Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.03.2008, Zaak 2007/AR/816
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
vennootschapsbelasting;dividend;herkwalificatie van interesten als dividenden;interest van voorschotten;akte;herkwalificatie van een akte
Originele tekst :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.03.2008, Zaak 2007/AR/816
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.03.2008, Zaak 2007/AR/816
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.03.2008, Zaak 2007/AR/816 Document date : 18/03/2008 Keywords : vennootschapsbelasting / dividend / herkwalificatie van interesten als dividenden / interest van voorschotten / akte / herkwalificatie van een akte Decision : Gunstig Document language : NL Modification date : 06/02/2009 Name : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.03.2008, Zaak 2007/AR/816 Version : 1 Court : appeal
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.03.2008, Zaak 2007/AR/816
Vennootschapsbelasting. Dividend. Herkwalificatie van interesten als dividenden. Interest van voorschotten. Akte. Herkwalificatie van een akte.
Samenvatting
De fiscale wetgeving geeft geen omschrijving van het begrip “geldlening” zodat hiervoor dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht. Een rechter is daarbij niet gebonden door de juridische kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst geven.
Het in casu ter beschikking laten van de vennootschap van de gelden die deze laatste verschuldigd is n.a.v. de verkoop van aandelen door de bestuurders/aandeelhouders aan de vennootschap en het boeken van die gelden op een intrestopbrengende “rekening-courant” moet worden gekwalificeerd als een geldlening tegen intrest.
Volledige tekst
nummer: 1069 Rep. Nummer: 2700 Zitting van: 18/3/2008
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,
Recht doende in burgerlijke zaken,
heeft het volgende arrest uitgesproken:
In zake: 2007/AR/816
1.de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43; 2 de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;
appel1anten,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 31 januari 2007;
vertegenwoordigd door Meester A.V.L.d.J., advocaat te …;
tegen:
THB H. N.V.,met zetel… , ondernemingsnummer…;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester H.V., in eigen naam, en loco Meester J.B., advocaten te …,
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 31 januari 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 maart 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
De betwisting betreft de hierna volgende in hoofde van de N.V. THB H. gevestigde aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de gemeente …:
- kohierartikel …, supplement aan artikel …, van 19 december 2003, aanslagjaar 2001, balans dd. 31 december 2000, voor een bedrag van 12.570,07 EUR; - kohierartikel …, supplement aan artikel …, van 17 december 2004, aanslagjaar 2002, balans dd. 31 december 2001, voor een bedrag van 16.527,07 EUR; - kohierartikel …, supplement aan artikel …, van 21 december 2004, aanslagjaar 2003, balans dd. 31 december 2002 voor een bedrag van 14.674,95 EUR.
1.2.
De N.V. THB H. werd op 28 mei 1999 opgericht.
Het maatschappelijk kapitaal bedroeg 1.065.942,16 EUR (43.000.000 BEF) en werd voor 1.057.439,41 EUR (42.657.000 BEF) gevormd door de inbreng van een aantal participaties in Belgische vennootschappen (aandelen in de N.V. D. Deinze, de N.V. D. Antwerpen, de N.V. D. Benelux en de N.V. D. Carwash) door de heren P. en A. V.D.B.
Als vergoeding voor de inbreng werden 21.500 aandelen toegekend aan de heer P.V.D.B.en 21.500 aandelen aan A.V.D.B.
1.3.
Na de oprichting verkochten de heren P.V.D.B. en A.V.D.B. hun 100 % participatie in de Nederlandse vennootschap B.V. C.V.D.B. (B.V. CVDB) aan de N.V. TEM H. voor een bedrag van 3.867.138,99 EUR/156.000.000 BEF.
De aankoop van deze aandelen werd vergoed door de boeking van een bedrag van 156.000.000 BEF/3.867.138,99 EUR op de lopende rekeningen van de voormelde heren V.D.B. P. en A. (per rekening 78.000.000 BEF/1.933.569,49 EUR).
1.4.
Op 1 januari 2000 werd een leningovereenkomst afgesloten tussen de N.V.THB H. enerzijds en de heren V.D.B. P. en A. anderzijds respectievelijk voor een bedrag van telkens 15.000.000 BEF/3 71.840,29 EUR.
De looptijd van de lening bedraagt 5 jaar tegen een interestvoet van 7% netto, betaalbaar na een periode van vijf jaar.
Het bedrag van de leningen werd in mindering gebracht van de respectievelijke vorderingen op de lopende rekeningen van 78.000.000 BEF/1.933.569,49 EUR.
1.5.
Op basis van deze feitelijke gegevens beschouwt de fiscale administratie het bedrag van 156.000.000 BEFí3.867.138,99 EUR dat geboekt werd op de lopende rekeningen van de heren V.D.B. P. en A. en dat later gedeeltelijk werd omgezet in een rentegevende lening als een voorschot dat valt onder de toepassing van artikel 18 WIB92.
1.6.
Voor het aanslagjaar 2001 werd op 30 september 2003 een bericht van wijziging verstuurd waarin de herkwalificatie van de geboekte intresten tot dividenden werd uiteengezet.
Op 18 december 2003 werd een aangetekend schrijven verstuurd naar geïntimeerde conform artikel 346 laatste lid W1B92 waarin de opmerkingen van geïntimeerde op het bericht van wijziging van 30 september 2003 werden besproken en waarin de administratie haar definitief standpunt inneemt.
Er werd vervolgens een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd onder kohierartikel 358091.
Geïntimeerde heeft tegen deze aanslag een bewaarschrift ingediend hetwelk op 24 maart 2004 werd ontvangen.
Op 21 januari 2005 leidde geïntimeerde de procedure in voor de eerste rechter bij gebrek aan tijdige directoriale beslissing.
1.7.
Voor de aanslagjaren 2002 en 2003 werden op 22 januari 2004 berichten van wijziging van aangifte verstuurd waarin de herkwalificatie van de geboekte interesten tot dividenden werd uiteengezet. Op 25 november 2004 werden aangetekende brieven verstuurd naar de N.V. THB H. conform artikel 346 laatste lid W1B92 waarin de opmerkingen van de N.V. THB H. op de berichten van wijziging van 22 januari 2004 werden besproken en waarin de administratie haar definitief standpunt inneemt.
Er werden vervolgens aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd onder de kohierartikelen 844403649 (aanslagjaar 2002) en 844401329 (aanslagjaar 2003).
De N.V. THB H. diende tegen deze aanslagen bezwaarschriften in die werden ontvangen op 22 maart 2005.
Deze werden afgewezen bij directoriale beslissing van 14 juli 2005.
Op 27 juli 2005 leidde geïntimeerde terzake de procedure in voor de eerste rechter.
1.8.
De eerste rechter voegde de beide zaken samen en oordeelde dat de administratie niet heeft bewezen dat het creditsaldo van de rekeningen-courant van de aandeelhouders/bestuurders bij de N.V. THB H., is ontstaan ten gevolge van een geldlening.
Volgens de eerste rechter is de herkwalificatie van intresten in dividenden in de zin van artikel 18, 4° W1B92 derhalve niet mogelijk.
De eerste rechter beval derhalve de ontheffing van de litigieuze aanslagen en de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond ervan werden ontvangen verhoogd met de moratoriumintresten overeenkomstig de artikelen 418 en 419 WIB92.
De eerste rechter veroordeelde de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
1.9.
De vordering in graad van beroep van de Belgische Staat, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt:
`Alle verdere en strijdige besluiten verwerpend;
Het door concluant b j verzoekschrift dd. 16 maart 2007 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis dd. 31 januari 2007 van de 11 de Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Dienvolgens het vonnis dd. 31/01/2007 van de I ]de kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt (A.R nr. 05101601A A.R nr. 05/1562/A) te vernietigen en opnieuw recht doende, doende wat de eerste rechter had moeten doen de door geïntimeerde gestelde vorderingen voor de Rechtbank van Eerst Aanleg ongegrond te verklaren.
Geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres af te wijzen van haar vorderingen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingvergoedingen. "
2. Bespreking
2.1. wat betreft de beweerde schending van artikel 346 WIB92
Terecht stelt de eerste rechter dat er in casu geen schending is van artikel 346 WIB92.
Er kan terzake verwezen worden naar de motivering van de eerste rechter die hier wordt overgenomen.
2.2. de herkwalificatie van een deel van de door de N.V. THB H. toegekende intresten in dividenden
2.2.1.
Artikel 18 WIB92 stelt (in de versie van toepassing op de litigieuze aanslagjaren)
"Dividenden omvatten: (..)
° intrest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding; - ofwel de in artikel 55 gestelde grens; - ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.
Als voorschot wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap... "
2.2.2.
Ten onrechte stelt geïntimeerde dat artikel 18, 4° W1B92 niet kan toegepast worden in hoofde van een vennootschap.
2.2.2.1.
Intresten die zijn betaald of toegekend op zogenaamde rentegevende voorschotten die aan de vennootschap zijn verleend, zijn normaliter bij de vennootschap aftrekbaar en aan de roerende voorheffing onderworpen.
De intresten worden echter als dividenden behandeld en zijn dus fiscaal niet aftrekbaar indien en in zoverre één van de volgende grenzen wordt overschreden:
- de in art. 55 WIB 92 gestelde grens (de rentevoet op de geldmarkt);
- wanneer het totale bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van het belastbare tijdperk. (art. 18, 4° WIB 92)
Die regeling is in alle typen van vennootschappen van toepassing op voorschotten, d.w.z. al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldleningen verstrekt door o.a. aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders (art. 18, 2° lid WIB 92).
2.2.2.2.
De wet van 20 november 1962 heeft voor het eerst in België een stelsel van herkwalificatie van intresten tot dividenden ingevoerd.
Die wet beoogde echter enkel de intresten van voorschotten die werden toegestaan aan personenvennootschappen (artikel 15, lid 2, 2° van het vroegere W1B64)
De wet van 28 juli 1992 heeft dit stelsel gewijzigd en het verruimd tot alle vennootschappen, ongeacht of het kapitaal- dan wel personenvennootschappen betreft.
2.2.2.3.
De huidige versie van artikel 18, 4° van het WIB92 is het resultaat van een wijziging die werd aangebracht bij koninklijk besluit met bijzondere machten van 20 december 1996.
De aanpassing vanaf 1 januari 1997 van de "regels betreffende onderkapitalisatie van vennootschappen" is er gekomen om alle vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik te bestrijden en een correcte inning van de ontvangsten en een efficiënte controle van de ontvangsten en de uitgaven te waarborgen teneinde de toetreding van België tot de Europese Economische en Monetaire Unie mogelijk te maken (artikelen 2, § 1 en 3, § 1, 3', Wet van 26 juli 1996.
In het verslag aan de Koning staat expliciet vermeld dat men met artikel 3 van het KB van 20 december 1996, met het oog op de bestrijding van onderkapitalisatie van vennootschappen, de reeds bestaande maatregel wilde uitbreiden tot de geldleningen die een natuurlijk persoon verstrekt aan een vennootschap waarvan hij aandeelhouder is.
Het is geenszins zo dat de recentste aanpassing van artikel 18, 4° WIB 92 een nieuwe wetgeving is waarvan de inhoud niet meer strookt met de "oude" wetteksten van artikelen 183 en 185 W1B92, waardoor deze impliciet opgeheven zouden worden.
Artikel 183 WIB92 bepaalt dat de inkomsten die de grondslag vormen van de vennootschapsbelasting, wat hun aard betreft, dezelfde zijn als die welke beoogd worden in de personenbelasting, te weten: 1. de inkomsten van onroerende goederen 2. de inkomsten van roerende goederen en kapitalen 3. de beroepsinkomsten 4. de diverse inkomsten (artikel 6 WIB'92).'
Al deze inkomsten verkrijgen een beroepskarakter uit hoofde van het feit dat een vennootschap die voor de uitoefening van een winstgevende bezigheid werd opgericht, niets bezit dat niet tot dat doel wordt aangewend.
Er staat dus niet vermeld dat met belastbaar inkomen in de vennootschapsbelasting enkel winsten beoogd worden.
Temeer, in de personenbelasting worden ook de inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten (artikel 37 W1B92). In de personenbelasting worden ingeval van beroepshalve gebruikte effecten de ontvangen dividenden dus gelijkgesteld met winsten van de betreffende beroepswerkzaamheid.
Dat de inkomsten van de vennootschapsbelasting worden vastgesteld volgens de regels van toepassing op winsten betekent dus geenszins dat deze inkomsten zich ook beperken tot winsten.
Artikel 185 WIB92 bepaalt dat vennootschappen belastbaar zijn op het totale bedrag van de winst, dividenden inbegrepen.
Artikel 74 van het KB tot uitvoering van het W1B92 stelt dat "om het aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen resultaat vast te stellen, wordt het resultaat van het belastbaar tijdperk (..), vooraf volgens bestemming in de volgende categorieën onderverdeeld 1 ° reserves 2° verworpen uitgaven 3 ° dividenden
Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan: 1 ° (. ..) 2 ° ( . ..) 3° ... onder “dividenden”, de dividenden vermeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek. "
Overeenkomstig artikel 18, 1° WIB92 (zoals het werd gewijzigd door artikel 3 van de wet van 22 december 1998, houdende fiscale en andere bepalingen - B.S., 15 januari 1999) omvatten dividenden alle voordelen van aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welke hoofde en op welke wijze ook verkregen van een vennootschap.
Ter zake moet er geen onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende soorten aandelen (kapitaal-, stichters-, bevoorrechte aandelen enz....) naargelang hun vorm, de regelen van overdracht ervan of de bijzondere toestand die ze in de vennootschap innemen. Bovendien spelen noch de wijze van toekenning of vaststelling (vaste of veranderlijke inkomsten, zowel verleend tijdens het boekjaar waarop ze betrekking hebben als na afsluiting ervan), noch de wijze van betaling (in geld, aandelen,vastrentende effecten of anderszins), noch de oorsprong van de winsten waaruit zij voortkomen (uitkering van exploitatiewinsten, meerwaarden, reserves,enz...), noch het feit of de genieter de dividenden al dan niet daadwerkelijk heeft ontvangen, enige rol.
Een herkwalificatie overeenkomstig artikel 18, 4° W1B92, heeft tot gevolg dat in hoofde van de vennootschap die deze interesten betaalt, de interesten die fiscaal als dividenden moeten worden aangemerkt, deel uitmaken van het fiscaal resultaat (artikel 185 W1B92). Het belastbaar resultaat van een vennootschap wordt uitgaande van het boékhoudkundig resultaat en rekening houdend met de winstverdeling, vastgesteld in een aantal opeenvolgende bewerkingen.
Een eerste bewerking strekt ertoe het fiscaal resultaat te bepalen uitgaande van het boekhoudkundig resultaat en rekening houdend . met de winstverdeling en de geboekte kosten die fiscaal gecorrigeerd moeten worden.
In hoofde van de ontlenende vennootschap leidt de herkwalificatie van de intresten tot dividenden tot een evenredige verhoging van de grondslag van belasting aangezien het bedrag van het dividend dat uit deze herkwalificatie voortvloeit, niet wordt goedgemaakt door enige onttrekking aan de reserves.
Er is dus totaal geen sprake van een wetswijziging door de bepaling van de definitie van dividenden.
In het KB/WIB staat niets wat tegenstrijdig is met het Wetboek.
De stelling van geïntimeerde dat deze bepaling onwettelijk is, kan niet worden gevolgd.
2.2.3.
De fiscale wetgeving geeft geen omschrijving van het begrip "geldlening", zodat hiervoor dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht.
Een rechter is daarbij niet gebonden door de juridische kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst geven.
Het in casu ter beschikking laten van de vennootschap van de gelden die deze laatste verschuldigd is naar aanleiding van de verkoop van aandelen door, de bestuurders/aandeelhouders aan de vennootschap en het boeken van deze gelden op een intrestopbrengende "rekening-courant" dient te worden gekwalificeerd als een geldlening tegen intrest (zie ook : Vred. Elsene, 27 maart 1997,,T. Vred., 1999,127; Antwerpen, 5 september 2000, Fiscoloog, 2000, nr. 770, p. 10; Antwerpen, 29 september 1998, FJ.F., nr. 99/171; Gent, 31 maart 1999, F.J.F., nr, 99/138; Antwerpen„.2.mei 2006, inzake AR. nr. 2003AR3049, niet., gepubliceerd; Cass., 16 november.2006, www.cass.be).
De werkelijke bedoeling van partijen hierbij is inderdaad dat het geld wordt geleend door de bestuurders/aandeelhouders aan hun vennootschap.
Het .rechtsfeit van de ter beschikking stelling van de gelden (te bewijzen met alle middelen van recht) blijkt uit de boeking op de zgn. "rekening-courant".
Van de overeenkomst van lening wordt (in toepassing van artikel 1347 BW) het begin van bewijs door geschrift geleverd door de boekhouding van de vennootschap waarin vooreerst de schuld in hoofdsom wordt geboekt.
Uit het feit dat tevens een intrest wordt toegekend, blijkt de wil van partijen dat de ontlener niet zonder meer afstand heeft gedaan van de hoofdsom, maar dat deze (ooit) dient terugbetaald en dat in afwachting hiervoor een vergoeding (intrest) werd overeengekomen.
De administratie heeft terecht de litigieuze herkwalificatie doorgevoerd.
Dit is des te meer zo door de volgende begeleidende omstandigheden
- Nog vóór de oprichting van de N.V. THB H. op 28 mei 1999 werd reeds in een "Kaderovereenkomst" van 25 mei 1999 vastgelegd dat, indien noodzakelijk, de bestaande R/C-verhoudingen die door de verkoop van een pakket aandelen zullen ontstaan, deels zullen omgezet worden in twee achtergestelde leningen met een looptijd van 5 jaar. - In uitvoering van voormelde kaderovereenkomst blijken twee leningsovereenkomsten (gedateerd 1 januari 2000) welke vermelden : "De lener verklaart schuldig te zijn wegens gelden heden als lening ontvangen, tegen kwijting, de som van vijftien miljoen (15.000.000,-) aan de uitlener, die aanvaardt. ", waarbij in werkelijkheid er een overboeking gebeurde t.b.v. elk 15.000.000 BEF van de respectievelijke rekeningen-courant (rekeningen 489001 en 489002) naar de achtergestelde leningen (rekeningen 174010 en 174020), d.m.v. diverse boekingen, gedateerd op 31 december 2000. - Terzake de rekeningen-courant van de heren V.D.B., werd in de voormelde "Kaderovereenkomst" van25 mei 1999 het volgende vermeld : `Ieder der partijen neemt bij deze verder ook het engagement op zich om met betrekking tot de saldo's van deze rekening-courant verhoudingen - na de transacties in lijn met de vorige alinea - tot 31/12/2004 geen terugname ervan te vorderen dan binnen redelijke grenzen en zonder de solvabiliteit van de vennootschap THB H. N. V en de andere betrokken vennootschappen in het gevaar te brengen. "
Uit de tekst van de voormelde "kaderovereenkomst", waarin wordt gestipuleerd dat de saldo's van de rekening-courant niet zullen opgevraagd worden vóór 31/12/2004 om de solvabiliteit van de N.V. THB H. en de onderliggende vennootschappen niet in gevaar te brengen, blijkt duidelijk dat het de bedoeling van partijen was om naast de overdracht van de aandelen van de B.V. CVDB eveneens onmiddellijk het saldo van de verkoopprijs ter beschikking te stellen aan de N.V. THB H. bij wijze van lening (voor een periode van (minimum) 5 jaar en met de verplichting tot terugbetaling ervan.
2.2..4.
De litigieuze ter beschikking stelling van gelden gebeurde vooreerst, bij de verkoop van de aandelen B.V. CVDB, door een boeking op de rekeningen-courant van beide bestuurders en nadien, ingevolge de bepalingen van de Kaderovereenkomst, enerzijds door een boeking op rekeningen-courant (2 X 63.000.000 BEF/1:561 729,21 EUR) en anderzijds onder de vorm van ,achtergestelde leningen met gekapitaliseerde interest (2:X 15.000.000 BEF/371.840,29 EUR).
De administratie stelt terecht dat dit geen afbreuk doet aan.het feit dat het hier in wezen gaat om één geldlening toegestaan bij de verkoop van de aandelen.
Het is mogelijk dat de twee voorschotten (het rentegevende en het niet-rentegevende) voor hun totaal bedrag in aanmerking genomen worden wanneer uit de omstandigheden blijkt dat de bedoelde voorschotten hun oorsprong vinden in de splitsing van één enkel vooraf bestaand voorschot, in toepassing van artikel 344, § 1 WIB92, dat luidt als volgt : "Aan de administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt ".
Terecht stelt de administratie dat de opsplitsing van dit voorschot door het afsluiten van een contract met beide verkopers onder de benaming "geldlening" louter is ingegeven vanuit fiscaal oogpunt, om de belasting te ontwijken.
De looptijd van de geldleningen bedraagt vijf jaar (t/m.31/12/2004) en de terugbetaling van het geleend kapitaal zal gebeuren op het einde van de vijfjarige periode.
In de "Kaderovereenkomst" wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat wat betreft de saldo's van de RJC-verhoudingen tot 31/12/2004 (ook een periode van vijf jaar) ieder der partijen het engagement op zich neemt geen teruggave ervan te vorderen die de solvabiliteit van de betrokken vennootschappen zouden kunnen schaden.
Bovendien zullen deze rekeningen-courant tijdens deze periode ook niet rentedragend zijn.
Bijgevolg zal het gedeelte van de niet betaalde koopprijs dat geboekt werd onder R/C pas rentegevend zijn als het andere deel geboekt onder de vorm van een ~uitgestelde lening betaald is.
Op deze wijze is de enige bedoeling van partijen duidelijk het overschrijden van de grenzen vermeld in artikel 18 W1B92 te omzeilen.
De afsplitsing van 2 rentegevende leningen van elk 15.000.000 BEF/371.840,29 EUR heeft als enige bestaansreden de ontwijking van de herkwalificatieregeling.
Elke vorm van intrest die zou bedongen worden op het voorschot geboekt op de rekeningen-courant zou immers geherkwalificeerd worden omdat het bedrag van het voorschot 156.000.000 BEF bedraagt zodat de grens van de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk wordt overschreden.
De door de N.V. THB H. geponeerde uitleg over haar financiële en economische behoeften zijn niet van aard om hogervermelde vaststellingen te weerleggen.
De opsplitsing is derhalve niet tegenstelbaar aan de administratie.
De rekeningen-courant en de leningsovereenkomsten werden terecht geacht één en dezelfde schuld te vertegenwoordigen zodat de intresten toegekend op dit voorschot terecht werden geherkwalificeerd overeenkomstig artikel 18 W1B92.
2.2.5.
In de overeenkomst m.b.t. de geldlening, gedateerd op 1 januari 2000, is vermeld dat de lening wordt toegestaan tegen een netto rentevoet van 7 procent per jaar.
De rente zal gekapitaliseerd worden en uitbetaald worden bij het verstrijken van de periode van 5 jaar.
`Het feit dat de rente gekapitaliseerd wordt, houdt, onvermijdelijk in dat deze toegewezen wordt aan diegene die het kapitaal. ter beschikking heeft gesteld, ook al kan hij het bedrag nog niet opeisen. `
M.b.t. het jaar 2000 werd de intrestlast geboekt op 31 december 2000, op het moment dat ook het kapitaal werd overgeboekt van de rekeningen-courant naar de rekeningen m.b.t. de leningen.
Ook in de boekjaren 2001 en 2002 werd de intrest geboekt op de overlopende rekening "toe te rekenen kosten".
De intresten werden ten laste gelegd van het resultaat van de boekjaren 2000, 2001 en 2002.
Artikel 360 WIB92 bepaalt dat de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting wordt gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verkregen.
Artikel 200 KB(WIB92 bepaalt dat wat de vennootschapsbelasting betreft, het belastbare tijdperk samen valt met het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd indien de betrokkenen per kalenderjaar boekhouden.
Artikel 185 WIB92 bepaalt dat vennootschappen belastbaar zijn op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen.
Overeenkomstig artikel 18 WIB92 verstaat men o.m. onder uitgekeerde dividenden de als dividenden geherkwalificeerde interesten van voorschotten.
De te betalen intresten werden door de N.V. THB H. jaarlijks als zekere en vaststaande schulden geboekt op de overlopende rekeningen.
Zij werden ten laste gelegd van de resultatenrekening en dus als beroepskosten in mindering gebracht.
Daarom komen zij voor de betreffende jaren in aanmerking voor herkwalificatie (zie ook-,: rb. Antwerpen, 20 januari 2003, TFR, 2003, afl. 240, p. 380-381).
2.2.6.
Gelet op wat voorafgaat, zijn de overige argumenten en middelen van partijen niet (langer) relevant.
Ten onrechte heeft de eerste rechter dan ook aanvaard dat er in casu niet sprake is van een geldlening.
Het vonnis van de eerste rechter dient te worden hervormd.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt het bestreden vonnis.
Opnieuw recht doende,
Verklaart de oorspronkelijke vorderingen voor de eerste rechter van de N.V. THB H. ontvankelijk doch ongegrond.
Wijst haar ervan af en veroordeelt haar tot de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in graad van beroep, begroot aan de zijde van appellanten op: eerste aanleg rechtsplegingsvergoeding: 242,94 EUR hoger beroep rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ACHTTIEN MAART TWEEDUIZENDENACHT, waar aanwezig waren:
D.W., Raadsheer wd. Voorzitter; S. B. en M.V.d.B., Raadsheren; A.V.L.,Griffier.
Op het ogenblik van de uitspraak,, van huidig arrest, waarover Voorzitter R.T., mede beraadslaagd ;heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk-Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door de Raadsheer wd. Voorzitter D.W; hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 782 Bis 2° Lid van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van 18 maart 2008.
Als bijlage: Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt dd. 31.01.2007
31.01.2007
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN:
IN ZAKE A.R. nr. 05.0160.A
N.V. THB H., met zetel …te …, ingeschreven in het handelsregister te …HA 102102, ondernemingsnummer ….
Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, ….
tegen:
ADMINISTRATIE VAN DE BIJZONDERE BELASTINGSINSPECTIE TE HASSELT, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43. DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, de heer Brouwers, directeur.
EN IN ZAKE A.R. nr. 05.1562.A
N.V. THB H., met zetel …te …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt HA 102102, ondernemingsnummer….
Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …..
tegen:
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT, Gewestelijk directeur der directe belastingen met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, de heer Brouwers, directeur.
VOLGT HET VONNIS:
Gelet op: a. het verzoekschrift in fiscale zaken in de zaak A.R. nr. 05/160/A, neergelegd ter griffie op 21.1.2005 waarbij eiseres fiscaal verhaal instelt tegen de aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van eiseres, gemeente Neerpelt, artikel nr. 358091, supplement aan art. 821288956, van 19.12.2003, aanslagjaar 2001, balans dd. 31.12.2000, voor een bedrag van 12.570,07 euro bij gebrek aan een directorale beslissing over het bezwaarschrift van eiseres tegen deze aanslag, ingediend op 23.3.2004 op het ogenblik van de indiening van het voormeld verzoekschrift en het verzoekschrift in fiscale zaken in de zaak A.R. nr. 0511562/A waarbij eiseres fiscaal verhaal instelt tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van eiseres, gemeente Neerpelt, artikel nr. …, supplement aan art. …, van 17 december 2004, aanslagjaar 2002, balans dd. 31.12.2001, voor een bedrag van 16.527,07 euro en artikel nr. 844401329, supplement aan art. nr. 841617497, van 21 december 2004, aanslagjaar 2003, balans dd. 31.12.2002 voor een bedrag van 14.674,95 euro; b. de stukken en conclusies van partijen in beide zaken A.R. nr. 051160/A en A.R. nr. 05/1562/A.
Relevante feiten en voorqaanden
1. De betwisting tussen partijen betreft de volgende aanslagen in de vennootschapsbelasting, gevestigd in hoofde van eiseres:
In de zaak A.R. nr. 05/160/A:
- gemeente Neerpelt, artikel nr. …, supplement aan art. …, van 19.12.2003, aanslagjaar 2001, balans dd. 31.12.2000, voor een bedrag van 12.570,07 euro;
In de zaak A.R. nr. 05/1562/A:
- gemeente Neerpelt, artikel nr. …, supplement aan art. …, van 17 december 2004, aanslagjaar 2002, balans dd. 31.12.2001, voor een bedrag van 16.527,07 euro; - en artikel nr. …, supplement aan art. nr. …, van 21 december 2004, aanslagjaar 2003, balans dd. 31.12.2002 voor een bedrag van 14.674,95 euro.
Eiseres werd op 28.5.1999 opgericht, met een maatschappelijk kapitaal als volgt:
- destijds, 343.000 BEF (8.507,74 €), volstort in geld; - destijds, 45.657.500 BEF (1.131.819,86 €) volstort door een inbreng in natura.
De inbreng in natura betrof de inbreng van de aandelen van 4 Belgische vennootschappen.
Als vergoeding voor die inbreng werden 21.500 aandelen toegekend aan de Heer P.V.d.B. en 21.500 aandelen aan de Heer A.V.d.B.
Blijkbaar hadden deze natuurlijke personen ook nog aandelen in een Nederlandse vennootschap BV C.V.D.B.
Na de oprichting werden deze aandelen verkocht aan eiseres, voor een totaal bedrag van destijds 156.000.000 BEF (3.867.138,98 €).
Blijkbaar werd die aankoopprijs door eiseres niet onmiddellijk voldaan.
Immers werd deze aankoopprijs geboekt op het credit van de rekeningcourant van beide voormelde natuurlijke personen V.d.B., hetzij 78.000.000 BEF (1.933.569,49 €) op het credit van de rekening-courant van ieder van hen.
Vervolgens, namelijk op 1.1.2000 werd voor ieder van deze natuurlijke personen deze vordering van hen op eiseres, voor een bedrag van telkens 15.000.000 BEF (371.840,28 €) omgezet in een lening met een looptijd van 5 jaar tegen een rentevoet van 7 % "netto", betaalbaar na verloop van vijf jaar, dus niet tussentijds, jaar per jaar.
De hoofdsom van deze lening werd gedebiteerd op ieder van de twee voormelde rekeningen-courant.
Bij bericht van wijziging van 30.9.2003 (stuk 76 administratief dossier A.R. 05/160/A), later nader gespecificeerd in het "definitief standpunt" van verweerder van 18.12.2003 (stuk 97 administratief dossier), wijzigde verweerder de aangifte van eiseres voor aanslagjaar 2001, door opname in de belastbare grondslag van eiseres van een bedrag van 1.521.154 BEF (37.708,42 €) als dividenden, waarbij verweerder uiteen zet dat het gaat om een herkwalificatie van geboekte intresten op voormelde "lening" van telkens 15.000.000 BEF (371.840,28 €), in dividenden, ingevolge de toepassing van artikel 18, 4°, lid 1, tweede gedachtenstreep W.I.B.92, in concreto doordat volgens verweerder het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten door voormelde natuurlijke personen V.d.B. P. en A. aan eiseres, hoger is dan de som van de belaste reserves van eiseres bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal van eiseres bij het einde van dit tijdperk.
Uit het daaraan voorafgaande bericht van wijziging van 30.9.2003 voor aanslagjaar 2001 (stuk 76-80 administratief dossier), blijkt dat verweerder daarbij de "vorderingen" van V.d. B. P. en A. op eiseres, hetzij in totaal 156.000.000 BEF (3.867.138,98 €), namelijk alle schulden van eiseres op deze natuurlijke personen in hun geheel genomen (som van de bedragen geboekt op het credit van de rekening-courant en van de hoofdsommen van de "leningen", dit na omzetting), beschouwt als een rentegevend voorschot in de zin van artikel 18, 4°, lid 1, tweede gedachtenstreep W.I.B.92 en derhalve, uitgaande daarvan een bedrag aan intresten van 1.521.154 BEF (37.708,42 €) als dividenden "verstrekt" door eiseres heeft geherkwalificeerd.
Wat het concreet bedrag aan te herkwalificeren "intresten" betreft, hanteert verweerder de in stuk 81 van het administratief dossier vermelde berekening, waarbij voor het totaal bedrag aan intresten van 2.100.000 BEF (52.057,64 €), een bedrag van 1.521.154 BEF (37.708,42 €) wordt geherkwalificeerd als een dividend.
Bovendien roept verweerder daarbij artikel 344 § 1 W.I.B.92 in en stelt hij dat het totaal bedrag der vordering van V.d.B. P. en A. van 156.000.000 BEF (3.867.138,98 €) op eiseres, ingevolge artikel 344 § 1 W.I.B.92 als "voorschot" in de zin van artikel 18,4°, lid 1 W.I.B.92 beschouwd moet worden, en niet enkel het bedrag van de 2 leningen van 15.000.000 BEF (371.840,28 €), na omzetting.
Ingevolge deze wijziging werd de bestreden aanslag voor aanslagjaar 2001 ingekohierd.
Voor de aanslagjaren 2002 en 2003 werd in de berichten van wijziging voor aanslagjaar 2002 en 2003 (zaak A.R. 05/1562/A: stuk 82 administratief dossier, aanslagjaar 2002 en stuk 166 administratief dossier, aanslagjaar 2003) een gelijkaardige redenering gevolgd.
Eiseres kon met geen van voormelde gevestigde aanslagen instemmen en diende de bovenvermelde bezwaarschriften in, en legde vervolgens voormelde verzoekschriften neer ter griffie van deze rechtbank, bij afwezigheid van een directorale beslissing over de bezwaarschriften tegen ieder der voormelde aanslagen in een periode van zes maanden na de indiening ervan.
Samenvoeging
De twee vorderingen in rechte ter griffie gekend onder A.R. 051160/A en A.R. 0511562/A hebben tot voorwerp de al dan niet rechtsgeldigheid van de herkwalificatie van toegekende intresten op 2 leningen, respectievelijk creditstanden rekening-courant V.d.B. P. en A., door eiseres.
Hoewel verspreid over verschillende aanslagjaren, gaat het in beide zaken om samenhangende vorderingen, zodat het omwille van een goede rechtsbedeling aangewezen is de zaken met A.R. 051160/A en A.R. 0511562/A samen te voegen.
Beoordelinq
Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder in de zaak A.R. 051160/A en de zaak A.R. 0511562/A geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering, zodat zij de vordering in haar geheel als ontvankelijk beoordeelt.
Ten gronde
A. A.R. 05/160/A : al dan niet schendinq artikel 346, in het bijzonder art. 346, laatste lid W.I.B.92
Eiseres besluit in haar gedinginleidend verzoekschrift (doch niet meer in haar conclusies) tot de schending van de procedure van wijziging van de aangifte omdat zij niet volgens het voorschrift van artikel 346, laatste lid W.I.B.92 rechtsgeldig in kennis zou zijn gesteld van het definitief standpunt van verweerder over de aanslag, voorafgaand aan de vestiging van de bestreden aanslag.
Met verweerder moet worden aangenomen dat verweerder die verplichting wel heeft nageleefd, hetgeen blijkt uit de stukken van het dossier (met name de stukken 97 e.v. administratief dossier zaak A.R. 05/160/A).
Verweerder toont aan aan eiseres een aangetekende brief te hebben gezonden houdende het definitief standpunt, die evenwel door eiseres niet werd aangenomen en door eiseres niet bij de diensten van de post werd afgehaald, waarop verweerder de zending terug bij gewone post aan eiseres verzond.
In die omstandigheden is een schending van artikel 346, laatste lid W.I.B.92 door eiseres niet aangetoond, zodat dit argument van eiseres niet kan worden aangenomen. Bovendien is een bericht van wijziging slechts een uitnodiging tot discussie zodat de vermelding van een wetsbepaling in zijn oude versie, hetgeen eiseres aan verweerder ook verwijt, evenmin kan leiden tot de inwilliging van de vordering van eiseres tot ongeldigverklaring van de procedure van wijziging van de aangifte.
B. De herkwalificatie van een deel van de door eiseres toeqekende intresten in dividenden in de beide zaken aanhangiq (A.R. nr. 05/160/A en A.R. nr. 05/1562/A)
Verweerder maakt in de bestreden aanslagen een gecombineerde toepassing van artikel 18, 40 W.I.B.92 en artikel 344 § 1 W.I.B.92.
Verweerder stelt immers, enerzijds, dat het volledige bedrag van de vorderingen van V.d. B. P. en A., in welke vorm ook, aanzien moet worden als een rentegevend voorschot in de zin van artikel 18, 4° W.I.B.
Vooreerst moet worden opgemerkt dat tussen partijen alvast geen discussie bestaat over de hoedanigheid van V.d.B. P. en A., wat de toepassing van artikel 18,4°, lid 2 W.I.B.92 betreft. Dat rentegevende voorschotten precies door deze natuurlijke personen in beginsel aanleiding kunnen geven tot een herkwalificatie in de zin van artikel 18, 4°, lid 1 W.I.B.92, is tussen partijen geen voorwerp van discussie.
Bij nadere analyse blijkt dat verweerder, teneinde de concrete herkwalificatie van intresten in dividenden in hoofde van eiseres te bekomen, eerst, wat het geheel der vorderingen van V.d. B. A., respectievelijk P. betreft, overging tot herkwalificatie onder artikel 344 § 1 W.I.B.92, door het uitstaand creditsaldo in rekening-courant voor ieder van deze natuurlijke personen, na omzetting van het overige deel in een lening van 15.000.000 BEF (371.840,28 €), op zich niet rentegevend, op te tellen bij die inmiddels door overeenkomst "toegestane" en rentegevende leningen, voornoemd.
Vervolgens herkwalificeerde verweerder een deel van de toegekende (niet uitbetaalde) intresten op voormelde leningen (namelijk 1.521.154 BEF), als dividenden in de zin van artikel 18, 4° W.I.B.92.
Gelet op de vaststelling dat verweerder zijn taxaties uiteindelijk steunt op de premisse dat V. d.B. P. en A., aan eiseres een rentegevend voorschot hebben toegestaan, moet worden vastgesteld dat de herkwalificatie van het geheel der vorderingen van deze natuurlijke personen op eiseres, in een "rentegevend voorschot", uiteindelijk steunt op de premisse, gehanteerd door verweerder, dat de totale schuld van eiseres (die minstens voor 126.000.000 BEF (3.123.458,41 €) zijn oorsprong vindt in een vordering ontstaan ten gevolge van een overdracht van aandelen door deze natuurlijke personen aan eiseres en de boeking van de prijs daarvan in rekening-courant op de creditzijde), zowel onder artikel 344 § 1 W.I.B.92 als onder artikel 18,4° vereenzelvigd moet worden met de kwalificatie "rentegevend voorschot".
Te dien aanzien is artikel 18, 4° W.I.B.92 bovendien een lex specialis ten aanzien van artikel 344 § 1 W.I.B.92, in huidige context toegepast.
De vraag die voorligt is dus, vooreerst, of de schuld van 126.000.000 BEF (3.123.458,41 €) in hoofde van eiseres, gezien vanuit het standpunt van V.d.B. A. en P., een "rentegevend voorschot" is in de zin van artikel 18, 4° W.I.B.92.
Welnu, wat het saldo van de rekeningen-courant, na omzetting van een deel van de koopprijs van de aandelen B.V. C.V.D.B. betreft, moet worden vastgesteld dat het niet gaat om "rentegevende voorschotten" in de zin van artikel 18, 40 W.I.B.92 en dus ook niet in de zin van artikel 344 § 1 W.I.B.92 zoals toegepast in de huidige zaak.
Immers, vanaf 1 januari 1997 werd in artikel 18,4° WIB 1992 de zinsnede "elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde vordering" vervangen door de zinsnede "elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening".
Het begrip "vordering" is zeer ruim en omvat elke som die tegen betaling van intresten ter beschikking van de vennootschap wordt gesteld; het begrip "geldlening" is daarentegen beperkter. Er moet bovendien acht geslaan worden op de onderlinge rechtsverhouding in concreto (vgl. Cass. 16.11.2006).
De terminologische aanpassing van artikel 18,4° WIB 1992 heeft het toepassingsgebied bijgevolg ongetwijfeld beperkt.
Aangezien de fiscale wetgeving geen omschrijving geeft van het begrip "geldlening", dient de omschrijving uit het civiel recht te worden gehanteerd.
Krachtens de artikelen 1892, 1895 en 1905 B.W. wordt het begrip "geldlening" omschreven als een verbruiklening waarbij de ene partij gelden aan de andere partij afgeeft, onder verplichting voor deze om aan de eerstgenoemde evenzoveel gelden terug te geven en waarbij het geoorloofd is intrest te bedingen.
Kenmerkend voor de geldlening is de overhandiging van gelden; het contract van de geldlening ontstaat aldus pas bij de overhandiging van de gelden en zolang er geen gelden overhandigd zijn, is er geen contract van geldlening.
Te dezen staat het ontegensprekelijk vast dat de schuldvorderingen van V.d.B. P. en A. geenszins zijn ontstaan tengevolge van de overhandiging van gelden aan eiseres; de schuldvordering is integendeel ontstaan tengevolge van de toekenning van het uitstel van betaling van een prijs bedongen voor aandelen.
Bij gebrek aan overhandiging van gelden is de schuld van eiseres aan deze natuurlijke personen geenszins ontstaan tengevolge van een geldlening. Het gaat dus niet om een rentegevend voorschot.
De Administratie levert geen bewijs dat het creditsaldo van deze rekeningencourant van voormelde natuurlijke personen bij eiseres, is ontstaan tengevolge van een geldlening, zodat de Administratie bijgevolg faalt in haar bewijslast en de herkwalificatie van de intresten in dividenden dan ook niet mogelijk is.
De bestreden aanslagen moeten daarom ontheven worden.
Wat de leningen ten bedrage van 15.000.000 BEF (371.840,28 €) betreft, gaat bovenstaande redenering niet op, nu eiseres zelf door de leningsakte houdende herkwalificatie van haar schuld ingevolge aankoop van aandelen, in een lening, blijk heeft gegeven van de wil de prijs voor aandelen die zij verschuldigd is, om te zetten in een lening van gelden als bedoeld in de artikelen 1892, 1895 en 1905 B.W. In die mate heeft zij zelf deze schuld "geherkwalificeerd". Evenwel kan die vaststelling bij nazicht van de toepassingsvoorwaarde van artikel 18, 4° lid 1, tweede gedachtenstreep W.I.B.92 in de huidige voorliggende gevalssituatie niet leiden tot wijziging van de voorgaande beslissing, zodat die gehandhaafd blijft.
Gelet op de toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak,
Voegt de zaken gekend onder AR nr. 05.160.A en AR. 005.1562.A samen.
Verklaart de vorderingen in de zaak A.R. nr. 051160/A en in de zaak A.R. 05/1562/A ontvankelijk en gegrond.
En derhalve,
In de zaak A.R. 05/160/A:
Ontheft de aanslag gevestigd in hoofde van eiseres, gemeente Neerpelt, artikel nr. 358091, supplement aan art. 821288956, van 19.12.2003, aanslagjaar 2001, balans dd. 31.12.2000,
En in de zaak A.R. nr. 05/1562/A:
Ontheft de aanslagen gevestigd in hoofde van eiseres, gemeente Neerpelt, artikel nr. …, supplement aan art. 831614992, van 17 december 2004, aanslagjaar 2002, balans dd. 31.12.2001, en artikel nr. …, supplement aan art. nr. 841617497, van 21 december 2004, aanslagjaar 2003, balans dd. 31.12.2002,
Beveelt voor alle voorgaande aldus ontheven aanslagen de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond ervan werden gevestigd verhoogd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 en 419 W. I.B.92,
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op € 182,20 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 31.01.2007 alwaar aanwezig waren:
De Heer L.B. rechter, waarnemend voorzitter; Mevrouw C.V., rechter, De Heer S.B., plaatsvervangend rechter, en, De Heer P.N., griffier.
|
|||||||