverzicht Registratierechten (1992-1999) van de hand van Luc BOEYNAEMS. Als indirecte belasting kent het W. Reg. het begrip inkohiering niet, en de eigen specifieke aanslagtermijnen van het WIB zijn niet van toepassing inzake registratierechten. Zoals de administratie correct aangeeft, volgt de registratieverplichting uit het bestaan van een overeenkomst. Het registratierecht treft niet de overdracht maar wel de overeenkomst die de overdracht verwezenlijkt (Antwerpen, 22 maart 1993, F.J.F., 93/285; Rb. Mechelen, 19 november 1992, 29/7). Een eventuele nietigheid van een verkoopovereenkomst belet de heffing van het registratierecht niet. Ook een minnelijke verbreking van de overeenkomst voordat het komt tot het notariële verlijden , belet de heffing niet (Antwerpen, 7 juni 1999, R.G.E.N., 2000, 273; Rb. Brugge, 16 maart 1993, F.J.F., 92/202), en duid zelfs op een overeenkomst van wederoverdracht, die op haar beurt een (nieuwe) heffingsgrond vormt. Zo ook duidt de vaststelling, dat de verkoper hetzelfde goed naderhand verkoopt aan een andere persoon dan de verkoper (Rb. Aarlen, 22 januari 1992, R.G.E.N., 1992, 285, noot) (BOEYNAEMS, L., “Rechtspraakoverzicht Registratierechten (1992-1999)”, T.F.R., nr. 187, 1 oktober 2000, 783). De minnelijke ontbinding van de verkoopovereenkomst verhindert de verschuldigdheid van de registratierechten niet. (Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, dd. 20 december 2011, nr. E.E./98.704) ---------- JANUARI 2013 - 159/5-3
Nummer R 44/31-01 31. - Ruil van appartementen in een gebouw onder het regime van de medeëigendom. 01. - De zogenaamde ruil van een aandeel in de grond tegen een ander aandeel in dezelfde grond bij de ruil van appartementen in een zelfde gebouw vormt een zuivere fictie die niet met de werkelijkheid overeenstemt. Inderdaad de bij de appartementen behorende aandelen, hebben geen betrekking op een voor elk appartement bepaald en gelocaliseerd aandeel of op een welbepaalde plaats van de grond doch wel op het geheel van de grond. De heffing van het registratierecht op de onverdeelde delen met de hoogste waarde en niet uitsluitend op de aangroei van aandelen miskent de regel "non bis in idem". (Arrest van het hof van beroep te Brussel, van 4 november 1991, Rec. gén., nr. 24.125. - bl. nr. E.E./87.274) ----------
Nummer R 44/32-01 32. - Gelijktijdige afstand aan dezelfde persoon van het recht van erfpacht en van de gebouwen (door de erfpachter) en van het met erfpacht bezwaarde onroerend goed (door de grondeigenaar). 01. - Voor zover de geviseerde handeling bestaat uit een afstand door de erfpachter en door de grondeigenaar van al hun rechten (daarin begrepen het recht van erfpacht) kan men beschouwen dat er in hoofde van de koper vermenging is. Heffing : b) 0,2 pct. op de voor de overdracht van het recht van erfpacht betaalde prijs en op het bedrag van de vergoedingen en de lasten voor de nog te lopen periode. c) 12,5 pct. of 10 pct. op de overeengekomen waarde van de door de erfpachter opgerichte gebouwen, met minimum hun verkoopwaarde op de dag van de overeenkomst. (Besl. van 17 juni 1992, nr. E.E./93.243, verduidelijkt door een beslissing van 31 juli 2007, nr. 101.604) ----------
Nummer R 44/33-01 33. - Zuivering na vrijwillige vervreemding van een met hypotheek bezwaard onroerend goed. 01. - De Hypotheekwet biedt de nieuwe eigenaar, die verwierf bij vrijwillige vervreemding, de mogelijkheid een speciale procedure "zuiveringsprocedure" genoemd in te stellen, om zijn nieuw verworven goed vrij van hypotheek te maken (art. 109 e.v. Hypotheekwet). Deze procedure maakt het voor de koper mogelijk zijn aankoopprijs aan te bieden aan de ingeschreven schuldeisers, om op die manier het onroerend goed vrij van hypothecaire inschrijvingen te maken. De schuldeisers kunnen dan twee houdingen aannemen:
De mogelijkheid voor de schuldeisers om van de procedure van hoger bod gebruik te maken na een vrijwillige vervreemding kan niet worden aangezien als een opschortende voorwaarde waaraan de vrijwillige vervreemding onderworpen is. De toewijzing waartoe overgegaan wordt ten gevolge van het hoger bod brengt bijgevolg de ontbinding van de vrijwillige vervreemding tot stand. De dubbele heffing wordt vermeden door artikel 159, 2° alinea 2 van het Wetboek der registratierechten dat bepaalt dat "worden van het evenredig recht vrijgesteld en aan het algemeen vast recht onderworpen de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop, van roerende of onroerende goederen, wanneer zij geen aanleiding geven tot de heffing van een hoger evenredig recht dan datgene geheven op de vorige toewijzing. In tegenovergesteld geval wordt laatst bedoeld recht afgerekend van het bedrag van de belasting waartoe de daaropvolgende toewijzing aanleiding geeft. Hetzelfde regime is van toepassing op toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen schorsende voorwaarde uitmaakt." Evenwel indien, bij de toewijzing na hoger bod, het goed toegewezen wordt aan de oorspronkelijke koper, is het recht overeenkomstig de regels vervat in artikel 13 ("non bis in idem") slechts verschuldigd, volgens het tarief op datum van de toewijzing, op het verschil van de prijs ende lasten van de toewijzing en de oorspronkelijk belaste grondslag. (Beslissing van 1 april 1993, nr. E.E./93.673) ---------- OKTOBER 1993 - 159/9
Nummer R 44/34-01 34. - Chalet. 01. - Het onroerend karakter van een goed dient beoordeeld te worden in functie van zowel de vereniging van de constructie met de grond als het duurzaam karakter der geplaatste constructie. In theorie is immers bijna iedere constructie verplaatsbaar doch uit de constructie zelf kan blijken dat zij bedoeld is om op duurzame wijze ter plaatse te blijven. In casu blijkt uit de bijgebrachte stukken dat de chalet, ook al zouden er wielen onder geplaatst zijn, moeilijk verplaatsbaar is tenzij door middel van belangrijke werken. Verder is deze chalet met omringende tuin der wijze geconcipieerd dat zij als een permanente constructie dient beschouwd te worden. Het ontbreken van fundamenten is ten deze niet doorslaggevend. De overdracht van bedoelde chalet is derhalve aan het onroerend mutatierecht onderworpen. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, dd. 25 februari 1994. - bl. nr. E.E./93.469) ----------
Nummer R 44/35-01 35. – Afstand van het recht van erfpacht op de grond en van de door de erfpachter opgerichte gebouwen. 01. - Aangezien de eigenaar verzaakt heeft aan het recht van natrekking gedurende de gehele duur van de erfpacht, heeft de erfpachter de volle eigendom van de door hem opgerichte gebouwen tot het einde van het contract. Ter zake was de werkelijke bedoeling van de partijen bij het afsluiten van het contract wel degelijk de afstand van een deel van het recht van erfpacht op het met erfpachtbezwaarde erf en van de tijdelijke eigendom van de er opgerichte gebouwen. Wanneer de erfpachter, eigenaar van de gebouwen die hij heeft opgericht, tegelijkertijd zijn erfpachtrecht en de eigendom van de gebouwen overdraagt, is er, naast het recht van verhuring op het bedrag van de nog te lopenvergoedingen, het verkooprecht verschuldigd op de prijs of de waarde van de gebouwen, tenzij ze worden overgedragen om te worden afgebroken. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, dd. 9 juni 1994, Rec. gén., nr. 24.431.- bl. nr. E.E./87.348) ----------
Nummer R 44/35-02 35. - Stacaravan. 02. - Wanneer bij de overdracht vaneen terrein, daarop een stacaravan is gevestigd, dient het volgende onderscheid te worden gemaakt:
Wat het begrip incorporatie betreft, wordt verwezen naar Repertorium RJ, R 44, 35.03. Wat de eventuele toepassing betreft van het verminderd recht op het ogenblik van de verkrijging van een dergelijk goed, wordt verwezen naar Repertorium RJ R 53, 2°, 12.01. (Besl. van 24 augustus 2000, nr. E.E./97.986, waarbij de besl. van 16 maart 1998, nr. E.E. 96.358, wordt verduidelijkt.) --------- JULI 2001 - 159/11-3
Nummer R 44/35-03 35. - Stacaravan. 03. - Artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat onroerend uit hun aard zijn gronderven en gebouwen. Het begrip "gebouw" moet daarbij zeer ruim worden opgevat in de zin dat het niet alleen wijst op een geheel of gedeeltelijk omsloten ruimte bestemd voor bewoning, werk of bergplaats, of voor velerlei ander gebruik doch ook op bouwwerken die in de grond gebouwd zijn, aan de grond bevestigd zijn, erin vastzitten of er een steun vinden ten behoeve van de stabiliteit. Het civielrechtelijk begrip, "gebouw" onderging een bepaalde ontwikkeling in die zin dat de incorporatievereiste met de grond werd versoepeld. In het licht van de nieuwe bouwtechnieken moeten gebouwen die aan de grondzijn vastgehecht en bedoeld zijn om ter plaatse te blijven, eveneens als gebouwen worden aangemerkt. Ook bij het publiekrechtelijk begrip "bouwen" werd de incorporatievereiste versoepeld. Het volstaat dat de constructie door eigen gewicht stabiel is en ter plaatse kan blijven staan. Steun op de grond ten behoeve van de stabiliteit en de bestemming om ter plaatse te blijven, zijn criteria die in artikel 44, §1 Stedenbouwwet werden opgenomen, ook al kan de constructie uit elkaar genomen worden of verplaatst worden. Uit de aangehaalde feitelijke argumenten is op afdoende wijze gebleken dat de stacaravan bestemd was om te blijven staan. Het ging om duidelijk afgebakende percelen met afsluiting in platen van hout of PVC en/of haag. De caravans werden met het oog op de stabiliteit geplaatst op beton dallen of werden gestut, terwijl in 85 % van de gevallen een terras werd aangebouwd. De feitelijke gegevens wijzen verder uit dat de inrichting zodanig was dat de stacaravan geschikt was om de gebruikers voortdurend onderdak te verlenen (living, keuken meerdere slaapkamers, aansluiting op alle nutsvoorzieningen) en eigenlijk tot permanent gebruik geschikt was. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de stacaravans als gebouwen moeten worden aangemerkt zodat de aangevoerde argumentatie dat de stacaravans een roerend karakter hebben, niet dienend is. (Arrest van het hof van beroep te Gent, elfde kamer, dd. 16 maart 2000, geveld naar aanleiding van een betwisting omtrent de heffing van de onroerende voorheffing, dossier nr. E.E./97.986) ----------
Nummer R 44/36-01 36. 01. - Beslissing geschrapt.
Nummer R 44/37-01 37. – Decreet van de Vlaamse Raad van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering en uitvoeringsbesluit van 5 maart 1996. 01. - Vernietiging in der minne van de compromis getekend zonder bodemattest. Vermits de Administratie geen rechter is over de geldigheid van de akten, geeft een akte die titel verschaft van een overeenkomst die onderworpen is aan het registratierecht aanleiding tot de heffing van dit recht welke ook de oorzaak van een eventuele nietigheid moge zijn (relatieve of absolute). Niettemin staat de Administratie toe dat van de vordering van het recht moet worden afgezien indien, vóór de heffing, de partijen het bewijs leveren dat de overeenkomst in der minne werd vernietigd en dat de nietigheid het gevolg was van een feit waarvan het bestaan niet kan worden betwist. De afwezigheid van een bodemattest kan worden beschouwd als een oorzaak van openlijke nietigheid van een verkoopcompromis. (Besl. van 18 maart 1997, nr. E.E./95.742) ----------
Nummer R 44/38-01 38. – Inbreng in vennootschap van studentenkamers. 01. - Een studentenkamer kan beschouwd worden als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend of voor bewoning bestemd is, zodat bij inbreng in vennootschap door een natuurlijke persoon in principe het bij art. 44 W. Reg. bepaalde recht van 12,5 pct. verschuldigd is. (cf. ook decreet van het Vlaams Parlement van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers, B.S. 7 maart 1997). (Beslissing van 14 april 1998, nr. E.E./95.888) ----------
Nummer R 44/39-01 39. – Inbreng door een natuurlijk persoon van een appartement - Bewijs van de aanwending en/of bestemming. 01. - De inbreng van een in België gelegen onroerend goed door een natuurlijk persoon is in principe onderworpen aan het recht van 12,5 % overeenkomstig artikel 44 W. Reg. Art. 115bis W. Reg. voorziet in een uitzondering, met name de onderwerping aan een recht van 0,5 % van de inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of daartoe bestemd zijn. Aanlegster, die zich beroept op deze uitzondering, behoort daar ook het bewijs van te leveren. Voor de beoordeling van de aanwendingen/of bestemming van het ingebrachte onroerend goed is de toestand op het ogenblik van inbreng zelf bepalend. Het ingebrachte goed betreft een appartement. Bij het bouwen ervan werd als bestemming het bewonen ervan beoogd en het werd daaropvolgend effectief betrokken. Aanlegster blijft in gebreke het bewijs te leveren van de toepasselijkheid van artikel 115bis W.Reg. overwegende dat :
(Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 16 oktober 1998, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 6 november 2000 – bl nr. E.E./95.668). ----------
Nummer R 44/40-01 40. – Verkoop van de gebouwen met vestiging van een recht van opstal op de grond. 01. - Appellante voert aan dat de verkoop van het gebouw zonder de grond in feite de rechtstreekse vestiging van een recht van opstal is en dat het bijgevolg ten onrechte is dat de Staat het recht van 12,5 % voorzien in artikel 44 W. Reg. toegepast heeft. De werkelijke wil van partijen was dat de overdrager eigenaar zou blijven van de ondergrond terwijl de eigendom van het gebouw dat hij zelf opgericht had, zou overgedragen worden tegen een som geld. Het is inderdaad zo dat bij de vestiging van een recht van opstal op reeds bestaande gebouwen waarbij de opstalhouder geen prijs betaalt aan de grondeigenaar, hij niettemin tijdelijk, namelijk voor de duur van zijn opstalrecht, en mits zekere beperkingen, eigenaar wordt. Deze eigendomsoverdracht wordt gedekt door het recht van 0,2 %. Ter zake is het echter anders gegaan. De betwiste overeenkomst dient immers ontleed te worden als de verkoop van het gebouw, zonder de grond waarop het is opgericht, gepaard aan de vestiging van een opstalrecht. De artikelen 15, 44 en 83 W. Reg. dienen daarom gecombineerd te worden. Het gevolg hiervan is dat het recht van 12,5 % in elk geval dient geheven te worden op de verkoop van de opslagplaats, met uitsluiting van de grond waarop zij is opgericht. (Arrest van het Hof van beroep te Luik, tiende kamer, 3 december 1998 - nr. E.E./94.745) ----------
Nummer R 44/41-01 41. – Niet aangeboden akte. 01. - Eiseres stelt dat de registratierechten niet verschuldigd zijn omdat de onderhandse verkoopakte niet ter registratie aangeboden geweest is, zodat het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de opvorderbaarheid van genoemde rechten nooit heeft plaats gehad. Volgens de artikels 19, 2° , en 32 W.Reg. moeten de akten houdende overdracht van eigendom van onroerende goederen verplicht geregistreerd worden binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van hun ondertekening. Volgens artikel 5 W. Reg., geschiedt de registratie slechts na betaling van de rechten en eventueel van de boeten, terwijl artikel 35 W. Reg. bepaalt welke personen gehouden zijn tot aanbieding ter registratie van de akten of verklaringen. Op grond van deze wettelijke bepalingen moest het registratierecht, met name door eiseres, betaald zijn ten laatste op het einde van een termijn van vier maanden te rekenen van de ondertekening van de onderhandse akte. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dinant, dd. 20 januari 1999, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Luik, dd. 26 juni 2001 - bl. nr. E.E./90.523) ----------
Nummer R 44/42-01 42. - Schenking vermomd onder de vorm van verkoop. 01. - De in de notariële verkoopakte van een onroerend goed, met voorbehoud van het vruchtgebruik door de verkoper, bedongen prijs voor de naakte eigendom van 3.220.000 BEF wordt geacht betaald te zijn ten belope van 1.200.000 BEF wegens door de kopers aan de verkoper en zijn overleden echtgenote geleverde diensten gedurende de drie jaren voorafgaand aan de akte, het saldo van de prijs, hetzij 2.020.000 BEF, wordt omgezet in verschillende, in de akte omschreven, door de kopers te verrichten diensten in het voordeel van de verkoper gedurende zijn hele leven. Er werd gevonnist dat het bewijs is geleverd dat het slechts gaat om een schijnverkoop omdat, wanneer de tegenprestatie van de vervreemding van de zaak bestaat uit een of meerdere verbintenissen om iets te doen, zoals diensten die de ene partij op zich neemt als tegenprestatie voor de overdracht van de eigendom van een zaak door de andere partij, en niet uit een geldsom, er geen prijs is en dus ook geen verkoop aangezien de prijs een essentieel bestanddeel van de verkoop is. De omstandigheid dat de overeenkomst voorziet dat de diensten die geacht worden het saldo van de prijs uit te maken, naar believen van elke partij, kunnen omgezet worden in een maandelijkse rente, heeft niet als gevolg aan deze overeenkomst haar oorspronkelijke kwalificatie terug te geven, maar maakt integendeel een wezenlijk bestanddeel van de akte uit, dat wijst op een opzettelijke veinzing met het oogmerk de werkelijk verschuldigde rechten te ontduiken. Dit geldt ook voor een latere onderhandse overeenkomst die moet verworpen worden aangezien ze duidelijk werd afgesloten om er zich uit te redden. Aangezien de kopers er niet in slagen de afwezigheid van een vrijgevige bedoeling te bewijzen of aan te tonen dat bij ontstentenis van verkoop de betwiste akte een andere overeenkomst vermomt, opteert de Administratie er terecht voor de rechtshandeling als een schenking te beschouwen, wat haar toelaat de bijrechten te vorderen overeenkomstig artikel 131 van het Wetboek der registratierechten en de boete van artikel 204 toe te passen. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 10 oktober 2000, Rec.gén., nr. 25.096 - bl. nr. E.E./96.641) Het Hof van beroep oordeelt daarentegen dat wanneer de diensten de tegenprestatie van de overdracht van de eigendom van iets vormen, het gaat om een onbenoemd contract en noch om een verkoop, noch om een gift. In casu echter, maakt de betwiste authentieke akte melding van een verkoopprijs (omgezet in diensten). Bovendien acht het hof dat het aantonen van de animus donandi door middel van vermoedens niet volstaat om te besluiten dat het om een gift gaat; men moet eveneens de verarming van de beschikker ende correlatieve verrijking van de begiftigde aantonen. Het Hof oordeelde dat het om een verkoop ging. (Arrest van Beroep te Bergen, dd. 27 oktober 2005, bl. nr. E.E./96.641) ----------
Nummer R 44/43-01 43. - Affectatierecht. 01. - Het affectatierecht is een begrip voorkomend in gemeentelijke belastingreglementen en dat betrekking heeft op het ontbreken van parkeerplaatsen. In die reglementen is voorzien dat alle nieuwe woongelegenheden moeten worden gelinkt aan een parkeerplaats, zo niet wordt er een boete per ontbrekende parkeerplaats opeisbaar. In deze casus draagt de vennootschap A voor een prijs van 28.000 EUR het affectatierecht voor 35 nog te bouwen garages over aan de vennootschap B, welke volledig vrij zelfde garages zal kunnen affecteren aan privatieven naar haar keuze. De akte waarbij die overdracht wordt vastgesteld houdt geen overdracht in van eigendom of vruchtgebruik van een in België gelegen onroerend goed, zodat ze buiten het toepassingsgebied van artikel 44 W. Reg. valt en slechts aan het algemeen vast recht onderworpen is. (Besl. van 27 juni 2006, nr. E.E./101.591) ----------
Nummer R 44/44-01 44. – Inbreng in een burgerlijke maatschap door een natuurlijke persoon van een onroerend goed dat voor bewoning is bestemd of aangewend. 01. - Een ouderpaar en hun kinderen brengen onroerende goederen in een burgerlijke maatschap in. De ingebrachte goederenzijn een villa en een bouwgrond. Het aandeel van iedere gerechtigde in de onroerende goederen wijzigt niet. Het inbrengrecht is verschuldigd ongeacht de aanwezigheid van eigendomsoverdracht. De inbreng door natuurlijke personen van onroerende goederen bestemd of aangewend voor bewoning valt echter onder artikel 44 e.v. W. Reg. Art. 44 W. Reg. Vereist eigendomsoverdracht. Op de inbreng van de villa door de natuurlijke personen is het verkooprecht niet verschuldigd wegens afwezigheid van eigendomsoverdracht. Ook het inbrengrecht kan op deze inbreng niet gevorderd worden gelet op de preciese bewoordingen van art.115bis W. Reg. die dergelijke inbreng wegens aard van het goed en de persoon van de inbrenger uitsluiten. De inbreng van de bouwgrond valt niet onder art. 44 W. Reg. Doch onder art. 115bis W. Reg. Artikel 115bis W. Reg. vereist geen eigendomsoverdracht. Op de inbreng van deze bouwgrond is het evenredig inbrengrecht verschuldigd. (ten tijde van de inbreng 0,5%) (Besl. van 25 mei 2007 - bl. nr. E.E./101.003) ----------
Nummer R 44/45-01 45. – Verkoopovereenkomst onder opschortende voorwaarde van belofte van handlichting door de schuldeisers - Overdracht van voorwaardelijke rechten - Heffing. 01. – Een verkoopovereenkomst betreffende een onroerend goed wordt gesloten waarin de koper een opschortende voorwaarde stipuleert van belofte van handlichting door de schuldeisers (d.w.z. een voorwaarde het akkoord te bekomen van de ingeschreven schuldeisers om handlichting te verlenen). Vóór de ondertekening van de authentieke akte draagt de koper de voorwaardelijke rechten over die hij bezit uit hoofde van de overeenkomst. De authentieke akte stelt de verkoop vast tussen de oorspronkelijke verkoper en de tweede koper. Vermits de administratie aanneemt dat bij achtereenvolgende overdrachten onder levenden van voorwaardelijke rechten pendente conditione bij de vervulling van de opschortende voorwaarde enkel de laatste overdracht onderworpen is aan het registratierecht, is het evenredig verkooprecht dus slechts eenmaal verschuldigd. Mocht evenwel blijken dat de opschortende voorwaarde frauduleus is, m.a.w. slechts werd gestipuleerd met het doel een onroerend goed over te dragen door middel van een overdracht van voorwaardelijke rechten en aldus een dubbele betaling van het evenredig recht te ontwijken, is er sprake van veinzing. In dat geval wordt de verkoopovereenkomst onder opschortende voorwaarde belast als een eenvoudige en zuivere verkoop en is elke partij in de overeenkomst een boete verschuldigd gelijk aan het ontdoken recht. (Besl. van 17 april 2008, nr. E.E./102.539) ----------- OKTOBER 2008 - 159/21
Nummer R 44/46-01 46. – Inbreng in een buitenlandse vennootschap door een natuurlijke persoon van een onroerend goed dat voor bewoning is bestemd of aangewend. 01. - Het registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap is, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 6° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, een gewestelijke belasting. De inbreng van een onroerend goed dat tot bewoning aangewend wordt of bestemd is door een natuurlijke persoon in een buitenlandse vennootschap bleef dus een federale bevoegdheid, waardoor in principe het federale recht van 12,50 % op dergelijke inbreng verschuldigd is. Een buitenlandse vennootschap wordt, ingevolge de betrokken bepaling van de bijzondere financieringswet, bij de inbreng door een natuurlijke persoon van een in het Vlaams Gewest gelegen onroerend goed dat tot bewoning aangewend wordt of bestemd is, ongunstiger behandeld dan een Belgische vennootschap. Dergelijk verschil in behandeling is strijdig met de niet-discriminatiebepalingen in het gemeenschapsrecht. In afwachting van een wettelijke oplossing voor deze discriminatie wordt bij de heffing op de inbreng door een natuurlijke persoon van een in België gelegen onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning aangewend wordt of bestemd is, geen onderscheid gemaakt tussen de inbreng in een Belgische vennootschap en deze in een vennootschap die is opgericht volgens en onderworpen is aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte heeft. Op de inbreng door een natuurlijke persoon van een in het Vlaams Gewest gelegen woning in een Luxemburgse vennootschap is derhalve het federale recht verschuldigd doch beperkt tot het tarief van 10 % geldend in het Vlaams Gewest. De inbreng door een natuurlijke persoon van een in het Vlaams Gewest gelegen woning in een niet-EER-vennootschap blijft onderworpen aan het federale recht van 12,50 %. (Besl. 23 juni 2008, nr. E.E./102.564, gewijzigd bij besl. 3 mei 2011.) ---------- APRIL 2012 - 159/22
Nummer R 44/47-01 47.- Wettelijke subrogatie 01.- De nalatenschap van de cujus vervalt aan zijn twee dochters, die aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. Het actief bevatte onder meer 15/35 BE in een appartement, het passief bevatte o.a. achterstallige onderhoudsgelden aan de voormalige echtgenote – moeder van de erfgenamen. In de notariële akte houdende opstelling van een inventaris en een evenredige verdeling wordt het onroerend goed verkregen door de erfgenamen. Niettegenstaande de erfgenamen – eiseressen de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardden, hebben zij met eigen penningen een gedeelte van de schulden van de nalatenschap betaald, namelijk de achterstallige onderhoudsgelden aan hun moeder. Hierdoor zijn zij van rechtswege gesubrogeerd in de rechten van hun moeder. Krachtens artikel 1249 BW geschiedt indeplaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten voordele van een derde persoon die hem betaalt, bij overeenkomst of krachtens de wet ; krachtens artikel 1251,4° BW geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, die met zijn eigen penningen de schulden van de nalatenschap betaald heeft. Als gesubrogeerden oefenen de erfgenamen geen eigen rechten uit, maar oefenen zij de rechten uit van degene in wiens plaats zij zijn getreden en van wie zij de rechten bij wege van indeplaatsstelling hebben verkregen. In de notariële akte werd het onroerend goed dan ook niet aan eiseressen toebedeeld in hun hoedanigheid van erfgenamen, maar wel doordat zij de rechten van hun moeder uitoefenden ingevolge wettelijke subrogatie. Bijgevolg heeft de notariële akte een overdragend karakter onder bezwarende titel zodat hierop terecht het evenredig registratierecht van artikel 44 W.Reg. werd toegepast. (Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, dd. 19 december 2008, bevestigd door een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 19 januari 2010 – bl. nr. EE/102.554) ---------- JULI 2010 - 159/23
Nummer R 44/48-01 48. - Lokalisatiecriterium bij ruil 01. - Als bij een ruil de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn, wordt het recht gelokaliseerd in het gewest waartoe het ontvangkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is (artikel 5 § 2, 6°, tweede lid van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten). Wanneer de onroerende goederen die het voorwerp van de ruil zijn, slechts gedeeltelijk bij de ruil betrokken zijn, moet dat kadastraal inkomen slechts voor dat deel in aanmerking genomen worden om te bepalen in welk gewest de belasting gelokaliseerd wordt. Voorbeeld Ruil van 1/2 volle eigendom van een onroerend goed te Oostende (KI € 1.200) tegen 1/1 volle eigendom van een onroerend goed te Namen (KI € 1.100). Het ontvangkantoor in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is, is het kantoor Namen. Het recht wordt bijgevolg gelokaliseerd in het Waals Gewest. (Besl. 18 maart 2003, nr. E.E./L 105) ---------- JANUARI 2012 - 159/24
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||