Arrest nr. 131/99 van het Arbitragehof dd. 07.12.1999

Datum :
07-12-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Gelijkheidsbeginsel,Discriminatie,Bijzondere heffing op roerende inkomsten

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest nr. 131/99 van het Arbitragehof dd. 07.12.1999
Arrest nr. 131/99 van het Arbitragehof dd. 07.12.1999
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest nr. 131/99 van het Arbitragehof dd. 07.12.1999
Tax year : 2005
Document date : 07/12/1999
Document language : NL
Name : ARB 99/2
Version : 1
Court : arbitration

ARREST ARB 99/2


Arrest nr. 131/99 van het Arbitragehof dd. 07.12.1999



FJF 2000/1

Gelijkheidsbeginsel - Discriminatie - Bijzondere heffing op roerende inkomsten

    Het artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 dat een bijzondere heffing op de roerende inkomsten invoert, is in zijn bewoording voorafgaand aan de Wet van 7 december 1988, strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Deze heffing strekte ertoe op forfaitaire wijze bepaalde neveneffecten van de bevrijdende aard van de roerende voorheffing te neutraliseren of m.a.w. de excessieve fiscale gunsten te matigen die uit de deglobalisatie voortvloeiden. Aangezien de interesten van buitenlandse oorsprong die in België geen roerende voorheffing ondergaan, moeten worden aangegeven en afzonderlijk worden belast tegen het tarief van de roerende voorheffing, kan niet worden verantwoord dat zij niet in aanmerking zouden worden genomen voor de berekening van de heffing die ertoe strekt de deglobalisatie van de inkomsten waarop zij betrekking heeft te compenseren, deglobalisatie die de progressiviteit van de belasting stopt.

    Het artikel 11 van de Wet van 16 april 1997 heft het artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 op en regelt de terugbetaling van de heffingen die werden geïnd tijdens de aanslagjaren 1990 tot 1994 teneinde een concreet gevolg te geven aan het arrest van het Arbitragehof dat deze bepaling voor deze aanslagjaren had vernietigd. De mogelijkheid tot terugbetaling wordt echter voorbehouden aan alle belastingplichtigen die, volgens de voorgeschreven vormen, de aanslag waarvan zij het voorwerp waren, hebben betwist en tot hen alleen. Deze bepaling is strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel omdat zij op een discriminerende manier het toepassingsgebied van de terugbetalingsmaatregel vaststelt vermits, enerzijds het motief voor het bezwaar of het beroep vreemd kan zijn aan datgene waarop het Arbitragehof zich heeft gebaseerd en, anderzijds aan een belastingplichtige die vertrouwen heeft in de geldigheid van de bepalingen die op hem van toepassing zijn, niet kan worden verweten dat hij zich daarbij neerlegt in de plaats van de grondwettigheid ervan te betwisten.



Voorzitters : M. Melchior, M. De Baets
Rechters : M. Boel, M. François, M. Delruelle, M. Coremans, M. Bossuyt
Advocaten : Mr. Lambot, Mr. Ketelaer loco Mr. Lombart, Mr. Vandeputte loco Mr. Tasset

D. en D.
tegen
de Belgische Staat

I.  Onderwerp van de prejudiciële vragen

a) Bij arrest van 18 november 1998 in zake D. en D. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 november 1998, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :
«Schenden artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 in zijn oorspronkelijke versie en de Wet van 16 april 1997 die de bijzondere heffing afschaft die is voorgeschreven bij dat artikel 42 dat later werd gewijzigd zoals hiervoor aangegeven, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat :
- artikel 42 een discriminatie zou invoeren tussen de interesten van buitenlandse oorsprong en de interesten van Belgische oorsprong, vermits de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen als bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen onderworpen zijn aan de bijzondere heffing boven 1 100 000 frank zonder een onderscheid te maken naargelang zij van Belgische of buitenlandse oorsprong zijn, aangezien de inkomsten van alle schuldvorderingen of in bewaring gegeven geldsommen als bedoeld in artikel 11, 1º tot 3º en 7º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, van Belgische oorsprong, aan de heffing onderworpen zijn zodra het nettobedrag ervan 316 000 frank overschrijdt ?
- artikel 11 van de Wet van 16 april 1997 de afschaffing van de bijzondere heffing beperkt tot de bijzondere heffingen verschuldigd vanaf het aanslagjaar 1995 en tot de heffingen met betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen een bezwaarschrift is ingediend of een hoger beroep of een beroep in cassatie is ingesteld, met uitsluiting van de heffingen die verschuldigd waren vóór die aanslagjaren ?»
Die zaak is ingeschreven onder nummer 1471 van de rol van het Hof.
b) Bij vonnis van 2 december 1998 in zake L. en D. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 december 1998, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
«Is artikel 11, lid 3, van de Wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen luidende als volgt : «Dit artikel (artikel 9 van de Wet van 16 april 1997) is eveneens van toepassing op de bijzondere heffing met betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in artikel 272 [van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of in artikel 371] van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel een hoger beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan op de datum waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt», strijdig met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die wetsbepaling een onderscheid maakt tussen de betalingsplichtigen die een bezwaarschrift hebben ingediend of een hoger beroep of een beroep in Cassatie ingesteld hebben en diegenen die het niet gedaan hebben ?»
Die zaak is ingeschreven onder nummer 1486 van de rol van het Hof.

II.  De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

In de zaak met rolnummer 1471 hebben de verzoekers voor de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen beslissingen van de ambtenaar gemachtigd door de directeur der directe belastingen van de provincie Luik betreffende met name de bijzondere heffingen op de roerende inkomsten van de aanslagjaren 1985 tot 1987.
Met verwijzing naar het arrest nr. 74/95 van 9 november 1995 voeren zij aan dat de tekst die in die bijzondere heffing voorziet (artikel 42 van de Wet van 28 december 1983) een discriminerend karakter heeft doordat hij de interesten van Belgische oorsprong benadeelt ten opzichte van de interesten van buitenlandse oorsprong, vermits de interesten van Belgische oorsprong onder de heffing vallen zodra zij het bedrag van 316 000 frank bereiken terwijl de interesten van buitenlandse oorsprong slechts onder die belasting vallen indien zij 1 100 000 frank bedragen; erop wijzend dat artikel 42, gewijzigd bij de Wet van 7 december 1988 die daarin een analoge discriminatie handhaafde, door het Hof werd gecensureerd, verzoeken zij de verwijzende rechter de betwiste heffingen te vernietigen.
Het Hof van Beroep te Luik heeft aan het Hof de prejudiciële vraag gesteld in de bewoordingen zoals hierboven vermeld.
In de zaak met rolnummer 1486 hebben de eisers voor de feitenrechter de Staat burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld door aan te voeren, enerzijds, dat zij in 1991, 1992 en 1993 werden verplicht de betwiste heffing te betalen terwijl de wettelijke basis ervan - de Wet van 28 december 1983 - door het Arbitragehof in strijd werd geoordeeld met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en, anderzijds, dat de Staat nalaat het in 1996 ingediende verzoek tot ambtshalve ontheffing te onderzoeken. De Rechtbank merkt op dat de betwiste heffing bij de Wet van 16 april 1997 is afgeschaft maar dat die wet door eisers wordt aangevochten in zoverre zij een discriminatie onder de Belgen tot stand brengt naargelang zij al dan niet bezwaarschrift hebben ingediend of een hoger beroep of een beroep in cassatie hebben ingesteld tegen de beslissingen die daarop betrekking hebben. De Rechtbank heeft hun verzoek ingewilligd en aan het Hof de hierboven vermelde prejudiciële vraag gesteld.

III.  De rechtspleging voor het Hof

Bij beschikkingen van 26 november 1998 en 14 december 1998 heeft de voorzitter de functie de rechters van de zetels aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.
Bij beschikking van 16 december 1998 heeft het Hof de zaken samengevoegd.
Van de verwijzingsbeslissingen is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 29 december 1999 ter post aangetekende brieven.
Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 januari 1999.
Memories zijn ingediend door :

- D. en D., samenwonende te 4052 Chaudfontaine-Beaufays, Allée du Bois 19, bij op 12 februari 1999 ter post aangetekende brief;
- L. en D., samenwonende te 3090 Overijse, Grotstraat 32, bij op 12 februari 1999 ter post aangetekende brief;
- de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 12 februari 1999 ter post aangetekende brief.

Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 7 april 1999 ter post aangetekende brieven.
Bij beschikkingen van 28 april 1999 en 26 oktober 1999 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 26 november 1999 en 26 mei 2000.
Bij beschikking van 19 oktober 1999 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 10 november 1999.
Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 19 oktober 1999 ter post aangetekende brieven.
Op de openbare terechtzitting van 10 november 1999 :

zijn verschenen :
. Mr. D. Lambot, advocaat bij de balie te Brussel, voor D. en D.;
. Mr. L. Ketelaer loco Mr. A. Lombart, advocaten bij de balie te Brussel, voor L. en D.;
. Mr. R. Vandeputte, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. I. Tasset, advocaat bij de balie te Luik, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers M. François en M. Coremans verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- zijn de zaken in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

IV.  In rechte

- A -

Ten aanzien van artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen

A.1.1. Volgens de echtgenoten D.-D., voerde die bepaling reeds bij de aanvang een verschil in behandeling in, dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de interesten van buitenlandse oorsprong en de interesten van Belgische oorsprong, vermits enkel de laatstvermelde onderworpen werden aan de bijzondere heffing wanneer zij 316 000 frank bedroegen terwijl de drempel voor de inkomsten van buitenlandse oorsprong op 1 100 000 frank werd vastgesteld. Het verschil in behandeling tussen de inkomsten van Belgische oorsprong en de inkomsten van buitenlandse oorsprong vóór en na de wijziging die in artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 werd aangebracht door artikel 38 van de Wet van 7 december 1988 dient dat onderzoek te ondergaan om na te gaan of het in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

A.1.2. De echtgenoten D.-D. voeren ook aan dat de in het geding zijnde bepaling ertoe leidt de beleggingen in het buitenland te begunstigen ten opzichte van de beleggingen in België. Die regeling is nergens uitgelegd in de parlementaire voorbereiding van de wetten van 28 december 1983 en 7 december 1988. Bijgevolg vloeit het verschil in behandeling voort uit een duidelijke of evidente fout van de wetgever, die zich waarschijnlijk geen rekenschap heeft gegeven van dat verschil in behandeling. Dat verschil is niet verantwoord, omdat in het systeem van de bijzondere heffing op de roerende inkomsten de belastingplichtigen die interesten van Belgische oorsprong ontvangen en degenen die inkomsten van buitenlandse oorsprong ontvangen, geen twee onderscheiden categorieën van belastingplichtigen vormen op wie een verschillend belastingstelsel kan worden toegepast. Het gaat immers om hetzelfde type van inkomsten en de interesten van Belgische en buitenlandse oorsprong worden, met uitzondering van de bijzondere heffing, aan dezelfde fiscale last onderworpen, hetzij de roerende voorheffing afgehouden aan de bron, hetzij de onderscheiden aanslag in de personenbelasting, tegen hetzelfde tarief als dat van de roerende voorheffing.

A.1.3. Zij voeren ook aan dat de invoering van de bijzondere heffing werd verantwoord door de zorg om, in een zekere mate, het verschil in belasting tussen de inkomsten uit kapitaal en inkomsten uit arbeid te verminderen, zodat de ratio legis van de betwiste bepaling volkomen vreemd is aan het in het geding zijnde verschil in behandeling. Dat verschil kan des te minder worden verantwoord door het argument dat de belastingplichtige zichzelf vrijwillig in de bekritiseerde situatie zou hebben geplaatst door niet in het buitenland te beleggen of door de inkomsten die onder de bijzondere heffing vallen niet te herbeleggen onder de voorwaarden die bij de wet zijn voorgeschreven om die heffing te vermijden. Het verschil in behandeling tussen de interesten, naargelang zij van Belgische of buitenlandse oorsprong zijn, bevindt zich immers in de wet.

A.1.4. De echtgenoten D.-D. beweren tot slot dat de overwegingen van het arrest nr. 74/95 kunnen worden toegepast op de oorspronkelijke tekst van de in het geding zijnde bepaling en de belastingadministratie, die de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht dient te nemen, dient de toepassing van die bepaling, die het door dat arrest gecensureerde verschil in behandeling al bevatte, te weren.

A.1.5. De Ministerraad stelt vast dat het verwijt dat door het arrest nr. 74/95 wordt gemaakt aan artikel 42 van de Wet van 28 december 1983, gewijzigd bij de Wet van 7 december 1988 (namelijk het ontbreken van een verantwoording voor het verschil in behandeling van houders van inkomsten uit interesten van buitenlandse oorsprong en houders van inkomsten uit interesten van Belgische oorsprong) ook betrekking heeft op de oorspronkelijk redactie van dat artikel 42 en dat de parlementaire voorbereiding van de Wet van 28 december 1983 geen enkel element bevat dat dit verschil in behandeling kan verantwoorden; hij laat derhalve de beoordeling van dat onderscheid over aan de wijsheid van de leden van het Hof.

Ten aanzien van artikel 11 van de Wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen

A.2.1. Volgens het echtpaar D.-D. is de Wet van 1997 discriminerend indien blijkt dat artikel 42 van de Wet van 28 december 1983, vóór de wijziging ervan door de Wet van 7 december 1988, reeds een verboden discriminatie bevat : binnen de grenzen die zij vaststelt heft de eerste de tweede immers slechts op ten aanzien van de aanslagjaren 1990 tot 1995.

A.2.2. Volgens de echtgenoten L.-D. veroorzaakt artikel 11, derde lid, van de Wet van 1997 een discriminatie tussen de belastingplichtigen die een bezwaarschrift hebben ingediend of hoger beroep of beroep in cassatie hebben ingesteld en degenen die dat niet hebben gedaan, doordat de voorkeur wordt gegeven aan de eerstgenoemden terwijl de in tweede instantie genoemden geen reden hadden om een bezwaarschrift in te dienen tegen een belasting die, op het ogenblik waarop ze werd ingekohierd, in overeenstemming was met de toen geldende wetgeving en niet meer de mogelijkheid hadden om het te doen, gelet op de termijnen voor bezwaar, zodra het arrest nr. 74/95 was gewezen.
Volgens de echtgenoten L.-D. zou men weliswaar kunnen aannemen dat de economische gevolgen die voor de Staat voortvloeien uit de opheffing van een fiscale maatregel, zouden kunne verantwoorden dat die uitwerking heeft met een in de tijd beperkte terugwerking, op voorwaarde dat de genomen maatregel om de gevolgen van de opheffing in de tijd te beperken pertinent is in het licht van het nagestreefde doel; zulks is te dezen niet het geval : de terugwerking had moeten gelden voor alle belastingplichtigen voor de aanslagjaren 1990 tot 1994. De fiscale maatregel die belastingplichtigen die inkomsten van dezelfde aard hebben ontvangen, verschillend behandelt, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

A.2.3. Volgens de Ministerraad is het antwoord dat op de door het Hof van Beroep te Luik gestelde vraag moet worden gegeven, afhankelijk van het antwoord gegeven op de door dat Hof gestelde vraag met betrekking tot artikel 42 van de Wet van 28 december 1983; zoals voor de eerste vraag verwijst hij voor deze vraag dan ook naar de wijsheid van het gerecht en beklemtoont daarbij dat de wetgever met het aannemen van artikel 11, derde lid, van de Wet van 16 april 1997 zich volkomen heeft geschikt naar het dictum van het arrest van het Arbitragehof van 9 november 1995, dat uitsluitend betrekking had op artikel 42 van de Wet van 28 december 1983, gewijzigd bij de Wet van 7 december 1988, en dus op de bijzondere heffingen op de roerende inkomsten ingekohierd voor de aanslagjaren 1990 en volgende.

A.2.4. Vermits de parlementaire voorbereiding van de Wet van 16 april 1997 geen enkele aanwijzing bevat die het verschil in behandeling tussen belastingplichtigen kan verantwoorden naargelang zij al dan niet de in het geding zijnde aanslag hebben betwist, is de Ministerraad van oordeel, in het licht van de rechtspraak van het Hof, dat zij zich ook op dit punt dient te gedragen naar de wijsheid van het Hof.

- B -

B.1. Artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, opgeheven bij artikel 9 van de Wet van 16 april 1997, stelde een met de personenbelasting gelijkgesteld bijzondere heffing in ten name van de aan die belasting onderworpen belastingplichtigen van wie het nettobedrag van de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, vermeerderd met het nettobedrag van de inkomsten bedoelt in artikel 67, 4º tot 6º, van hetzelfde Wetboek, hoger is dan 1 110 000 frank (artikel 42, § 1, eerste lid). Naar gelang van de inkomstenschijven lag de heffing tussen 27 en 47 pct. (artikel 42, § 1, tweede lid).
Artikel 42, § 1, derde lid, bepaalde ook dat de inkomsten van alle schuldvorderingen en leningen en van in bewaring gegeven geldsommen bedoeld in artikel 11, 1º tot 3º en 7º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) bovendien belastbaar waren zodra het nettobedrag ervan hoger is dan 316 000 frank (artikel 42, § 1, derde lid). Naar gelang van de inkomstenschijven bedroeg de heffing 20 of 23 pct. Die bepaling beoogde niet de inkomsten uit buitenlandse roerende waarden, uit schuldvorderingen in het buitenland en uit het buitenland belegde geldsommen vermits zij niet verwees naar het 4) van artikel 11 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en van de elementen van het aan het Hof voorgelegde dossier in de zaak met rolnummer 1471 blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de kwestie of artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 al dan niet een discriminatie in het leven roept, in zoverre het de in België geïnde intresten op aan Belgische schuldenaars geleende bedragen aan de bijzondere heffing op de roerende inkomsten onderwerpt wanneer het nettobedrag van die intresten begrepen is tussen 316 000 en 1 110 000 frank terwijl het de van buitenlandse schuldenaars verkregen intresten die eenzelfde bedrag vertegenwoordigen, van dezelfde heffing vrijstelt.

B.3.1. De Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, die de in het geding zijnde heffing instelde, heeft aan de roerende voorheffing een bevrijdend karakter gegeven, dat de belas tingplichtige toestond zijn inkomsten die het voorwerp ervan waren, niet in zijn belastingaangifte te vermelden; zij heeft bepaald dat de andere inkomsten en opbrengsten uit roerende goederen en kapitalen en de daarmee gelijkgestelde diverse inkomsten, waarvoor geen roerende voorheffing aan de bron is afgehouden en die bijgevolg moeten worden aangegeven, afzonderlijk zouden worden belast tegen het tarief van de roerende voorheffing toen vastgesteld op 25 pct. (artikel 93, § 1, 1º bis, van het WIB).

B.3.2. Volgens het verslag in de Kamer strekt de betrokken heffing ertoe «op forfaitaire wijze bepaalde neveneffecten van de bevrijdende aard van de roerende voorheffing te neutraliseren» ( Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 758/15, p.49) of, volgens de verantwoording van het amendement dat aan de oorsprong ligt van de onderscheiden bedragen van 316 000 frank en 1 110 000 frank vastgelegde in de in het geding zijnde bepaling, «al te extreme fiscale gunsten die uit de deglobalisatie zouden voortvloeien, [af te zwakken]» ( ibid., p.51).

B.3.3. De reden waarom de inkomsten uit buitenlandse roerende waarden, uit schuldvorderingen in het buitenland en uit in het buitenland belegde geldsommen, bedoeld in artikel 11, 4º, van het WIB, niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de in het geding zijnde heffing, is tijdens de totstandkoming van de wet niet gegeven. Nu die inkomsten, waarop in België geen roerende voorheffing wordt ingehouden, moeten worden aangegeven en afzonderlijk worden belast tegen het tarief van de roerende voorheffing, kan niet worden verantwoord dat zij niet in aanmerking zouden worden genomen voor de berekening van een heffing die ertoe strekt de deglobalisatie van de inkomsten waarop zij betrekking heeft te compenseren, deglobalisatie die de progressiviteit van de belasting stopt.

B.4. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste gedeelte van de prejudiciële vraag gesteld in de zaak met rolnummer 1471 bevestigend moet worden beantwoord.

B.5.1. Het Hof wordt ook ondervraagd over het verschil in behandeling dat tot stand wordt gebracht door artikel 11, derde lid, van de Wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, met name met betrekking tot artikel 9 van dezelfde wet, waarbij het voormelde artikel 42 van de wet van 28 december 1983 wordt opgeheven. Dat artikel 11 bepaalt in het tweede, derde en vierde lid :
«Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1995.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de bijzondere heffing met betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in artikel 272 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel een hoger beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan op de datum waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Geen moratoriuminterest wordt toegekend bij teruggave van belasting verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd overeenkomstig artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door deze wet.»
Uit de stukken van het dossier blijkt dat die bepaling wordt betwist doordat het derde lid ervan een verschil in behandeling teweegbrengt onder degenen die de bijzondere heffing verschuldigd zijn, die niet meer verschuldigd is voor het aanslagjaar 1995 en, indien zij het voorwerp is van een van de bij de wet aangegeven rechtsmiddelen, voor de aanslagjaren 1990 tot 1994.

B.5.2. Uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde artikel 11 blijkt dat die bepaling uitgaat van het streven van de wetgever zich te richten naar het arrest nr. 74/95 dat het Hof op 9 november 1995 heeft gewezen ( Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 885/1, p. 3, en nr. 885/3, p. 2). In dat arrest werd beslist dat artikel 42 van de voormelde Wet van 28 december 1983, gewijzigd bij artikel 38 van de Wet van 7 december 1988, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het erin voorziet, enerzijds, dat de intresten van Belgische oorsprong als bedoeld in artikel 11, 1º tot 3º en 7º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aan de bijzondere heffing op de roerende inkomsten zijn onderworpen, en in zoverre het anderzijds, de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in artikel 11, 4º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van dezelfde bijzondere heffing vrijstelt. In de redactie die eraan is gegeven bij de Wet van 7 december 1988, was artikel 42 van toepassing op de aanslagjaren 1990 tot 1994.
De Regering achtte het onmogelijk zich naar dat arrest te voegen door ook de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong te belasten, om reden dat de belastingdiensten van de andere Staten zouden weigeren daaraan mee te werken, ( idem, nr. 885/3, p. 5), en koos voor een afschaffing van de in het geding zijnde heffing; de zorg om de belangen van de Schatkist te vrijwaren door de financiële gevolgen van het voormelde arrest te beperken, werd evenwel aangevoerd om, gelet op de hoge inkomsten tijdens de eerste aanslagjaren, de heropening van de termijnen voor bezwaar niet mogelijk te maken ( ibid., pp. 3 tot 5 en 8 en 9) : het ging om «de opheffing [...] van de heffing die betrekking heeft op de aanslagjaren 1990 tot 1994 en waarvoor een geschil aanhangig is» ( ibid., p. 9). De Minister van Financiën merkte overigens op dat de betrokken belastingplichtigen belastingplichtigen waren met zeer hoge inkomsten uit roerend goed ( ibid., p. 5).

B.5.3. De omstandigheid dat een bepaling door het Hof wordt gecensureerd op prejudiciële vraag houdt niet in dat de wetgever, vóór het arrest, van die bepaling niet terecht de gevolgen kon verhopen waarvoor zij was aangenomen; de bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof heeft er niet anders over geoordeeld wanneer zij het Hof ertoe machtigde de gevolgen te handhaven van de bepalingen die het vernietigt.

B.5.4. Te dezen, wat de aanslagjaren betreft die voorafgaan aan het jaar van de uitspraak van het voormelde arrest (waarin die bepaling, gewijzigd bij de Wet van 7 december 1988, is gecensureerd), reserveert artikel 11 van de Wet van 16 april 1997 de gevolgen van de opheffing van artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 tot de enkele belastingplichtigen die de toepassing van de gecensureerde bepaling hebben betwist voor de aanslagjaren 1990 tot 1994.
De aanslagjaren vóór 1990 zijn niet beoogd door het in het geding zijnde artikel 11, aangezien het arrest nr. 74/95 zich niet heeft uitgesproken over de bepalingen die erop betrekking hebben.
B.5.5. De lasten die in het vrijwaren van de belangen van de Schatkist hun verantwoording kunnen vinden, moeten worden verdeeld op een wijze die niet discrimineert. Door de mogelijkheid van terugbetaling van de in het geding zijnde heffing voor te behouden aan alle belastingplichtigen die, volgens de voorgeschreven vormen, de aanslag waarvan zij het voorwerp waren, hebben betwist en tot hen alleen, heeft de wetgever de toepassingssfeer van de maatregel die hij nam, op een discriminerende manier vastgesteld vermits, enerzijds, het motief voor het bezwaar of het beroep vreemd kan zijn aan datgene waarop het voormelde arrest nr. 74/95 gegrond is en, anderzijds, aan een belastingplichtige die vertrouwen heeft in de geldigheid van de bepalingen die op hem van toepassing zijn, niet kan worden verweten dat hij zich daarbij neerlegt in plaats van de grondwettigheid ervan te betwisten.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
-  Artikel 42 van de Wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt, enerzijds, dat de intresten van Belgische oorsprong bedoeld in artikel 11, 1º tot 3º en 7º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wanneer het bedrag ervan begrepen is tussen 316 000 frank en 1 110 000 frank, onderworpen zijn aan de bijzondere heffing op de roerende inkomsten, en in zoverre het, anderzijds, de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong, en van hetzelfde bedrag, bedoeld in artikel 11, 4º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, van dezelfde bijzondere heffing vrijstelt.
-  Artikel 11 van de Wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inzoverre het, voor de aanslagjaren 1990 tot 1994, de afschaffing van de bijzondere heffing beperkt tot die welke het voorwerp zijn van een bezwaar of een hoger beroep of een beroep in cassatie.