Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 09.01.2014
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Belasting over de toegevoegde waarde ? Bijzondere rekening ? Administratieve sancties ? Motivering
Originele tekst :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 09.01.2014
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 09.01.2014 Tax year : 2014 Document date : 09/01/2014 Keywords : bijzondere rekening / administratieve sanctie / motivering Decision : gunstig Document language : NL Name : Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 09.01.2014 Version : 1 Court : appeal/BruxBrus_appeal
Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 09.01.2014 (2010/AR12228)
Belasting over de toegevoegde waarde - Bijzondere rekening - Administratieve sancties - Motivering
2010/AR12228
Samenvatting
Wanneer de administratie een geldboete oplegt naar aanleiding van het opmaken van een bijzondere rekening, moet zij niet alleen de belastingplichtige daarvan kennis geven. Zij moet ook de feiten meedelen, die de overtreding opleveren, verwijzen naar de toegepaste wet- of verordeningteksten, en de motieven geven, die gediend hebben om het bedrag van de geldboete vast te stellen.
Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 09.01.2014 2010/AR12228
Volledige tekst
HOF van BEROEP te BRUSSEL Fiscale kamer "6 E" Nr. van de zaak : 2010/AR12228 Openbare terechtzitting van 0 9 JAN. 2014 IN ZAKE VAN: De N.V. C, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, appellante, vertegenwoordigd door Meester H, advocaat te … TEGEN: DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Halle, met burelen gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bemardastraat, 32, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester B, advocaat te ….
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 mei 2010, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 5 augustus 2010. FEITEN EN BESTREDEN VONNIS De eerste rechter werd door appellante geadieerd met een verzet tegen een dwangbevel, lastens haar uitgevaardigd op 14 november 2005. Het dwangbevel had een verminderde proportionele geldboete van 146.610,00 EUR wegens het niet-tijdig betalen van de verschuldigde BTW en verminderde niet-proportionele geldboeten van 25,00 EUR en 50,00 EUR wegens de laattijdige indiening van de BTW-aangiften tot voorwerp. De eerste rechter verklaarde het verzet ontvankelijk doch ongegrond, en verwees appellante in de gedingkosten. GRIEVEN Appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na. Zij vordert het betwiste dwangbevel te vernietigen en van onwaarde te verklaren, en in ondergeschikte orde de opgelegde geldboeten slechts op te leggen met uitstel of opschorting en de herberekening te bevelen. Zij vordert nog te zeggen voor recht dat de ingevolge het dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden en/of betaalde bedragen, meer de interesten. Zij vordert tenslotte geïntimeerde te veroordelen in de kosten.
Geïntimeerde nodigt het hof uit het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en appellante te veroordelen in de kosten van beide aanleggen. BEOORDELING 1. Volgens de gegevens van de conclusies van partijen (zie ook infra nr. 5 i.v.m. de motiveringsplicht), werd de verminderde proportionele geldboete opgelegd op basis van artikel 70, § 1 WBTW, wegens het laattijdig betalen van de verschuldigde BTW t.b.v. 1.466.168,66 EUR. Aangezien kwaad opzet niet in aanmerking werd genomen, werd het bedrag van de wettelijke geldboete, zijnde het dubbel van de BTW, ambtshalve verminderd overeenkomstig tabel G gevoegd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het BTW-Wetboek, en bepaald op 10 %, hetzij 146.610,00 EUR Volgens de gegevens van de conclusies van partijen (zie ook infra nr. 5 i.v.m. de motiveringsplicht), werden de verminderde nietproportionele geldboeten opgelegd op basis van artikel 70, § 4 WBTW, wegens de niet tijdige voldoening van de BTW voor de maand december 2004 en wegens het niet-tijdig indienen van een BTW-aangifte voor de maanden november 2004, december 2004 en januari 2005. Het bedrag van de wettelijke geldboeten werd overeenkomstig de bijlage eerste afdeling Algemene verplichtingen, rubriek III 2 B van het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaald op 50,00 EUR en 25,00 EUR per aangifte per maand vertraging, naargelang er een verschuldigd bedrag aan BTW of een BTW-tegoed is, hetzij geldboeten van 75,00 EUR in totaal. 2. Onbetwist is dat appellante, die voor haar activiteit van groothandel in kleding, kledingaccessoires en bontartikelen onderworpen is aan de bepalingen van het WBTW en de in het kader ervan genomen uitvoeringsmaatregelen, de BTW-aangiften voor de maanden november 2004, december 2004 en januari 2005 laattijdig indiende en de verschuldigd geworden belasting, die blijkt na de indiening van de BTW-aangifte voor de maand december 2004 niet voldeed binnen de wettelijke termijn, d.i. 20 januari 2005. Ingevolge de laattijdige indiening van de BTW-aangiften en de niet-tijdige betaling van de verschuldigde bedragen, werden interesten en de betwiste niet-proportionele en proportionele geldboeten in rekening gebracht. 3. Appellante rekende ten onrechte geen BTW aan op welbepaalde kosten die zij in 2002, 2003 en 2004 aanrekende aan haar zustervennootschap, de N.V. I. Bij vaststelling van deze onregelmatigheid, wenste appellante alsnog over te gaan tot aanrekening van de BTW aan de N.V. I en tot spontane regularisatie van de ten onrechte niet aan de Schatkist betaalde BTW. Zulke rechtzetting betekende dat de N.V. I, gelet op haar BTW-activiteit, de alsnog door appellante aan haar aangerekende - BTW in aftrek kon brengen. Na overleg met de administratie op 8 februari 2005 werd overeengekomen dat de rechtzettingen voor appellante voor 2002 en 2003 dienden te gebeuren d.m.v. opname van de verschuldigde bedragen in de code 61 van de herzieningen in de BTW-aangifte van december 2004. De rechtzettingen voor 2004 dienden te gebeuren via de code 03 van de BTW-aangifte van december 2004. De rechtzettingen voor appellante werden aldus verricht in de BTW-aangifte van december 2004, die werd ingediend in februari 2005, d.i. na het overleg van 8 februari 2005 met de administratie. Ook de rechtzettingen voor de N.V. I, die aanleiding gaven tot een door geïntimeerde terug te storten bedrag, werden gedaan via de BTW-aangifte van december 2004, die pas werd ingediend in februari 2005, na het overleg met de administratie. De N.V. I diende een teruggaafcontrole door de administratie af te wachtén aangaande de terug te storten bedragen. De overeenkomstig artikel 5, § 1 van het koninldijk besluit nr. 24 van 23 oktober 1970 gehouden BTW-rekening-courant van appellante werd op nul gezet op 28 februari 2005. Overeenkomstig artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit nr. 24 van 30 oktober 1970 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen door koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, werd voor de periode van 30 november 2004 tot 28 februari 2005 een bijzondere rekening opgemaakt, die ter kennis van appellante werd gebracht bij aangetekend schrijven van 1 april 2005. Volgens de bijzondere rekening waren een BTW-bedrag van 1.466.198,66 EUR, interesten t.b.v. 17.382,34 EUR en een proportionele geldboete van 146.610,00 EUR en niet-proportionele geldboeten van 75,00 EUR in totaal verschuldigd. De gewestelijke directeur wees bij beslissing van 9 september 2005 het verzoekschrift van appellante van 14 april 2005 tot kwijtschelding van de geldboete af. Het betwiste dwangbevel werd uitgevaardigd op 14 november 2005, volgens hetwelk na toerekening van de betalingen gedaan na de opstelling van de bijzondere rekening van 1 april 2005 nog de geldboete van 146.610,00 EUR verschuldigd was. Nadat de N.V. I terugbetaling had ontvangen van de, ingevolge de voor de maand december 2004 ingediende BTW-aangifte, terug te storten bedragen, en deze sommen op 14 april 2005 had teruggestort aan appellante met het oog op het voldoen van de door de N.V. I nog verschuldigde BTW, betaalde appellante op 18 april 2005 het bedrag van 1.466.198,66 EUR aan BTW aan geïntimeerde, alsook een bedrag van 29.111,86 EUR aan interesten. Appellante diende een verzoekschrift tot kwijtschelding van de proportionele geldboete van 146.610,00 EUR in op 14 april 2005, gelet op de spontane regularisatie en de bespreking van de laattijdigheid van de aangifte met de administratie, welk verzoekschrift zoals hierboven gesteld door de gewestelijke directeur werd afgewezen.
4. Appellante stelt dat zij, aangezien zij en de N.V. I vennootschappen zijn die deel uitmaken van dezelfde groep en aldus een economische, financiële en organisatorische eenheid vormen, meende toepassing te kunnen maken van het stelsel van de BTW-eenheid uit artikel 4, § 2 WBTW, en meende dat aldus de doorrekening van kosten aan de N.V. I buiten het toepassingsgebied van de BTW viel en geen BTW diende te worden aangerekend bij deze doorrekening van kosten. Appellante stelt nog dat zij, van zodra zij zelf inzag dat ten tijde van de doorrekeningen geen toepassing kon worden gemaakt van het stelsel van de BTW-eenheid, en vóór enige tussenkomst van de administratie, zelf wenste deze toestand onmiddellijk en spontaan te regulariseren, en met het oog op de praktische afhandeling van de spontane regularisatie, zelf contact opnam met de administratie, waarna zij onmiddellijk overging tot regularisatie in de BTWaangifte van december 2004. Appellante stelt tenslotte dat, zolang er door de administratie geen terugstorting werd gedaan aan de N.V. I, deze niet afdoende liquide middelen had om het door haar verschuldigd bedrag aan BTW aan appellante te voldoen, en dat appellante op haar beurt onvoldoende middelen had om de door haar in de BTW-aangifte van december 2004 aangegeven sommen te voldoen aan de Schatkist. Appellante herneemt voor het of de middelen, die zij voor de eerste rechter voordroeg en die deze afwees, nl. (1) de schending van artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit nr. 24 en van de administratieve instructies, zodat ten onrechte werd overgegaan tot het opstellen van een bijzondere rekening en geen rechtsgevolgen aan de opstelling ervan uitwerking kunnen krijgen, (2) de kwijtschelding, bij toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41, van de befg- iste proportionele geldboete, ingevolge de spontane regularisatie van het verschuldigde BTW-bedrag in hoofdsom [en interesten?], (3) de schending van het vertrouwensbeginsel, en (4) de schending van het gelijkberechtiging- en evenredigheidprincipe. Voor het hof voert appellante nog de schending van de motiveringsplicht uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen aan. 5. Geïntimeerde antwoordt niet op het middel dat appellante afleidt uit de schending van de motiveringsplicht uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen bepaalt: "Telkens wanneer een belastingsadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeld dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningteksten, en geeft de motieven die - gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen". Artikel 109 legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op als de wet van 29 juli 1991, zodat deze laatste te dezen niet van toepassing is. De kennisgeving tot opening van een bijzondere rekening van 1 april 2005 motiveert de verminderde proportionele geldboete als volgt: "Verminderde proportionele geldboete: Ingevolge de bepalingen van artikel 1.1 0 en van het punt 1.2,A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het Btw-Wetboek, J201 0/AR/2228 8 fiscale kamer 6E1 wordt er over het als BTW verschuldigd saldo een boete geheven van 146.610,00 E". De kennisgeving maakt aldus geenszins melding van de feiten die de overtreding opleveren, noch van de motieven die hebben gediend om het bedrag van de verminderde proportionele geldboete vast te stellen. Een loutere verwijzing naar de bijlage van het koninklijk besluit nr. 41 volstaat niet. Uit de kennisgeving blijkt niet dat appellante kennis zou hebben van de redenen die de administratie ertoe hebben aangezet om de verminderde proportionele geldboete op te leggen. Uit de kennisgeving kan geenszins worden afgeleid dat de geldboete werd opgelegd wegens laattijdige betaling van de BTW. In de kennisgeving wordt zelfs niet vermeld dat er sprake is van een laattijdige betaling van de BTW. De kennisgeving tot opening van een bijzondere rekening van 1 april 2005 motiveert de verminderde niet-proportionele geldboeten als volgt: "Verminderde niet-proportionele geldboeten.. a. wegens niet-tijdige indiening van aangiften: I -overgenomen uit de rekening-courant: aangifietijdvak datum van indiening november 2004 19 januari 2005 €25,00 december 2004 11 februari 2005 650,00 2.-door de Hoofdcontroleur vastgesteld: aangiftetzjdvak datum van indiening aantal maanden vertraging januari 2005 24 maart 2005 6 25,00" . 12010/AR12228 9 fiscale kamer 6E1 De kennisgeving vermeldt aldus enkel de feiten die het opleggen van de verminderde niet-proportionele geldboeten verantwoorden, bestaande uit het niet tijdig indienen van de BTW-aangiften. De kennisgeving verwijst daarentegen geenszins naar de toepasselijke wetsbepalingen die het bedrag van de geldboeten bepalen. Wanneer de administratie een geldboete oplegt naar aanleiding van het opmaken van een bijzondere rekening, moet zij niet alleen de belastingplichtige daarvan kennis geven. Zij moet ook de feiten meedelen, die de overtreding opleveren, verwijzen naar de toegepaste wet- of verordeningteksten, en de motieven geven, die gediend hebben om het bedrag van de geldboete vast te stellen (Cass. 8 april 2011, R.A.B.G. 2012, afl. 19, 1330). De kennisgeving van 1 april 2005 tot het opmaken van een bijzondere rekening is derhalve onvoldoende gemotiveerd, zodat zij nietig is. De nietigheid van de kennisgeving brengt de nietigheid van het erop gesteunde betwiste dwangbevel mee, dat overigens in bijlage een voor eensluidend verklaard afschrift van de kennisgeving bevatte. Het hof verklaart het hoger beroep op die basis gegrond, zonder nog de overige middelen van appellante te hoeven te onderzoeken. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt het bestreden vonnis, Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond, Vernietigt en verklaart van onwaarde het betwiste dwangbevel lastens appellante uitgevaardigd op 14 november 2005, Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle uit hoofde van het aldus vernietigde dwangbevel ten onrechte ingehouden en/of betaalde bedragen, vermeerderd met de interesten, Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op de dagvaardingskosten van 125,21 EUR, de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 5.000,00 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 5.500,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde begoot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 5.000,00 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 5.500,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6E" van het hof van beroep te Brussel, op 09 JAN, 2014 alwaar aanwezig waren en zitting namen : P. Vanderrnotten, alleenzetelend raadsheer, C. De Nollin, griffier. P. Vandermotten. |
|||||||