Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2006

Datum :
21-06-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Verrichtingen van winstgevende aard,Wereldwinkels

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2006
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2006
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2006
Tax year : 0
Document date : 21/06/2006
Keywords : vennootschapsbelasting / belastbaarheid in de Ven.B / rechtspersoon / vereniging zonder winstoogmerk / verrichting van winstgevende aard
Document language : NL
Modification date : 05/12/2006 09:09:04
Name : B 06/6
Version : 1
Court : appeal

ARREST B 06/6


Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 21.06.2006



De Fiscale Koerier 2006/648

Verrichtingen van winstgevende aard - Wereldwinkels

    Overeenkomstig art. 182, 3° WIB 1992 worden voor verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven, niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt "verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd".

    Het hof is van oordeel dat het woord "of" in die wetsbepaling erop wijst dat er twee mogelijke uitzonderingen bestaan op de principiële onderwerping aan de vennootschapsbelasting van VZW's "die zich bezighouden met verrichtingen die volgens deze wetsbepaling niet als verrichtingen van winstgevende aard worden aanzien". Volgens het hof volstaat het dat één van beide hypotheses zich voordoet opdat VZW's niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

    In de zaak betreffende de VZW die over een verkoopsruimte beschikte, bestaan de activiteiten waarmee de VZW zich bezighoudt in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft. Er moet worden aangenomen dat "het verkopen van producten uit derdewereldlanden een noodzakelijk corollarium is van de onbaatzuchtige hoofdwerkzaamheden van de VZW's, die ondermeer bestaan in het bekomen van eerlijke handelsverhoudingen en het stoppen van uitbuiting, samen met de bewustwording van deze problematiek". De verkoopsactiviteiten zijn noodzakelijk "voor de sensibilisering, nu door het aanbod van de producten, samen met uitleg en folders, aan bewustwording wordt gedaan". Aldus is voldaan aan het zogenaamde "verwantschapscriterium" dat de Administratie zelf naast het zogenaamd "kwantitatief criterium" hanteert om uit te maken of winstgevende bezigheden van VZW's al dan niet bijkomstig zijn.
   



 

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2004/AR/515

Openbare terechtzitting van 21-06-2006

IN ZAKE VAN :

1.DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Directe Belastingen, in de persoon van de heer gewestelijk directeur te L., waarvan de burelen gevestigd zijn te ...,

2.DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de minister van Financiën, met burelen gevestigd te ...,

appellanten,

vertegenwoordigd door Mr B. loco J. H., advocaat (...)

TEGEN :

V.Z.W. O. W. D., met zetel gevestigd te ...,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester L. V., advocaat, (...)

*****

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

______________________________________________

R. 2006/4873 EINDARREST - ongegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, na tegenspraak gewezen op 28 november 2003 (A.R. nr. 02/2533/A), waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 26 februari 2004.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond.

Deze vordering was op 9 december 2002 bij verzoekschrift op tegenspraak overeenkomstig art. 1385decies Ger. W. ingeleid.

Zij strekte ertoe de volgende lastens geïntimeerde gevestigde aanslagen in de vennootschapsbelasting (Venn. B.) te horen vernietigen:

Aanslagjaar  1999 (inkomsten 1998)

Gemeente D.

Artikel ...

Datum aanslagbiljet : 14 december 2001

Voor een bedrag van 999,36 euro (40.072 BEF)

Aanslagjaar 2000 (inkomsten 1999)

Gemeente D.

Artikel ...

Datum aanslagbiljet : 28 januari 2002

Voor een bedrag van 2.970,73 euro (119.839 BEF);

Appellant te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 W.I.B. 1992.

De feiten

In 1964 werd de O. afdeling België opgericht.

Op 13 januari 1994 werd O. W. D., huidige geïntimeerde, opgericht. Zij is één van de ongeveer 200 onafhankelijke VZW's die samen de leden van de koepel VZW O. W. vormen.

Het statutaire doel van geïntimeerde luidt letterlijk als volgt:

"De vereniging stelt zich tot doel:

-    bij te dragen tot het verspreiden van informatie over en het verwerven van inzicht in problemen van de (wereld-)samenleving;

-    vormingsactiviteiten op te zetten die het verwerven van dit inzicht kunnen bevorderen;

-    acties te stimuleren, zelf te organiseren en te helpen coördineren, om de bevolking gevoelig te maken voor deze problemen;

-    via de verkoop van producten de bedoeling en de werkwijze van de producenten ervan bekend te maken;

-    fondsen te verzamelen voor groepen die op onze solidariteit beroep doen;

-    alternatieven die in de plaats kunnen komen van de huidige houdingen en structuren te zoeken, te steunen en bekend te maken.

Om deze doelstellingen te bereiken, kan de vereniging vormings- en educatieve initiatieven ontplooien, informatie verschaffen, verkoopacties opzetten, inzamelingen organiseren en alle middelen aanwenden die door de raad van beheer daartoe geschikt bevonden worden".

Geïntimeerde diende voor de aanslagjaren 1998, 1999 en 2000 tijdig aangiftes in de rechtspersonenbelasting (R.P.B.) in.

Op 5 februari en 9 augustus 2001 ontving geïntimeerde voor respectievelijk de aanslagjaren 2000 en 1999 berichten van wijziging van aangifte, waarbij de administratie stelde dat zij aan de Venn. B. onderworpen was.

In haar antwoord op de berichten van wijziging liet geïntimeerde weten het daarmee niet eens te zijn.

Op 5 december en 28 januari 2002 werden belastingaanslagen verzonden voor respectievelijk aanslagjaar 1999 en aanslagjaar 2000.

Op 12 maart 2002 diende geïntimeerde een bezwaarschrift in tegen deze aanslagen.

Op 11 september 2002 werd dit bezwaarschrift bij directoriale beslissing afgewezen.

Op 9 december 2002 legde geïntimeerde een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Op 28 november 2003 willigde de rechtbank van eerste aanleg te L. de vordering van geïntimeerde in.

Op 26 februari 2004 tekende appellant beroep aan tegen dit vonnis.

Appellant vraagt het hof zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw wijzende, te zeggen voor recht dat de bedragen van 2.268,65 euro (91.517 BEF) voor aanslagjaar 1999 en 3.112,72 euro (125.567 BEF) voor aanslagjaar 2000 terecht werden beschouwd als winsten uit handelsactiviteiten, belastbaar in de Venn. B.

Geïntimeerde vraagt het hoger beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; het bestreden vonnis te bevestigen en de hiervoor bedoelde aanslagen in de Venn. B. lastens haar gevestigd te vernietigen; appellant derhalve te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 W.I.B. 1992.

Beoordeling : wat de onderwerping van geïntimeerde aan de Venn. B. betreft

Appellant stelt dat geïntimeerde een rechtspersoon is, die in feite een onderneming exploiteert en zich bezig houdt met verrichtingen van winstgevende aard, en bovendien niet voldoet aan de voorwaarden van art. 182 W.I.B. 1992 om van de Venn. B. uitgesloten te zijn.

Appellant meent dat het feit dat geïntimeerde een onderneming exploiteert volgens gebruikelijke handelsmethoden en aldus zuivere handelsverrichtingen stelt, voortvloeit uit het feit dat de door haar ontwikkelde verkoopsactiviteiten voldoende regelmatig zijn om te worden aangemerkt als een beroepsactiviteit, alsook uit de omstandigheid dat zij nijverheids- en handelsmethoden aanwendt.

Bovendien wees onderzoek volgens appellant uit dat zowel aan de opbrengstzijde als aan de kostenzijde het aandeel van de initiatieven (vormingsactiviteiten en informatieve acties) ten overstaan van het totaal aan opbrengsten en kosten en het aandeel van de winkelactiviteiten, zowel in absolute als in relatieve cijfers zeer beperkt is. Hieruit leidt appellant af dat de verrichtingen van geïntimeerde geen bijkomstig karakter vertonen en dat het argument van geïntimeerde dat duidelijk voldaan is aan de voorwaarden van het verwantschapscriterium, nl. dat de economische activiteit van de VZW een noodzakelijk corrolarium uitmaakt van de onbaatzuchtige hoofdwerkzaamheid, niet kan worden gevolgd, evenmin als haar argument dat het kantitatieve criterium is casu niet toepasbaar is omdat de verkoop en de onbaatzuchtige werkzaamheid niet van elkaar zouden kunnen worden gescheiden.

*****

Van haar kant betwist geïntimeerde dat zij bezigheden van winstgevende aard verricht. Zij stelt bijgevolg niet onderworpen te zijn aan de Venn. B. (art. 182, 3° W.I.B. 1992).

*****

Krachtens art. 182, 3° W.I.B. 1992 worden voor VZW's niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt, verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd.

Het hof is van oordeel dat het woord " of " in deze wetsbepaling wijst op twee mogelijke uitzonderingen op de principiële onderwerping aan de Venn. B. van een VZW die zich bezighoudt met verrichtingen die volgens deze wetsbepaling worden gediskwalificeerd als verrichtingen van winstgevende aard. Anders uitgedrukt, het volstaat dat één van beide hypotheses zich voordoet opdat de VZW niet aan de Venn. B. onderworpen zou zijn.

Het hof kan bijgevolg niet akkoord gaan met appellant, die er blijkbaar op pagina 3 van zijn beroepsbesluiten vanuit gaat dat het voorhanden zijn van één van beide hypotheses op zich tot gevolg heeft dat de VZW aan de Venn. B. onderworpen is.

Naar het oordeel van het hof houdt geïntimeerde zich bezig met activiteiten die winsten genereren (en dit los van en ongeacht de vraag of deze verrichtingen niet juridisch gediskwalificeerd dienen te worden als verrichtingen van winstgevende aard ingevolge de bepaling van art. 182, 3° W.I.B. 1992).

In deze wordt door geïntimeerde immers niet ontkend dat zij verkoopsactiviteiten uitoefent.

Verder neemt het hof dat deze activiteiten voldoende vaak worden herhaald, zodat zij geenszins occasionele of geïsoleerde verrichtingen in de zin van art. 182, 1° W.I.B. 1992 uitmaken. Geïntimeerde geeft immers zelf toe dat zij over een vaste verkoopruimte beschikt. Dat deze winkel, zoals geïntimeerde voorhoudt, niet zoals een klassieke winkel wordt gedreven, doet daaraan geen afbreuk.

Het hof is van oordeel dat de activiteiten, waarmee geïntimeerde zich bezighudt, bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft, en derhalve juridisch gediskwalificeerd dienen te worden als verrichtingen van winstgevende aard ingevolge de bepaling van art. 182, 3° W.I.B. 1992. Dit vloeit met name voort uit het verwantschapscriterium, zijnde volgens de administratieve commentaar inkomstenbelastingen het criterium dat naast het kwantitatief criterium wordt gehanteerd om uit te maken of de bedrijvigheid al dan niet bijkomstig is (zie Com.I.B. 1992, nr. 182/11).

Zoals geïntimeerde terecht opmerkt, blijkt uit lezing van haar statutair doel dat haar verrichtingen betrekking hebben op activiteiten die slechts bijkomstig zijn aan de verwezenlijking van haar ontbaatzuchtige hoofdwerkzaamheid, in die zin dat deze laatste gewoonweg onmogelijk is zonder de uitoefening van de betrokken bedrijvigheid. Het verkopen van producten uit derdewereldlanden is een noodzakelijk corrolarium van de onbaatzuchtige hoofdwerkzaamheden van geïntimeerde, die onder meer bestaan in het bekomen van eerlijke handelsverhoudingen en het stoppen van uitbuiting, samen met de bewustwording van deze problematiek. De verkoopsactiviteiten zijn noodzakelijk voor de sensibilisering, nu door het aanbod van de producten samen met uitleg en folders aan bewustwording wordt gedaan.

Nu het hof van oordeel is dat voldaan is aan het verwantschapscriterium en bijgevolg aan de eerste uitzondering op de principiële onderwerping aan de Venn. B., dient het voorhanden zijn van het kwantitatief criterium niet te worden nagegaan.

Derhalve dient het hoger beroep te worden afgewezen, en dient het bestreden vonnis te worden bevestigd, zij het evenwel deels op andere gronden.

Zo heeft de eerste rechter immers, door te beslissen enerzijds dat geïntimeerde nijverheids- en handelsmethodes heeft aangewend, en anderzijds dat de verrichtingen van winstgevende aard bijkomstig waren aan haar belangeloze bedrijvigheid, geoordeeld enerzijds dat geïntimeerde op uitsluitende wijze een bedrijvigheid uitoefent en anderzijds een dergelijke bedrijvigheid slechts op een bijkomende wijze uitoefent, hetgeen innerlijk tegenstrijdig is (in dezelfde zin, zie : D. D., "De (non-) taxatie van de O. W.", noot onder Rb. Leuven, 28 november 2003 (twee uitspraken, waaronder het vonnis a quo), T.R.V., 2004, nrs. 3 en 4, p. 189).

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis, zij het deels op andere gronden;

Vernietigt dienvolgens de hiervoor geciteerde aanslagen in de Venn. B. die lastens geïntimeerde werden gevestigd;

Veroordeelt appellant tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 W.I.B. 1992;

Veroordeelt appellant tot de gerechtskosten in hoger beroep, begroot op 475,96 EUR voor appellant en op 475,96 EUR voor geïntimeerde;

Aldus gevonnist door :

- J. V.,            raadsheer dd voorzitter,

- P. L.,           raadsheer,

- B. d. C.,      plaatsvervangend raadsheer,

magistraten en plaatsvervangende magistraat van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig art 778 van het Gerechtelijk Wetboek,

en, gezien de wettelijke verhindering van de heer P. L., raadsheer, uitgesproken in openbare terechtzitting van dezelfde kamer op 21/06/2006

overeenkomstig de beschikking van de heer Eerste Voorzitter van 21-06-2006

en dit bij toepassing van art 779 van het Gerechtelijk Wetboek,

waar aanwezig waren :

- J. V.,            raadsheer dd voorzitter,

- K. M.,          raadsheer,

- B. d. C.,       plaatsvervangend raadsheer,

- C. D. N.,      griffier.