Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.01.2006

Datum :
10-01-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
10 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Bewijskracht boekhouding,Contante ontvangsten

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.01.2006
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.01.2006
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.01.2006
Tax year : 0
Document date : 10/01/2006
Document language : NL
Modification date : 19/06/2006 16:36:54
Name : A 06/2
Version : 1
Court : appeal

ARREST A 06/2


Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10.01.2006



Bewijskracht boekhouding - Contante ontvangsten

    Een boekhouding kan als niet-bewijskrachtig worden beschouwd wanneer de contante ontvangsten, die voor hun totaalbedrag eens per dag worden ingeschreven, niet zijn gestaafd hetzij door een gedetailleerde vermelding van de verkochte goederen in het dagboek van ontvangsten, hetzij door overlegging van kasbescheiden die, volgens de werkzaamheid van de onderneming kunnen bestaan uit telbanden van kasregisters, dubbels van kwijtingen, verkoopbons, facturen, kaartjes, . . . Bij ontstentenis van een rechtvaardiging van de ontvangsten en eventueel ook nog van een genoegzaam gedetailleerde inventaris wordt elke controle inzake prijs en hoeveelheid uitgesloten.

 



 

Eindarrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 10/01/2006

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend
te Antwerpen, ZESDE KAMER,


Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

In zake: 2004/AR/530

N.V. B.I., H.R. te Tongeren N° 64.419, met maatschappelijke zetel te …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 21 januari 2004;

vertegenwoordigd door Meester M.v.K. loco Meester L.P., advocaat te …;

tegen:

1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der directe belastingen, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;

2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

g e ï n t i m e e r d e n,

vertegenwoordigd door Meester L.A., advocaat te …;

* * *

Gelet op het tussenarrest van 6 september 2005 waarbij de heropening der debatten wordt bevolen teneinde appellante toe te laten haar standpunt te verduidelijken.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de zesde kamer.

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies.

Wat de voorafgaande feiten en de procedure betreft, verwijst het Hof naar het tussenarrest van 6 september 2005.

In rechte:
De betwiste aanslagen werden wegens niet tijdige aangifte van ambtswege gevestigd, na verzending van een kennisgeving van aanslag van ambtswege.
De belastbare inkomsten werden bepaald bij toepassing van artikel 340 WIB'92 (feitelijke vermoedens).

Krachtens artikel 352 WIB'92 behoort het, indien hij ambtshalve is aangeslagen, aan de belastingplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens. De belastingplichtige die regelmatig van ambtswege is aangeslagen, heeft ook het recht de aanslag te doen nietig verklaren, indien hij bewijst dat de belastbare grondslag willekeurig is vastgesteld omdat het bestuur een rechtsdwaling heeft begaan of op onjuiste feiten heeft gesteund of nog uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid.

Te dezen heeft de administratie de boekhouding van appellante over de jaren 1993 en 1994 verworpen als zijnde niet bewijskrachtig, wat door appellante wordt betwist.

Opdat een boekhouding op belastinggebied als bewijskrachtig zou aanvaard worden, is het niet nodig dat zij beantwoordt aan al de eisen van de wetgeving op de boekhouding. Iedere boekhouding moet worden aanvaard, voor zover:

  • de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten nauwkeurig kunnen bepaald worden,
  • alle geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken,
  • alle geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen.

Om aan te tonen dat de rekeningen van de belastingplichtige niet bewijskrachtig zijn mag de administratie dus:

  • vaststellen dat de rekeningen zodanige leemtes vertonen dat ze geen geheel kunnen vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten nauwkeurig kunnen bepaald worden,
  • de afwezigheid van bewijsstukken vaststellen,
  • de onmogelijkheid vaststellen om de juistheid van de geboekte cijfers na te zien,
  • de onjuistheid van de geboekte cijfers bewijzen.

Een boekhouding kan als niet bewijskrachtig beschouwd worden wanneer de contante ontvangsten, die voor hun totaalbedrag eens per dag ingeschreven worden, niet gestaafd zijn hetzij door een gedetailleerde vermelding van de verkochte goederen in het dagboek van ontvangsten, hetzij door overlegging van kasbescheiden die, volgens de werkzaamheid van de onderneming kunnen bestaan uit telbanden van kasregisters, dubbels van kwijtingen, verkoopbons, facturen, kaartjes, enz. Bij ontstentenis van een rechtvaardiging van de ontvangsten en, eventueel, ook nog van een genoegzaam gedetailleerde inventaris, wordt elke controle inzake prijs en hoeveelheid uitgesloten.

Te dezen werd naar aanleiding van het onderzoek van de aangiften vastgesteld dat de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten gebeurden zonder detaillering en / of verwijzing naar andere boekhoudkundige documenten (afsprakenboek, telbanden, bonnetjes, ...). Appellante kon buiten het dagboek van ontvangsten geen andere stukken voorleggen ter verantwoording van de dagontvangsten zoals kasrollen, kwitanties... .

Tijdens een controle op 29 september 1994 werd vastgesteld dat het dagboek van ontvangsten bestond uit een losbladig (niet ingebonden) systeem en slechts was bijgewerkt tot en met 4 september 1994. Op 24 november 1994 werd vastgesteld dat er geen volledige overeenstemming was tussen de effectieve kasgelden en de geregistreerde kasgelden. Op 29 september 1994 en op 24 november 1994 bleek dat er geen inventaris voorhanden was. Op 17 januari 1995 werd vastgesteld dat de inventaris bestond uit een losbladig (niet ingebonden) systeem. In verband met de eindinventaris per 31 december 1994 werden door eiseres twee verschillende lijsten voorgelegd: een eerste werd voorgelegd tijdens een controle op 8 november 1995, waarvan het eindsaldo 73.920 BEF bedroeg en die overeenstemt met het bedrag opgenomen in de jaarrekening gevoegd bij de laattijdige aangifte en waarover tijdens de controle geen enkel voorbehoud werd gemaakt èn een tweede werd voorgelegd naar aanleiding van het onderzoek van het bezwaarschrift, waarvan het eindsaldo 304.430 BEF bedroeg, bedrag dat voor het eerst vermeld werd in het antwoord van eiseres van 16 april 1996 na verzending van de kennisgeving van aanslag van ambtswege van 20 maart 1996, doch waarbij geen gedetailleerde lijst gevoegd was.

Uit al deze elementen blijkt dat er geen rechtvaardiging voorhanden was van de ontvangsten en dat er evenmin een gedetailleerde inventaris was, zodat elke controle inzake prijs en hoeveelheid onmogelijk was. De administratie heeft derhalve terecht de boekhouding als niet bewijskrachtig verworpen. Appellante brengt thans geen elementen aan die van aard zijn dat de boekhouding alsnog als bewijskrachtig zou kunnen beschouwd worden.

Na de terechte verwerping van de boekhouding heeft de administratie de aanslagen gevestigd bij toepassing van artikel 340 WIB'92 (toepassing van het feitelijk vermoeden). Voor aanslagjaar 1994 werd het fiscaal overdraagbaar verlies verworpen. Voor aanslagjaar 1995 werd het omzetcijfer bepaald op basis van de verkochte aankopen volgens de voorgelegde jaarrekening bij de aangifte vermenigvuldigd met het gemiddelde brutowinstpercentage van de drie voorgaande boekjaren.

Omdat de boekhouding niet bewijskrachtig was, kon de administratie terecht oordelen dat eisers voor aanslagjaar 1994 geen (fiscaal) verlies aantoonde, hetgeen leidde tot een belastbaar eindresultaat gelijk aan `nul' voor dat aanslagjaar, wat tevens de niet overdraagbaarheid van verliezen impliceerde.

Bij de taxatie van aanslagjaar 1995 werd uitgegaan van gekende feiten, met name het brutowinstpercentage van de drie voorgaande boekjaren (1991, 1992 en 1993, waarvan door appellante op geen enkel ogenblik betwist werd dat de uitbatingvoorwaarden dezelfde gebleven waren), om te besluiten tot het omzetcijfer in verhouding van de verkochte aankopen (eveneens een bekend feit). Door uit te gaan van de laattijdige aangifte van appellante en door daarop bij gebrek aan inventaris een correctie door te voeren middels berekening van de gerealiseerde meerwinst aan de hand van verkoop van de in 1994 geschiede aankopen van handelsgoederen, onder toevoeging van de BTW naar verhouding van BTW-tarieven conform de eigen BTW -aangiften van appellante, is de aanslag niet gesteund op willekeurige gegevens.

In tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt, is er dus geen sprake van willekeur en appellante slaagt er evenmin in aan de hand van bewijskrachtige gegevens het juiste bedrag van haar inkomsten en van de andere in aanmerking te nemen gegevens te bewijzen, zodat de betwiste aanslagen dienen behouden te blijven.

Appellante houdt ook ten onrechte voor dat de directeur een verboden compensatie zou hebben doorgevoerd. In het bezwaarschrift ging appellante niet akkoord met de onderwerping van de inkomstenverhoging aan het bijzondere aanslagtarief van artikel 219 WIB'92. In de beslissing van 20 februari 2001 heeft de door de gewestelijk directeur gedelegeerde ambtenaar deze grief ingewilligd en het bedrag van 488.192 BEF werd dus niet meer onderworpen aan het bijzonder aanslagtarief doch aan het gewoon tarief. Dit is geen verboden compensatie; het betreft immers dezelfde inkomsten waaromtrent de gedelegeerde ambtenaar vaststelt dat onderwerping van dit bedrag aan het bijzondere aanslagtarief tot een ontoelaatbare opeenstapeling van vermoedens leidt. De eerste rechter heeft terecht de vordering van appellante ongegrond verklaard. Het hoger beroep is derhalve ongegrond en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
   

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Na herneming van de zaak en het tussenarrest van 6 september 2005 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerden op 456,14 EUR, volgens opgave in de aanvullende syntheseconclusie.

    Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TIEN JANUARI TWEEDUIZENDENZES, waar aanwezig waren:
D.W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M.V.d.B., Raadsheer;
E.V.E., Plaatsvervangend raadsheer
A.V.L., Griffier

   

   

   

Bijlage 1
   


Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt dd. 21/01/2004

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN:

IN ZAKE A.R. nr. 01.1006/A

B.I. N.V., met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren onder nummer …

eiser, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. P. advocaat te …

tegen

ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde dhr. V.

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op:

  • het verzoekschrift in fiscale zaken neergelegd ter griffie op 17.05.2001 met in bijlage een afschrift van de bestreden directorale beslissing;
  • de conclusies en de stukken;

Gegevens en voorgaanden

1.
Aan eiseres werd, om reden van laattijdigheid van aangifte in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 1994, op 20 maart 1996 een kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurd (stukken 60-61 verweerder).

Daarin leest rnen onder meer
"Bij het onderzoek van uw fiscale toestand is gebleken dat de dagontvangsten globaal per dag worden ingeschreven zonder te verwijzen naar enig bewijsstuk. Derhalve is uw boekhouding niet bewijskrachtig. Daarenboven werden bij toezichten volgende zaken vastgesteld:

  • op 29.09.1994 was het dagontvangstenboek slechts ingeschreven tot 04.09.1994
  • op 24.11.94, 17.01.95 en 8.11.95 was er geen volledige overeenstemming tussen de effectieve kasgelden en de geregistreerde kasgelden
  • de privé-onttrekkingen (eigen verbruik) werden pas geruime tijd na de opname als opbrengsten geboekt.

De Administratie wordt derhalve in de onmogelijkheid gesteld de aangegeven inkomsten te onderzoeken (...). Uit uw fiscale aangifte blijkt een verlies.
Wegens ontoereikendheid van de boekhouding is dit verlies derhalve niet behoorlijk verantwoord; het aangegeven verlies is derhalve fiscaal niet aanvaardbaar noch overdraagbaar naar volgende aanslagjaren (..)".


Stuk 62 van verweerder is een handgeschreven nota, waarin staat vermeld dat op 26 april 1996 nog geen antwoord werd ontvangen, dat er evenwel in het antwoord met betrekking tot aanslagjaar 1995 melding wordt gemaakt van een brief " van 16.04.96 mbt aj.1994" en dat die brief niet ter controle is toegekomen.

2.
Aan eiseres werd, om reden van laattijdigheid van aangifte in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 1995, op 20 maart 1996 een kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurd (stukken 172-175 verweerder).

Daarin leest men onder meer hetzelfde als het eerste gedeelte van wat hogerop is geciteerd ter zake aanslagjaar 1994 en de hier voorliggende kennisgeving gaat verder.
"De belastbare grondslag zal worden bepaald bij toepassing van artikel 340 (WIB 92).
Bij het nazicht van de aangifte werd vastgesteld dat er voor het jaar 1994 een scherpe daling was van de verhouding tussen het omzetcijfer... en de kostprijs van de verkochte aankopen "
,
gevolgd door jaargegevens over 1991-92-93-94, met berekende gemiddelde verhouding 4,66.

De kennisgeving gaat verder
"Gelet op het niet-bewijskrachtig karakter van de boekhouding, kan de omzet voor het jaar 1994 worden bepaald door te steunen op de gemiddelde verhouding van de omzet t.o.v. de verkochte aankopen over de jaren 1991, 1992 en 1993 : er wordt derhalve gesteund op gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, zodat er van willekeur geen sprake kan zijn (Hof van Beroep Gent, 0.04.94, Buil. Bel. 753, blz.2865). De omzet voor het jaar 1994 wordt derhalve bepaald als volgt:... ".

Deze berekening komt op een positief belastbaar resultaat, met tegelijk aankondiging van een bijzondere aanslag geheime commissielonen en een belastingverhoging van 10%.

De kennisgeving vervolgt:
" Voor het aanslagjaar 1995 ( inkomsten 1994) zullen in de Personenbelasting volgende inkomsten, afkomstig van de NV BASILICA Ice, worden belast (toepassing artikel 36 Wƒ892):... -"

Op deze kennisgeving kwam vanwege eiseres een blijkbaar tijdige reactie met niet-akkoord (stukken 177-178 verweerder) waarin in essentie willekeur van de vooropgezette taxatiewijze in de vennootschapsbelasting wordt aangevoerd, en waarbij ook de voorgenomen bijzondere aanslag wordt aangevochten, maar niet de voorgenomen belastingverhoging van 10% op zich.

Dit antwoord leidde tot intern overleg bij de belastingdienst (stukken 180-181 verweerder), gevolgd door een brief aan eiseres (stuk 182 verweerder), waarin, samengevat, het belastingvoornemen werd bevestigd, in het bijzonder door er ook nog op te wijzen dat de door eiseres zelf in haar antwoord naar voren geschoven onderschatting van voorraad voor aanslagjaar 1995 "eens temeer het niet-bewijskrachtig karakter van de boekhouding (bewijst)".

3.
Voor aanslagjaar 1995 in de vennootschapsbelasting volgde dan op 6 mei 1996 aanslag 861605667, waarin de bijzondere aanslag als de aangekondigde belastingverhoging werden opgenomen.

4.
Op 3 september 1996 kwam ter gewestelijke directie een bezwaarschrift vanwege eiseres binnen (stukken 2-3 verweerder), onder volgende betiteling: "betreft: artikel 861605667 - aanslagjaar 1995 aangetekend schrijven vanwege Controle Venn. 5 dd.30.04.96 inzake aanslagjaar 1994. ref. 434.880.989 ".

In de tekst van het bezwaarschrift wordt uitdrukkelijk opgegeven dat het bezwaarschrift "de wijziging van de inkomsten inzake het aanslagjaar 1994 en 1995" behelst.

Naast herneming van het eerdere standpunt, wordt er ook gesteld (eerste blad onderaan):
"... kunnen we niet akkoord gaan met de verwerping van de overgedragen verliezen voor het aanslagjaar 1994 en eveneens niet met de berekeningswijze en omzetverhoging op basis van elementen dewelke niet stroken met de realiteit".

Een door de gewestelijk directeur gedelegeerde ambtenaar verklaarde met beslissing referte 100496115265 van 20 februari 2001 het bezwaarschrift deels gegrond en wees het voor het overige af.

Namens eiseres werd op 17 mei 2001 een verzoekschrift met aangehecht afschrift van de vermelde beslissing neergelegd ter griffie van deze rechtbank, ter stelling van een vordering.

Onderzoek en beoordeling

1
Er loopt geen betwisting ter zake de toelaatbaarheid van de vordering, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.

2.
Ten gronde stelt de rechtbank vast dat zowel het bezwaarschrift als de genomen directorale beslissing rechtstreeks aanslagjaar 1995 en onrechtstreeks aanslagjaar 1994 behelzen, waar de beslissing door haar betiteling laat uitschijnen dat enkel aanslagjaar 1995 zou zijn beoordeeld.

Uit de inventaris van het overtuigingsdossier van verweerder blijkt overigens dat verweerder het antwoord van eiseres op de kennisgeving van aanslag van ambtswege voor aanslagjaar 1995 toch heeft aanvaard als tegelijk een tijdig antwoord op de kennisgeving van aanslag van ambtswege voor aanslagjaar 1994 (zijn stukken 63-64: «16.4.1996 - antwoord op ...").

3.
De kennisgevingen van aanslag van arnbtswege blijken qua aanleiding conform de wet te zijn verstuurd, nu blijkens de voorliggende stukken de aangifte voor elk der beide aanslagjaren te laat werd ingediend.

Voorwaarde voor de belastingdienst om te kunnen overgaan tot het bepalen van de belastbare grondslag in hoofde van eiseres door middel van feitelijke vermoedens, lag in vaststelling van afwezigheid van bewijskrachtige boekhouding, zulks ofwel uit oorzaak van vaststellingen ter zake ernstige gebreken in de wijze van het voeren van die boekhouding, ofwel uit oorzaak van aan die boekhouding externe feitelijke vermoedens waaruit zelf een gebrek aan bewijskracht van die boekhouding tot uiting kwam, ofwel beide oorzaken tegelijk.

De belastingdienst heeft in zijn kennisgevingen gedetailleerde opgave gedaan van de redenen die hem hebben geleid tot verwerping van de boekhouding van eiseres voor de hier betrokken aanslagjaren.

In haar antwoord(en) op de kennisgevingen van aanslag van ambtswege heeft eiseres deze vaststellingen van de belastingdienst niet ontkracht, integendeel versterkt.

Het gegeven dat de belastingdienst voor de voorafgaande belastbare tijdperken 1988 tot en met 1992 - zonder overigens ook maar enige toentertijd geschiede controle ter plaatse - nooit opmerkingen heeft geformuleerd ter zake de toenmalige wijze van boekhouden van eiseres, is bij dit alles niet relevant, nu laatstgenoemde niet onderbouwt dat zij in die vorige jaren, weze het door middel van een eigen sluitende boekhoudwijze, weze het mogelijk uit andere oorzaak, een wel controleerbare bewijskrachtige boekhouding voerde, en deze boekhoudmethode dan voortzette in de hier voorliggende jaren.

Het door eiseres aangevoerde gegeven dat zij middels het gebruik van twee geldladen (één voor de binnenverkoop met 6% BTW en één voor de vensterverkoop met BTW-voltarief) op het einde van elke dag de kastoestand inschreef in een agenda, en zij middels het gebruik van losbladige lijsten ("kasverslagen, inhoudende de bedragen van de contante verkoop alsmede alle uitgaven en kosten, betaald in speciën", conclusie eiseres, blad 2) boekhouding voerde, bevestigt volop het gebrek aan controleerbaarheid van de door haar gevoerde boekhouding.

Vanuit deze vaststellingen kon de belastingdienst afleiden dat eiseres voor aanslagjaar 1994 geen (fiscaal) verlies aantoonde, wat op die wijze leidde tot een belastbaar eindresultaat gelijk aan 'nihil' voor dat aanslagjaar, wat tegelijk niet overdraagbaarheid van enig verlies impliceerde.

Met betrekking tot aanslagjaar 1995 heeft de beslissende ambtenaar terecht in de directorale beslissing nog gewezen op het feit dat eiseres tijdens de controle ter plaatse in november 1995 een andere inventaris per einde 1994 presenteerde dan de later tijdens het onderzoek van het bezwaar gepresenteerde 'stock' (deze laatste als stukken 297 tot en met 305 verweerder).

4.
Eiseres doet gelden dat een en ander de belastingdienst dan nog niet tegelijk rechtigde tot het in aanmerking nemen van een door hem willekeurig samengestelde belastbare grondslag voor aanslagjaar 1995.

Eiseres heeft op geen enkel ogenblik betwist dat haar uitbatingsvoorwaarden van de laren 1991, 1992 en 1993 dezelfde waren als in 1994.

De belastingdienst kon dan ook de uitbatingvoorwaarden van die voorgaande jaren tot basis nemen ter bepaling van de belastbare grondslag voor aanslagjaar 1994 (vgl. Cass. 10 maart 1995, FJF 95/135 op blz. 298).

Door, ter bepaling van de belastbare grondslag en de andere gegevens voor aanslagjaar 1995, te vertrekken van de laattijdige aangifte van eiseres en door daarop bij gebrek aan inventaris een correctie door te voeren middels berekening van de gerealiseerde meerwinst aan de hand van verkoop van de in 1994 geschiede aankopen van handelsgoederen, onder toevoeging van de BTW naar verhouding van BTW-tarieven conform de BTW-aangiftes, werd de taxatie niet gesteund op willekeurige gegevens.

Nu de taxatie niet willekeurig wordt bevonden en nu eiseres het in dat geval door art. 352 WIB 92 aan haar opgelegde bewijs (van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te haren name in aanmerking komende gegevens) niet invult, dient de bestreden aanslag behouden te worden.

5.
De in de directorale beslissing doorgevoerde specifieke ontheffing ter zake de toepassing van de bijzondere aanslag geheime commissielonen (art. 219 WIB 92) betekent geenszins dat de in de aanslag verwerkte belastbare grondslag en de andere in hoofde van eiseres in aanmerking genomen gegevens zouden zijn aangetast door willekeur.

6.
Tenslotte blijkt de rechtbank niet te zijn gevat met enige betwisting ter zake de hogerop vermelde personenbelasting.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
       

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank,

Rechtdoende op tegenspraak

Verklaart de voorziening ontvankelijk doch ongegrond

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan de zijde van eiseres begroot op E 171,05 en aan de zijde van verweerder begroot op E 0,00 bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig vonnis, waarover rnevr.C., rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 Ger.W., wordt deze magistraat wettig verhinderd zijnde, vervangen door Mevrouw L.K., rechter in deze rechtbank, hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 Ger.W., bij beschikking van de Heer Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 21 JANUARI 2004 alwaar aanwezig waren: Mevr. L.K., rechter, waarnemend voorzitter, Mevr. H.C., rechter,
Dhr. L.B., rechter,
Dhr. Ph.N., griffier.

   

   

   

Bijlage 2
   

Hof van Beroep te Antwerpen dd. 06.09.2005

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

In zake: 2004/AR/530

N.V. B.I. , H..R.. te Tongeren N° 64.419, met maatschappelijke zetel te …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 21 januari 2004;

vertegenwoordigd door Meester M.v.K. loco Meester L.P., advocaat te …;

tegen:

  1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der directe belastingen, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;
  2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Meester L.A., advocaat te …;

* * *

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 21 januari 2004, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, en het op 20 februari 2004 ter griffie neergelegde verzoekschrift tot hoger beroep.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is derhalve ontvankelijk. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep is er geen betwisting tussen partijen.

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies.

I. FEITEN EN PROCEDURALE VOORGAANDEN

1. Appellante verkocht ijs in haar salon en via een venster. Zij gebruikte ter registratie van haar verkopen twee kassa's, hetzij enerzijds voor de binnenverkopen en anderzijds voor de buitenverkopen. Dagelijks werd de kastoestand opgemaakt en ingeschreven in een agenda. Tevens werden losbladige lijsten bijgehouden inhoudende de bedragen van de kontante verkoop alsmede van alle uitgaven en kosten, betaald in contanten. Appellante houdt voor dat deze wijze van handelen reeds in voege is sedert 1988.

Er werden op 20 maart 1996 voor de aanslagjaren 1994 en 1995 twee kennisgevingen verstuurd van een aanslag van ambtswege om reden van laattijdigheid van aangifte in de vennootschapsbelasting. Voor deze beide aanslagjaren werd de boekhouding door geïntimeerde verworpen, onder meer omdat het kassaverslag werd bijgehouden op losse bladen en de nodige bewijsstukken ter staving van het kassaverslag niet werden bijgehouden. Het fiscaal verlies werd voor het aanslagjaar 1994 verworpen. Voor het aanslagjaar 1995 werd het omzetcijfer bepaald op basis van de verkochte aankopen volgens de bij de aangifte voorgelegde jaarrekening vermenigvuldigd met het gemiddelde brutowinst percentage van de drie voorgaande boekjaren. Aldus werd er een aanslag gevestigd in de vennootschapsbelasting ten bedrage van 37.776, 37 EUR. Deze aanslag werd enkel gevestigd voor het aanslagjaar 1995. Bovendien werd een bijzondere aanslag geheime commissielonen en een belastingverhoging van 10% toegepast.

Tegen deze aanslag werd bezwaar aangetekend en bij beslissing van de door de directeur gedelegeerde ambtenaar van 20 februari 2001 werd het bezwaar deels gegrond bevonden en werd een ontheffing verleend voor 31.658,63 EUR. De gedelegeerde ambtenaar weerhield de gedane verwerping van de boekhouding voor de beide aanslag jaren. en dienvolgens aanvaardde hij de verwerping van de overdraagbare verliezen van het aanslagjaar 1994 en de door de taxatieambtenaar weerhouden berekening voor het aanslagjaar 1995. Hij verklaarde het bezwaar evenwel gegrond voorzover ook de bijzondere aanslag geheime commissielonen van artikel 219 WIB `92 werd toegepast.

2. Middels een ter griffie op 17 mei 2001 neergelegd verzoekschrift stelde appellante een voorziening in tegen deze directorale beslissing: zij vorderde de nietigverklaring van de bestreden beslissing, minstens te zeggen voor recht dat de boekhouding wel als bewijskrachtig dient te worden aanvaard en de overdraagbare verliezen te aanvaarden vanaf de inkomsten 1993. Bij haar ter griffie op 10 juni 2003 neergelegde besluiten wijzigde appellante haar vordering en vorderde zij de nietigverklaring van de aanslagen inkomsten 1993 en inkomsten 1994 en niet langer van de bestreden beslissing.

De eerste rechter verklaarde deze vorderingen ontvankelijk doch ongegrond.

Met haar hoger beroep beoogt appellante de hervorming van het bestreden vonnis door toekenning van haar oorspronkelijk gestelde vorderingen, die zij herneemt in haar op 25 november 2004 neergelegde beroepsbesluiten.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

II. IN RECHTE

1. Appellante voert als grieven aan dat werd geoordeeld dat enerzijds haar boekhouding niet bewijskrachtig was en dat anderzijds de aanslag, willekeurig werd gevestigd.

Ter ondersteuning van deze laatste grief voert appellante onder meer aan dat de administratie zich gesteund heeft op een vermoeden om de omzet hoger in te schatten en dat dit vermoeden geen vaststaand gegeven vormt. In zijn besluiten zet geïntimeerde evenwel uiteen dat het bekend gegeven enerzijds de brutowinstpercentages zijn van de vorige boekjaren (1991, 1992 en 1993) en anderzijds de verkochte aankopen volgens de voorgelegde jaarrekening, op basis waarvan voor het aanslagjaar 1995, inkomsten 1994, het omzetcijfer werd bepaald. Voor het aanslagjaar 1994, inkomsten 1993, heeft geïntimeerde geen berekeningen op basis van bekende gegevens meer gemaakt en ermee volstaan het fiscaal overdraagbaar verlies te verwerpen. Terzake heeft appellante geen standpunt ingenomen en bovendien is het geenszins duidelijk of appellante de verkochte aankopen volgens de voorgelegde jaarrekening als een bekend gegeven aanvaardt, indien moet worden aangenomen dat de boekhouding dient te worden verworpen.

2. Bovendien stelt het Hof vast dat appellante in eerste aanleg haar vordering wijzigde en de nietigverklaring vorderde van de betwiste aanslag, terwijl zij thans in het petitum van haar verzoekschrift en haar conclusies enkel gewag maakt van de nietigverklaring van bestreden directorale beslissing.

Het behoort dat appellante terzake duidelijkheid verschaft.

3. Om appellante met betrekking tot het hoger uiteengezette, en in het bijzonder en onder meer of de feiten waarop geïntimeerde haar aanslag heeft gesteund al dan niet in betwisting zijn, de mogelijkheid te stellen standpunt in te nemen dan wel haar standpunt te verduidelijken en desgevallend geïntimeerde toe te laten terzake haar verweer te voeren, behoort het de debatten ambtshalve te heropenen. De uitspraak over de kosten wordt aangehouden.
   

OM DEZE REDENEN,

HET HOF

Recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935,

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk,

Beveelt, alvorens verder recht te doen, ambtshalve de heropening van de debatten om de hoger gezegde redenen,

Stelt de zaak te dien einde op de terechtzitting van 13 december 2005 te 16 uur 30' (duur pleidooien: 30').

Houdt de uitspraak omtrent de kosten aan.

    Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENVIJF, waar aanwezig waren:

R.T., Voorzitter;
D.W.
en P.H., Raadsheren;
A.v.L. Griffier.