Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.06.2005

Datum :
21-06-2005
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
13 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

KB-Lux,Rechtmatige aanwending van gegevens

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.06.2005
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.06.2005
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.06.2005
Tax year : 0
Document date : 21/06/2005
Document language : NL
Modification date : 28/11/2006 12:22:26
Name : A 05/4
Version : 1
Court : appeal

ARREST A 05/4


Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 21.06.2005



KB-Lux - Rechtmatige aanwending van gegevens

    De fiscus steunt zich op gegevens uit het strafdossier van de KB Lux waaruit blijkt dat een bankrekening geopend werd bij de bank op naam van een belastingplichtige waarop aanzienlijke bedragen en gelden werden geplaatst.

    Het hof beslist dat de gegevens uit het strafdossier niet op een onrechtmatige wijze werden aangewend.

Commentaar

    Voor het hof riep de belastingplichtige de vrijspraak in,uitgesproken door de Correctionele Rechtbank te Hasselt in een andere zaak. De strafrechter beschouwde het als een vaststaand gegeven dat de stukken door de ex-werknemers van de KB-Lux ontvreemd werden met het oog op de chantage van de bank en dat deze stukken door een informant aan de Belgische gerechtelijke autoriteiten werden overhandigd. Integenstelling tot wat de Correctionele rechtbank besliste, vond het hof dat dergelijke bewijzen wel kunnen worden aangewend tegen de belastingplichtige. Volgens het hof was de overlegging in rechte slechts onrechtmatig geweest indien de met het onderzoek belaste persoon een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd om in het bezit te komen van de stukken of indien de ontvreemding van de stukken van de KB-Lux zou hebben plaatsgevonden met het doel de feiten aan te geven aan de gerechtelijke politie. In tegenstelling tot andere gerechtelijke beslissingen inzake KB-Lux werd door het hof geen uitspraak gedaan over de bewijswaarde van de stukken, doch wel over de al dan niet rechtmatige overlegging ervan gelet op de oorsprong van de stukken. Merk in dit verband op dat in de KB-lux betwisting van 16 december 2004 van het Hof van Beroep te Brussel de fiscus nog in het ongelijk gesteld werd bij gebrek aan enig gegeven nopens de herkomst van de microfiches.

Auteur : J. Vanden branden



Nummer: Rep.

Nummer:

Zitting van: 21/6/2005

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

In zake: 2003/AR/1572

appellanten,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 april 2003;

vertegenwoordigd door Mter. H. V loco Mter. J. B., advocaat (...)

tegen:

de BELGISCHE STAAT. Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;

g e ï n t i m e e r d e,

vertegenwoordigd door Meester A. van L. de J., advocaat (...)

* * *

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak tussen partijen gewezen op 9 april 2003, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 5 juni 2003;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten. eis en verweer:

1.1.- Door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel werd op 10 mei 1995 toelating verleend aan ambtenaren van het Ministerie van Financiën tot inzage en kopiename van het gerechtsdossier met notitienummer 70.97.1071/95 (het zogenaamde KBLux-dossier) teneinde te kunnen overgaan tot de regularisatie van de fiscale aangiften van de belastingplichtigen.

Uit dit dossier is gebleken dat de heer A. L. en zijn echtgenote mevrouw B. R., appellanten, bij KBLux over een (bank)rekening beschikken onder de naam "...", waarop tenminste in 1993 voor aanzienlijke bedragen gelden en effecten waren geplaatst.

Bij aangetekende brief van 7 september 1999 werden appellanten er door de BIJZONDERE BELASTINGINSPECTIE HASSELT l in kennis gesteld van de verlenging van de onderzoeks- en aanslagtermijn overeenkomstig de artikelen 333 en 354,2° lid van het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992.

1.2.- Zich steunend op de gegevens uit voormeld gerechtsdossier, zond de B.B.I. Hasselt l op 30 september 1999 een kennisgeving van aanslag van ambtswege, waarbij het voornemen werd medegedeeld om de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën te bepalen. Op grond van het saldo van de voormelde bankrekening op 10 juni 1993 ten bedrage van 4.810.929,80 EUR (194.072.427 BEF), verhoogd met nog andere te verantwoorden uitgaven, werd het indiciair tekort na verrekening van de verantwoorde inkomsten (pensioenen ten bedrage van 1.610.919 BEF) geraamd op een bedrag van 4.783.653,83 EUR (192.972.117 BEF).

1.3.- Appellanten toonden daarop aan dat het saldo van de buitenlandse bankrekening in een vorig jaar kon worden ingeroepen als een verantwoording van een deel van het saldo van de bankrekening vastgesteld in 1993, zodat enkel de aangroei in het jaar 1993 ten bedrage van 880.030,79 EUR (35.500.354 BEF) als een te verantwoorden indicie weerhouden moest worden.

1.4.- Na voorlegging van de nodige verantwoordingsstukken, bevestigde de B.B.I. Hasselt l bij aangetekende brief van 30 mei 2000 dat het indiciair tekort voor het aanslagjaar 1994 herleid werd tot voormeld bedrag, waarvan de helft aan de heer A. L. moest worden toegerekend en de andere helft aan de andere rekeninghouders, te weten zijn zoon S. L.

1.5.- Een aanvullende aanslag werd dan ook ingekohierd op 30 augustus 2000 onder artikel 047591, supplement aan artikel 756671704, en verzonden aan appellanten op 6 september 2000. Het indiciair tekort werd hierbij onder de bedrijfsinkomsten belast. Een belastingverhoging van 10 % werd tevens toegepast.

1.6.- Appellanten dienden alsdan op 27 september 2000 een bezwaarschrift in ter gewestelijke directie der directe belastingen te Hasselt tegen de gevestigde supplementaire aanslag voor het aanslagjaar 1994.

Hierbij werd aangevoerd:
- dat de administratie zich op onvolledige en onwettig verkregen gegevens steunt,
- dat het indiciair tekort verantwoord wordt door vermogensbezit in vorige jaren en in het betreffende jaar, voor het aanslagjaar 1992,
- dat er geen enkel gegeven aanwezig is dat er op wijst dat de gelden op de rekening in Luxemburg (voor de helft) toebehoren aan A. L.,
- dat de administratie het bewijs niet levert van een hogere graad van gegoedheid,
- dat het stelsel van de indiciaire taxatie strijdig is met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel

. Bij directorale beslissing genomen op 23 januari 2002 werd het bezwaarschrift evenwel afgewezen.

1.7.- Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 11 februari 2002 vorderen appellanten de vernietiging van de kwestieuze aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1994, de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze aanslag werden geïnd en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

1.8.- Het bestreden vonnis uitgesproken op 9 april 2003 stelt vooreerst vast dat appellanten het bestaan van een rekening bij een buitenlandse bankinstelling op naam van A. L. en zijn zoon, S. L., hebben toegegeven, evenals het bestaan van een aangroei op deze rekening ten bedrage van 880.030,79 EUR (35.500.354 BEF) in 1993. Er is derhalve geen reden om de voorlegging te bevelen van het gerechtsdossier nr. 1071/95 in zijn geheel. De eerste rechter oordeelt verder dat nu appellanten geen verdere uitleg of gegevens verstrekken, noch stukken voorleggen die aantonen op welke wijze de aangroei van de buitenlandse bankrekening verwezenlijkt werd, noch aantonen wie exact de eigenaar is van de op de rekening geboekte beleggingen, de Belgische Staat niet willekeurig handelt door op grond van artikel 577-2 B.W. uit te gaan van het vermoeden dat appellanten voor de helft aanzien moeten worden als eigenaar van de op de rekening geboekte beleggingen en door appellanten te verzoeken een verantwoording te verstrekken voor de helft van de aangroei van deze bankrekening. De door appellanten aangehaalde verantwoordingen door bedragen geïnd of toebehorend aan hun zoon kunnen niet aanvaard worden als verantwoording van een indiciair tekort in hoofde van appellanten zelf. Het bezit van vermogen in hoofde van S. L. toont immers niet aan dat appellanten over deze sommen daadwerkelijk hebben kunnen beschikken. Er is niet op positieve en controleerbare wijze aangetoond dat enig bedrag aan appellanten zou zijn gegeven of zou zijn aangewend tot het bewerken van een vermogensaangroei die de aangroei op de buitenlandse bankrekening ten bedrage van 440.015,39 EUR (I7.750.177BF) kan verklaren. Appellanten tonen ook niet aan in welke mate en voor welke bedragen exact spaaroverschotten en vermogensbezit van hun zoon S. L. niet reeds werden weerhouden als een verantwoording van zijn eigen indiciair tekort uit hoofde van de buitenlandse bankrekening gezamenlijk aangehouden met zijn vader. Gelden toebehorend aan K. L. kunnen evenmin strekken tot verantwoording van een vermogensaangroei zo groot als de aangroei van de buitenlandse bankrekening.

Appellanten tonen immers niet te genoegen van recht aan dat gelden toebehorend aan K. L. hen ter hand zouden zijn gesteld teneinde een aangroei op een buitenlandse bankrekening gehouden door haar vader en haar broer voor dergelijke grote bedragen mogelijk te maken. Appellanten tonen derhalve niet aan in welke mate zij beschikten over sommen of bedragen op hun eigen naam en niet onder die van derden die de te verantwoorden indicie kunnen rechtvaardigen. Evenmin tonen zij op controleerbare wijze aan in welke mate en voor welke bedragen zij ter verantwoording van de indicie zouden hebben kunnen beschikken over gelden teneinde daarmee handelingen te stellen in eigen naam doch voor rekening van derden, te weten hun kinderen. Appellanten tonen tenslotte niet aan op welke wijze het bewijsmiddel door tekenen en indiciën een niet toegelaten onderscheid zou in het leven roepen ten aanzien van verschillende categorieën van belastingplichtigen. Evenmin is het evenredigheidsbeginsel geschonden. Er is geen afwezigheid van een band van evenredigheid tussen het aangewende bewijsmiddel en het doel daarvan, te weten het bewijs van een belastbare grondslag. De vordering wordt dienvolgens ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.9.- Bij vonnis uitgesproken door de Achttiende Kamer van de Correctionele Rechtbank te Hasselt op 30 april 2003 werden andere Belgische belastingplichtigen, houders van een rekening bij de KBLux, vrijgesproken o.a. van de tenlastelegging A), te weten:
"te SINT-TRUIDEN en te HASSELT op 15 november 1994:
Bij inbreuk op de artikelen 449, 305 te.m. 310 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, een aangifte te hebben overgelegd, middels een formulier, dat niet ingevuld was overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, namelijk niet-aangifte van in het buitenland geïnde roerende inkomsten verkregen op het bedrag van 17.183.478 BEF (thans 425.967,29 euro) geplaatst op termijnrekeningen bij de KREDIETBANK LUXEMBURG (Groot-Hertogdom Luxemburg) met de bedrieglijke bedoeling de belasting op de roerende inkomsten op buitenlandse rekeningen te ontduiken".

De Correctionele Rechtbank besluit tot deze vrijspraak op grond van de overweging dat zij niet beschikt over de stukken die noodzakelijk zijn ter controle van de regelmatigheid van de overgelegde microfiches als bewijsstuk, terwijl het openbaar ministerie de onjuistheid van de door beklaagden opgeworpen exceptie van onrechtmatigheid van bewijs niet aantoont. Bij gebrek aan enig ander bewijs van de in de tenlasteleggingen voorziene feiten dienen beklaagden te worden vrijgesproken.

Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door het Openbaar Ministerie. De strafzaak tegen deze andere belastingplichtigen werd vooralsnog niet behandeld door het Hof van Beroep.

1.10.- Tegen het vonnis uitgesproken op 9 april 2003 stelden appellanten hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 5 juni 2003.

1.11.- In dit verzoekschrift en in conclusies neergelegd op l maart 2004 voeren appellanten volgende grieven aan:

  1. de gegevens uit het strafdossier zijn op onwettige wijze verkregen; de stukken zouden door ex-werknemers van de KB-Lux ontvreemd zijn met het oog op de chantage van de KB-Lux en door een informant aan de Belgische gerechtelijke autoriteiten zijn overhandigd;
  2. niet enkel de op onwettige wijze verzamelde stukken dienen uit het administratief dossier geweerd te worden, maar ook alle stukken en verklaringen die daaruit voortkomen;
  3. de administratie brengt niet het ganse strafdossier bij; hierdoor worden de rechten van verdediging geschonden;
  4. er is geen enkel gegeven dat er op wijst dat de gelden op de rekening in Luxemburg voor de helft toebehoren aan het echtpaar A. L.-R.; de administratie bewijst niet dat de helft van de gelden op de rekening in Luxemburg ook afkomstig is van de heer A. L.; bovendien stapelt de administratie vermoedens op vermoedens door eerst te vermoeden dat de helft van de Luxemburgse bankrekening eigendom is van de heer A. L. en vervolgens te vermoeden dat deze helft van de Luxemburgse bankrekening niet aangegeven belastbaar inkomen is;
  5. het indiciair tekort van 880.030,79 EUR (35.500.354 BEF) wordt verantwoord door vermogensbezit in vorige jaren en het betreffende jaar;
  6. de administratie bewijst de hogere graad van gegoedheid van appellanten niet;
  7. het stelsel van de indiciaire taxatie is strijdig met het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Appellanten besluiten derhalve tot de gegrondheid van de vordering, de nietigverklaring van de kwestieuze aanslag en de terugbetaling van de op grond van deze aanslag wederrechtelijk geïnde bedragen. In aanvullende conclusies neergelegd op 21 april 2004 verzetten appellanten zich tegen de door de Belgische Staat gevraagde verdaging van de zaak in afwachting van de behandeling van de strafzaak door het Hof van Beroep en verwijzen zij naar de motivering van het vonnis van de Correctionele Rechtbank in verband met de waarde van de voorgelegde bewijsstukken. Zij volharden voor het overige in hun eerste conclusies.

1.12.- De Belgische Staat beaamt in zijn besluiten neergelegd op 15 september 2003 de redengeving van het bestreden vonnis. De redengeving van de directoriale beslissing wordt integraal hernomen. In aanvullende besluiten neergelegd op 19 april 2004 stelt de Belgische Staat de zaak niet in staat is, in zoverre appellanten de herkomst van de microfiches blijven betwisten, en dat de behandeling dient te worden opgeschort tot definitief uitspraak is gedaan over de strafrechtelijke procedure die o.m. betrekking heeft op de wijze waarop de microfiches terecht zijn gekomen in het strafonderzoek. Alle stukken met betrekking tot de betwisting werden anderzijds bij het administratief dossier gevoegd en de rechten van verdediging kunnen niet geschonden zijn doordat andere stukken uit het gerechtsdossier niet worden voorgelegd. De Belgische Staat volhardt voor het overige in zijn eerste besluiten.

2. Ten aanzien van het recht;

2.1. Omtrent de door de Belgische Staat opgeworpen exceptie tot opschorting van de procedure:

Overwegende dat uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de feiten die ten grondslag liggen van de betwiste aanslag het voorwerp uitmaken van een strafvordering ten laste van appellanten; Dat er derhalve geen grond bestaat tot opschorting van de procedure totdat zal zijn beslist over de strafvordering, die tegen derden zou worden vervolgd;

2.2.Betreffende de schending van de rechten van verdediging:

2.2.1.- Overwegende dat appellanten, die hic et nunc als derden ten aanzien van het voormeld gerechtsdossier (KBLux gerechtsdossier tegen J. T., J. H., en consoorten) moeten worden beschouwd, nu door geïntimeerde niet wordt beweerd noch bewezen dat tegen appellanten een strafvordering wegens belastingontduiking is ingesteld en vervolgd, mogen en moeten weten welke feiten in dit strafdossier aanwezig zijn, waaruit de administratie afgeleid heeft dat de belastingplichtige belastbare elementen niet heeft aangegeven; Dat appellanten als derden zelf, gelet op het in beginsel geheim en niet-tegensprekelijk karakter van het gerechtelijk onderzoek, geen inzage kunnen krijgen in een strafdossier waarin zij niet betrokken zijn; Dat de administratie de voor appellanten relevante gegevens uit het strafdossier, onder de stukken nr. 63 tot en met 74 aan het administratief dossier heeft gevoegd en appellanten van deze stukken kennis konden nemen bij de behandeling van de bezwaren voor het Hof; Dat de wettigheid van de betwiste aanslag enkel op grond van de stukken neergelegd met het administratief dossier dient te worden beoordeeld, zodat geen schending van de rechten van verdediging kan worden aangevoerd;

Overwegende dat ten overvloede dient te worden opgemerkt dat niet blijkt dat appellanten ooit op grond van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur om inzage van het administratief dossier hebben gevraagd en niet bewezen is noch op enige wijze aannemelijk wordt gemaakt dat de administratie met betrekking tot de betwiste aanslagen nog in het bezit zou zijn van andere stukken uit het gerechtsdossier, die van aard zouden zijn a décharge van appellanten te kunnen dienen; Dat de voorliggende stukken, zoals hierna zal worden overwogen, voldoende pertinent zijn om de rechtmatigheid van de vergaarde bewijzen te beoordelen en vooral om de aard van de gebeurlijke sanctionering van het beweerdelijk onrechtmatig verkregen bewijs te bepalen;

Overwegende dat ten overvloede mag worden vastgesteld dat de strafrechtelijke documenten voorgebracht werden met uitdrukkelijke toestemming van de Procureur-generaal te Brussel; Dat bovendien de gegeven machtiging uitsluitend werd verleend om de juiste inning te bekomen van de door de Belgische Staat geheven belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake;

Dat het dan ook overbodig voorkomt de overlegging van het gehele strafdossier te bevelen daar enkel die stukken die betrekking hebben op de betrokken belastingplichtige noodzakelijk zijn; Dat het inzagerecht van een strafdossier in het stadium van het onderzoek ook nog beperkt tot die stukken die de betrokkene rechtstreeks aanbelangen en die voor hem van wezenlijk belang zijn en dan nog voorzover betrokkene in verdenking werd gesteld of burgerlijke partij is; Dat dit ten deze geenszins het geval is; Dat het derhalve volkomen volgens de wet is dat aan de fiscale administratie toelating tot inzage en afschrift werd verleend van een strafdossier inzake fiscale fraude en anderzijds de mededeling van het volledig strafdossier aan appellanten niet kan worden toegelaten; Dat appellanten ten deze bezwaarlijk kunnen voorhouden dat hun rechten van verdediging werden geschonden nu zij gedurende het ganse verloop van de procedure kennis kregen van de feitelijke gegevens en zich daaromtrent ook konden verdedigen; Dat zij geconfronteerd met deze feitelijkheden zelfs tot bekentenissen zijn overgegaan; Dat er overigens niet de minste aanwijzing is dat geïntimeerde misbruik zou hebben gemaakt van haar inzagerecht; Dat het tenslotte enkel die stukken uit het strafdossier zijn die door de administratie worden aangewend die aan het oordeel van de rechtbank en van het Hof werden onderworpen;

2.2.2.- Overwegende dat fiscale geschillen geen betwistingen zijn die verband houden met de vaststelling van burgerlijke rechten of verplichtingen enerzijds en de bepaling van de gegrondheid van een ingestelde strafvordering anderzijds; Dat noch artikel 6.1 Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden noch artikel 14 Internationaal Verdrag Burgerrechten en Politieke Rechten bijgevolg van toepassing zijn op de geschillen over rechten en verplichtingen in belastingzaken, tenzij de rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvervolging uitgesproken straf in de zin van die bepalingen ( Cass. , 23 januari 1992, Arr. Cass., 1991-92, p. 471, Pas. , 1992,1, p. 453, F.J.F., 1992, p.249, met noot; Cass., 20 april 1990, Arr. Cass., 1989-90, p. 1080, Pas. , 1990,1, p.957, R.W., 1990-91, p. 62; Cass., 15 april 1983, Arr. Cass ., 1982-83, p. 982-983, Pas., 1983,1, p. 910-911; Cass., 5 september 1979, Arr. Cass ., 1979-80,1, p. 8-9, Pas., 1980,1, p. 7-8 ; Cass., 8 april 1976, Arr. Cass ., 1976, p. 913-914, Pas., 1976, I, p. 871-880); Dat appellanten zich bijgevolg tevergeefs op voormelde verdragsbepalingen beroepen om een schending van het beginsel van de wapengelijkheid in te roepen;

Dat in zoverre de aanslag enkel op grond van de voorgelegde stukken, op grond waarvan indiciën van een hoger bedrag dan het aangegeven inkomen werden afgeleid, werd gevestigd, door het Hof niet kan worden besloten dat dit een nadelige invloed zou hebben of kunnen hebben op de uitoefening van de rechten van verdediging van appellanten noch dat zij hierdoor ten aanzien van de belastingadministratie in een nadelige en minderwaardige positie in het kader van het procesverloop zouden zijn gesteld;

1.3. Over de rechtmatigheid van de door geïntimeerde aangewende bewijzen en de gebeurlijke sanctionering van onrechtmatig verkregen bewijzen:

2.3.1.- Overwegende dat door appellanten wordt aangevoerd dat de informatie waarop de administratie zich baseerde om de betwiste aanslag te vestigen slechts door middel van een misdrijf kon verkregen zijn; Dat zij in het bijzonder stellen dat uit een door hen voorgelegd verslag van het Vast Comité voor Toezicht op de politiediensten moet blijken dat de stukken (microfiches van bankrekeningen) door ex-werknemers van de KB-Lux ontvreemd zouden zijn bij de KB-Lux en dat deze documenten herhaaldelijk door tussenkomst van een dubieuze informant aan de Belgische gerechtelijke autoriteiten zouden zijn aangeboden zijn; Dat de Belgische gerechtelijke autoriteiten deze stukken meerdere malen niet werden aangewend omdat zij kennis hadden van de wederrechtelijke herkomst van de betrokken stukken; Dat de stukken ter gelegenheid van een huiszoeking dan op een gegeven moment in beslag werden genomen, maar zij naderhand verdwenen; Dat de stukken dan uiteindelijk door de dubieuze informant werden overhandigd, die alsdan als getuige werd beschouwd, en wel aangewend in het gerechtelijk onderzoek; Dat omtrent de omgang met de dubieuze informant geen contactverslagen of rapporten werden opgesteld; Dat de kennisgeving ten opzichte van het parket daarenboven door de speurders op onvolledige wijze gebeurde;

Overwegende dat bewijsmiddelen verkregen door handelingen die niet verenigbaar zijn met de grondregelen van de strafrechtspleging weliswaar door de fiscale administratie niet kunnen worden aangewend tegen de belastingplichtige (Cass., 13 januari 1999, Arr. Cass., 1999, 25, Pas., 1999, I, 25, F.J.F ., 1999, 318, P.&B., 1999, 323);

Dat uit het voorliggend verslag van het Vast Comité voor Toezicht op de politiediensten (Comité P) mag worden afgeleid en minstens mag worden aangenomen dat dit Comité wel degelijk toegang tot en inzage van de volledige hoofdstrafdossiers, die in Brussel worden onderzocht (not. nr. 70.97.1071/95 en 78.97.2825/96), heeft gehad; Dat uit het enkele feit dat bepaalde stukken bedrieglijk van de KBLux zouden zijn weggenomen niet noodzakelijk volgt dat de overlegging ervan in rechte onrechtmatig is; Dat uit geen enkel gegeven van het voorgelegd administratief dossier noch van het verslag van het Comité P blijkt dat de met het onderzoek belaste personen en de aangever enige onrechtmatige daad hebben gepleegd om in het bezit te komen van de kwestieuze in het kader van de betwiste taxatie aangewende stukken en dat er een verband zou bestaan tussen de ontvreemding van deze stukken van de KBLux en de overhandiging ervan aan de met het onderzoek belaste personen (vgl. Cass., 17 januari I 990, Arr. Cass., 1989-90, nr. 310, R.W., 1990-91, 463^64, met noot van L. H., 'Het door de aangever onrechtmatig verkregen bewijs'; Cass., 17 april 1991, Rev. dr. pen., 1992, 94-109, met noot C. De V., 'D e l'illégalité commise par un tiers dans l' administration de la preuve'); Dat evenmin wordt gesteld noch kan worden gesteld dat de onrechtmatige bewijsgaring door derden tot doel heeft gehad de feiten aan de gerechtelijke overheid aan te geven (L. H., 'Enkele problemen van het gerechtelijk onderzoek', Panopticon, 1998, p. 156; C. De V., ' De l'illégalité commise par un tiers dans l'administration de la preuve', (noot onder Cass., 17 april 1991), Rev. dr. pen. , 1992, p. 105; Ph. T., 'Wanneer is het door een derde verkregen bewijs ontoelaatbaar?', R. Cass., 1994, nr.8 p.74), nu door appellanten zelf wordt voorgehouden dat de stukken door ex-werknemers van de KBLux ontvreemd zijn met het oog op de chantage van de KBLux; Dat bovendien noch uit artikel 6 EVRM, dat het eerlijk proces waarborgt, noch uit artikel 8 EVRM, dal het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch uit enige grondwettelijke of wettelijke bepaling volgt dat bewijs dat met miskenning van een door dit Verdrag of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is; Dat behoudens wanneer een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van een wettelijk voorgeschreven pleegvorm betreffende bewijsverkrijging bepaalt, de rechter beslist welke gevolgen deze onrechtmatigheid meebrengt;

Dat de omstandigheid dat de pleegvorm, waarvan de miskenning wordt vastgesteld, betrekking heeft op een door de artikelen 6 en 8.2 EVRM en de artikelen 12, tweede lid, en 15 Grondwet gewaarborgde grondrechten hieraan niets afdoet (Cass., A.R. P.04.0644.N, 16 november 2004, R.A.B.G ., 2005, p. 504-511, met conclusie advocaat-generaal P. D.; Cass., A.R. P.04.1127.N, 16 november 2004, R.A.B.G., 2005, p. 511-517, met conclusie advocaat-generaal P. D.; F. S., 'Het bewijs in strafzaken: het Hof van Cassatie en de strafrechtelijke gevolgen van de schending van een grondrecht', (noot onder Cass., 16 november 2004), R.A.B.G., 2005, p. 517-526; F. K., ' La régie de l'exclusion de la preuve illegale ou irreguliere: de la précision au bouleversement', (noot onder Cass., 14 oktober 2003), R.C.J.B ., 2004, p. 427); Dat nu prima facie niet tot de ontoelaatbaarheid van de in de strafzaak verkregen bewijzen kan worden besloten, er evenmin enig bezwaar kan bestaan tegen de aanwending van dergelijke bewijzen met het oog op de taxatie van niet aangegeven inkomsten;

2.3.2.- Overwegende dat het bovendien vaststaat dat • de belastingdienst zelf geen met de wet strijdige handeling stelde om kennis te nemen van de documenten die naderhand ter taxatie van appellanten zijn aangewend; Dat dit laatste wordt bevestigd door de door geïntimeerde bij het administratief dossier gevoegde kopie van de toelating die indertijd door de Procureur-generaal te Brussel op 10 mei 1995 aan de Brusselse Regionale Directie van de Bijzondere Belastingsinspectie werd verleend in uitvoering van artikel 327, § l, tweede lid, W.I.B. 92 (stuk 64 AD); Dat de bewijskracht en bewijswaarde van dit stuk door appellanten niet wordt in twijfel getrokken;

Overwegende dat appellanten weliswaar betwisten dat de op de kwestieuze Luxemburgse bankrekening ontdekte fondsen niet van hen waren en stellen dat deze gelden aan hun kinderen toebehoorden, doch dat zij noch het bestaan noch de weerhouden cijfergegevens van de op hun naam en de naam van hun zoon S. L. niet aangegeven Luxemburgse bankrekening aanvechten; Dat uit de door hen op 15 oktober 1999 ondertekende verklaring (stuk All van het dossier van appellanten) en de door hen voorgelegde verklaringen van de Kredietbank Luxemburg d.d. 9 februari 2000 (stukken 57 en 58 AD) gevoegd bij het administratief dossier ondubbelzinnig blijkt dat zij expliciet, minstens impliciet doch zeker, de echtheid minstens de betrouwbaarheid van de door de administratie gehanteerde gegevens erkennen;

Dat appellanten zich zo in het kader van de administratieve bezwaarfase als de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep hierop hebben kunnen verweren, zodat hun rechten van verdediging op ieder ogenblik gevrijwaard zijn gebleven; Dat appellanten derhalve geen enkel belang, laat staan rechtmatig belang, kunnen aanvoeren om de wering van de door geïntimeerde ter taxatie aangewende stukken aan te voeren en er in de gegeven omstandigheden geen aanleiding bestaat om de door de administratie op onrechtstreekse wijze, na wettige en geldige toelating hiertoe van de Procureur-generaal te hebben bekomen, verkregen bewijzen te sanctioneren, zelfs indien deze stukken ab initio door derden op onrechtmatige wijze zouden zijn verworven;

1.4. Omtrent het willekeurig karakter van de bestreden aanslag:

2.4.1.- Overwegende dat artikel 172, eerste lid van de Grondwet, dat het principe formuleert volgens hetwelk inzake belastingen geen voorrechten kunnen worden ingevoerd, bepaalt dat alle burgers die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, zouden belast worden op dezelfde wijze;

Overwegende dat het artikel 341 W1B 92 in een wettelijk bewijsmiddel voorziet dat zonder onderscheid van toepassing is voor elke belastingplichtige van wie vastgesteld wordt dat er tekenen en indiciën zijn waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit zijn aangegeven inkomsten; Dat de door appellanten aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel derhalve niet berust op een onderscheid tussen personen die in dezelfde juridische situatie verkeren, maar die berust op een onderscheid tussen personen die in onderscheiden juridische situaties verkeren; Dat er bijgevolg geen aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof daar een gebeurlijke vraag niet onder het bepaalde in artikel 26 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof valt;

Overwegende dat het evenredigheidsbeginsel anderzijds de inmenging door de overheid niet in de weg staat wanneer deze inmenging voorzien is in de wet als een maatregel die in een democratische maatschappij nodig is voor het economisch welzijn van het land; Dat dit economisch welzijn o.a. mede wordt bewerkstelligd door een juiste heffing van de belastingen;

Dat de belastingplichtige niet vermag om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid bevrijd te worden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid; Dat de indiciaire taxatie niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en dat zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur; Dat het evenwicht tussen het aangewende bewijsmiddel, te weten op grond van tekenen en indiciën, en het beoogde doel, meer bepaald het bewijs van de belastbare grondslag, dan ook niet onevenredig voorkomt;

2.4.2.- Overwegende dat de raming van de belastbare grondslag zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten (artikel 341 WIB 92); Dat de Administratie in geval van toepassing van deze taxatiemethode het bestaan en het bedrag van de uitgaven dient te bewijzen; Dat de Administratie hierbij zeer nauwgezet dient te werk te gaan, hetgeen niet wegneemt dat de Administratie de kosten van levensonderhoud mag schatten (Cass., 12 november 1992, F.J.F. , nr. 93/90,186), doch rekening houdend met concrete gegevens, die ook mogen geschat worden op basis van feitelijke vermoedens op voorwaarde dat hij nauwkeurig worden vermeld (Cass., 4 oktober 1985, F.J.F ., nr. 86/103, 159); Dat de Administratie in casu in het bericht van wijziging van aangifte van 30 september 1999 (aanslagjaar 1994) rekening heeft gehouden met concrete gekende gegevens, te weten de gegevens met betrekking tot de niet aangegeven rekening bij de KREDIETBANK LUXEMBURG op naam van appellanten en hun zoon S. L.;

Overwegende dat het door artikel 341 WIB 92 ingesteld vermoeden een vermoeden iuris tantum is; Dat de belastingplichtige het tegenbewijs kan leveren door te tonen dat de te rechtvaardigen uitgaven en tegoeden ofwel uit de aangegeven inkomsten ofwel uit niet-belastbare bronnen voortspruiten;

Overwegende dat het een vaststaande en onbetwist feit is dat bij de KREDIETBANK LUXEMBURG een rekening nr. ...op naam van appellanten en van hun zoon S. L. werd aangehouden en dat op deze rekening tijdens het jaar 1993 (aanslagjaar 1994) op grond van de door voormelde bank aan appellanten zelf verstrekte gegevens, die door appellanten naderhand ook aan de taxatieambtenaar werden medegedeeld (stukken 57-59 AD), een aangroei (verschil tussen begin- en eindsaldo) ten bedrage van 880.030,79 EUR (35.500.354 BEF) kon worden vastgesteld; Dat de helft van deze aangroei door de taxatieambtenaar als een indiciair tekort in hoofde van appellanten voor het aanslagjaar 1994 werd weerhouden;

Overwegende dat door het Hof dient te worden vastgesteld dat door appellanten geen enkel objectief en controleerbaar bewijs wordt voorgelegd, waaruit zou blijken dat de tegoeden van de rekening nr. ... afkomstig waren van een ander patrimonium dan het hunne of nog dat de gelden door een derde, m.n. de zoon of de dochter van appellanten, effectief voor eigen rekening op de voormelde bankrekening zouden zijn overgeschreven; Dat derhalve op grond van de voorliggende gegevens niet kan worden uitgemaakt in welke mate de fondsen aan appellanten dan wel aan de andere houder van de bankrekening, m.n. hun zoon S. L., toebehoorden; Dat door geïntimeerde terecht wordt opgemerkt dat het in deze omstandigheden arbitrair zou zijn om de beleggingen in hoofde -van de ene en niet in hoofde van de andere houder van de bankrekening te belasten; Dat het daarentegen niet willekeurig is aan te nemen dat de respectieve aandelen van appellanten en hun zoon S. L. in de kwestieuze bankrekening, overeenkomstig het in artikel 577-2, § 2, B.W. voorziene vermoeden, gelijk zijn; Dat het feit dat de bankrekening voor de helft aan appellanten toebehoort en het feit dat de beleggingen belastbare inkomsten uitmaken verschillend zijn en elk afzonderlijk door vermoedens kunnen worden bewezen, zonder dat hierbij sprake zou kunnen zijn van een bewijs door opeenstapeling van vermoedens;

Overwegende dat weliswaar op grond van de door appellanten voorgelegde gegevens kan worden aangenomen dat de patrimoniale toestand van hun kinderen meer dan voldoende was om het vastgestelde indiciair tekort te verantwoorden; Dat er evenwel geen enkel bewijs voorligt van enige afgifte of overdracht van fondsen van de kinderen S. en K. L. aan hun ouders, noch van enige overschrijving van gelden door S. en/of K. L. van gelden naar de bankrekening nr. ... bij de KBLux; Dat geen enkel voorgelegd stuk derhalve toelaat de waarachtigheid van de voorgehouden betalingen van de kinderen aan de ouders of op de gemeenschappelijke rekening op naam van appellanten en van S. L. te controleren;

Dat in de gegeven omstandigheden niet kan worden gecontroleerd en uit geen enkel voorgelegd stuk blijkt op welke wijze de kwestieuze sommen op de bankrekening nr. ... zijn gekomen; Dat het anderzijds niet volstaat spaarmogelijkheden in de vorige jaren aan te halen, doch het ook noodzakelijk is aan te tonen dat er effectief spaaroverschotten zijn geweest; Dat de belasting van de roerende voorheffing in hoofde van S. en/of K. L. evenmin als tegenbewijs kan worden weerhouden, nu de genieter van de roerende inkomsten niet noodzakelijk de eigenaar is van de gelden; Dat, krachtens artikel 341 WEB 92, de tijdens een belastbaar tijdvak vastgestelde uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei, die worden aangemerkt als tekenen of indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige, worden vermoed voort te komen van de belastbare inkomsten, dat zijn de bedrijfsinkomsten die tijdens het belastbaar tijdvak zijn verkregen (Cass., 2 januari 1997, Arr. Cass., 1997, 3, Pas. , 1997,1, 3); Dat uit de vorenstaande consideransen dient te worden vastgesteld dat appellanten nalaten aan de hand van vaststaande en controleerbare gegevens te bewijzen dat de hogere graad van gegoedheid dan die welke uit de aangegeven inkomsten bleek te danken was aan andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of aan inkomsten die tijdens een vroeger belastbaar tijdvak waren verkregen; Dat voor een taxatie op basis van tekenen en indiciën de door de belastingplichtige in een bepaald belastbaar tijdperk gedane uitgaven worden vergeleken met de door hem in zijn aangifte in de personenbelasting opgenomen inkomsten; Dat zo de uitgaven, zoals zij ook mogen blijken uit buitenlandse beleggingen en een vermogensaangroei van een buitenlandse bankrekening, merkelijk hoger zijn dan zijn aangegeven belastbare inkomsten, een hogere graad van gegoedheid - behoudens tegenbewijs - geacht wordt voort te komen van belastbare inkomsten verkregen tijdens het belastbare tijdperk; Dat appellanten derhalve in hun bewijslast zo in feite als in rechte falen;

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis en veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op vierhonderd zesenveertig euro en eenentwintig cent (446,21 EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
 

    Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van EENENTWINTIG JUNI TWEEDUIZENDENVIJF.
waar aanwezig waren:
S. B., Raadsheer wd. Voorzitter;
P. H., Raadsheer;
D. de H., Plaatsvervangend Raadsheer;
A. van L., Griffier.

A. VAN L.
 
D. DE H.
 
P. H. S. B.