Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2000

Datum :
22-11-2000
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Aftrek,Bestemming,Privégebruik

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2000
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2000
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2000
Tax year : 2005
Document date : 22/11/2000
Keywords : Aftrek / Bestemming / Privégebruik
Document language : NL
Name : B 00/3
Version : 1
Court : appeal

ARREST B 00/3


Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 22.11.2000



Aftrek - Bestemming - Privégebruik

    Een B.T.W.-belastingplichtige had een nieuwbouw laten optrekken. De B.T.W. geheven van de nieuwbouw werd door de B.T.W.-belastingplichtige afgetrokken. Tijdens een controle wordt vastgesteld dat het gebouw wordt gebruikt voor de berging van privé-goederen van familie van de aandeelhouders, de garage wordt gebruikt voor het stallen van een personenwagen en dat in de lokalen een privé-feest van de familie van de aandeelhouders werd georganiseerd. Daarnaast kon de B.T.W.-belastingplichtige niet aantonen dat er een band bestond tussen de bestemming van de nieuwbouw en de aard van de activiteit van de onderneming. Derhalve heeft de B.T.W.-belastingplichtige niet kunnen aantonen dat de kosten van de oprichting van de nieuwbouw zijn verricht met het oog op het verrichten van belastbare handelingen inzake B.T.W. (bestemmingsbeginsel). Derhalve is de B.T.W. geheven van de oprichting van de nieuwbouw inderdaad niet aftrekbaar.



Toegevoegde kamer "F"

Voorzitter: Dhr. K. Van Herck
Plaatsvervangende raadsheren: Dhr. B. de Clippel, Dhr. A. De Muylder
Griffier: Dhr. C. De Nollin
Partij: N.V. Arnauts Engineering t. De Belgische Staat
Rolnr.: 1995/AR/2600

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:


De processtukken

Gelet op de correctieopgave dd. 22/2/1990 waarbij de administratie der BTW - na een eerste bezoek ter plaatse, op 8/2/1990 - het recht op aftrek van appellante verworpen heeft ivm. de verdieping, de garage en een lokaal naast de garage van een op 15/5/1987 in gebruik genomen nieuwbouw.


Gelet op het proces - verbaal dd. 19 juni 1992, opgesteld na een tweede bezoek ter plaatse op 10/12/1990.


Gelet op de inhoudingen, door de Staat gedaan (om betaling te bekomen van het kwestieus verworpen recht op aftrek), van de batige saldi die bleken uit de door appellante ingediende aangiften op 31/1/92, 30/4/92 en 31/7/92.


Gelet op de dagvaarding dd. 13/4/1993 waarbij de N.V. Arnauts Engineering (thans appellante) de Staat gedagvaard heeft in terugbetaling van 425.475 F.


Gelet op de besluiten van de N.V. Arnauts Engineering dd. 19/1/1994 waarbij zij haar eis uitgebreid heeft tot een terugbetaling van 566.721 F. (inhouding van 171.719 F mbt. de aangifte van 31/1/92 en inhouding van 395.002 F mbt. de aangifte van 30/4/92).


Gelet op het vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven van 3/5/1995 dat de vordering van de N.V. Arnauts Engineering ongegrond verklaard heeft. Er wordt geen betekenisakte van dit vonnis neergelegd.


Gelet op het door appellante op 23/8/1995 ingestelde hoger beroep, dat ontvankelijk is.


Gelet op de besluiten van appellante.


Gelet op de besluiten en de aanvullende besluiten van de Staat.


Voorwerp van het hoger beroep

Het hoger beroep strekt ertoe te horen zeggen dat de Staat het recht op aftrek van de BTW op de verdieping, de garage en het lokaal naast de garage van de door appellante betaalde nieuwbouw ten onrechte verworpen heeft, en bijgevolg kwestieuze batige saldi (566.721 F) van de door appellante ingediende aangiften m.b.t. de 3 eerste kwartalen van het jaar 1992, ten onrechte ingehouden heeft.


Appellante vraagt dat de Staat veroordeeld zou worden haar het ingehouden bedrag van 566.721 F, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten, terug te betalen.


De feiten

De N.V. Arnauts Engineering is als belastingplichtige geregistreerd wegens de activiteit van "bureau voor nijverheidsstudie, groot en kleinhandel in leder- en schoenwaren, toestellen en werktuigen voor handels- en nijverheidsgebruik" (proces verbaal van 19/6/92, eerste blad).


Op 20 september 1985 heeft architect Louis Bondroit , voor rekening van appellante (die toen gevestigd was aan de Bredastraat nr. 8 te Diest, in hetzelfde gebouw als de Heer Eric Arnauts ), een plan opgemaakt voor het "bouwen van een woning" aan de Bredastraat kadastrale sectie E 134/c 2 deel - lot 35, d.i. de toekomstige Bredastraat nr. 6. (stuk nr. 6 van de bundel van de Staat).


De benamingen die aan de geplande lokalen gegeven worden zijn de volgenden:


"gelijkvloers: woonkamer, keuken, hall, bergplaats, garage en bureau.


"verdieping: slaapkamer 1, slaapkamer 2, badkamer, garderobe, badkamer".


De nieuwbouw werd op 15 mei 1987 in gebruik genomen.


Op 27 mei 1988 liet appellante een wijzigingsplan geworden aan de Heer Controleur van de BTW te Diest brief gevoegd aan het proces-verbaal van 19/6/1992 (stuk nr. 2 van de bundel van de Staat).
met de volgende uitleg:


"gelijkvloers: woonkamer = hoofdbureel; keuken = bureel; bureau = slaapkamer voor het logeren van buitenlandse klanten en/of zakenrelaties.


"verdieping: voorzien van mogelijke uitbreiding van onze activiteiten; is momenteel niet afgewerkt en niet in gebruik".


Op 8 februari 1990 stelde de administratie van de BTW vast dat: 1/ de verdieping nog niet afgewerkt en ingericht was, en niet in gebruik genomen was. 2/ de garage voor de berging van een personenwagen diende. 3/ het lokaal naast de garage (op plan als "bureau" aangeduid) als slaapkamer voor het logeren van buitenlandse klanten of/en zakenrelaties diende. proces-verbaal 19/6/92 blz. 2 en 3.



Na een tweede bezoek ter plaatse op 10 december 1990, werd door de administratie het volgende vastgesteld: 1/ wat de verdieping betreft: het lokaal "vergaderzaal" op het wijzigingsplan genoemd , was als bar uitgerust de opsteller van het proces verbaal dd. 19/6/92 voegt eraan toe dat de bestuurder van appellante, de Heer Arnauts "heeft ook toegegeven dat er in dit lokaal een privé-feest van de familie Arnauts werd georganiseerd" (proces verbaal, blz. 3).
en het lokaal "slaapkamer en badkamer" op het wijzigingsplan genoemd, was nog niet afgewerkt maar diende voor de berging van privé goederen van de familie Arnauts , zoals tuinmeubelen. 2/ wat de garage betreft: een Porsche personenwagen was er aanwezig, alsook privé goederen van de familie Arnauts , wiens woning juist naast kwestieuze nieuwbouw van appellante, de N.V. Arnauts, gelegen is. 3/ wat het lokaal op het gelijkvloers betreft: dit lokaal diende nog steeds voor het logeren van gasten/relaties.


Bespreking

De bewijslast van het recht op aftrek berust bij appellante.


Luidens artikel 45 § 1, 1° Wetboek BTW. komt de BTW voor aftrek in aanmerking indien de belastingplichtige de aan hem geleverde goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen die aan de belasting onderworpen zijn.


De goederen en diensten waarvan de BTW-aftrek wordt gevorderd, moeten aldus voldoende bijdragen tot de belaste activiteit van de belastingplichtige; m.a.w. moet er een voldoende verband zijn tussen de uitgaven (terzake: de oprichtingskosten van de nieuwbouw) en de activiteit.


De vaststellingen van de administratie dd. 10 december 1990 zie hierboven, de uiteenzetting der feiten.
zijn, in de zin van artikel 59 § 1 Wetboek BTW, bewijskrachtig zolang de belastingplichtige het tegendeel niet aantoont.


Die vaststellingen wijzen erop dat op die datum de verdieping van de nieuwbouw van de Bredastraat 6 gedeeltelijk als bar uitgerust was en gedeeltelijk voor de berging van privé-goederen van de familie van de bestuurder van appellante diende, dat de garage ook als bergplaats van privégoederen gebruikt was, en dat het lokaal naast de garage een slaapkamer was.


Er blijkt niet uit de stukken van het dossier dat appellante het tegendeel van die vaststellingen aantoont. Appellante werpt in dit verband tevergeefs op dat de administratie niet bewijst dat de gestelde vertrekken "bij voortduur werden gebruikt voor privé- of andere doeleinden" besluiten appellante blz. 9 lid 1.
en dat "het bewijs van het proces verbaal slechts geldt voor de feiten die bestonden op het ogenblik dat zij werden vastgesteld" besluiten appellante blz. 9 lid 2.



Terzake bewijst appellante niet, terwijl de bewijslast op haar berust, dat er een verband bestaat tussen enerzijds de oprichtingskosten van de verdieping, van de garage en van het lokaal naast de garage die gebruikt werden als bar, als bergplaats van privé-goederen en als slaapkamer, en anderzijds haar activiteiten van "bureau voor nijverheidsstudie" en van "groot en kleinhandel in leder-en schoenwaren, in toestellen en in werktuigen voor handels- en nijverheidsgebruik" (proces verbaal van 19/6/92, eerste blad).


Appellante toont aldus o.a. niet aan dat het lokaal naast de garage als een slaapkamer (en badkamer?) ingericht was en dat dit lokaal uitsluitend , daadwerkelijk en regelmatig gebruikt werd om buitenlandse klanten en zakenrelaties van haar "bureau voor nijverheidsstudie" of van haar activiteit als handelaarster in leder-en schoenwaren en toestellen voor handels- en nijverheidsgebruik, te logeren; zij tracht zelfs niet te bewijzen dat zij buitenlandse klanten heeft, dat hun bezoek en overnachting te Diest waarschijnlijk zijn, en dat die personen bij haar zijn komen slapen (en ontbijten?) in plaats van in een hotel te overnachten.


Het is verwonderlijk dat op 10/12/1990 het lokaal "slaapkamer en badkamer" van de verdieping als bergplaats van o.a. tuinmeubelen diende, terwijl volgens appellante het "bureel" naast de garage als slaapkamer (en badkamer?) diende.


De argumenten van appellante die de 5 of 10-jaarlijkse herzieningstermijn van afgetrokken BTW inroept, alsook de regels betreffende de onttrekking voor privé-doeleinden, het arrest Rompelman, en het feitelijk vermoeden dat de ontvangen nieuwbouw, in zijn geheel, voor de aanwending van het maatschappelijk doel van appellante bestemd werd, zijn terzake niet steekhoudend omdat appellante nooit bewezen heeft dat er, ab initio , een verband bestond tussen de kwestieuze lokalen en haar activiteiten als belastingplichtige.


Gelet op wat voorafgaat heeft de administratie terecht beschouwd dat de BTW berekend op basis van de oppervlakte van de betreffende lokalen niet aftrekbaar waren


OM DEZE REDENEN,


HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,


Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;


Gehoord in openbare terechtzitting de heer K.Van Herck , voorzitter, in zijn verslag;


Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.


Wijst appellante in haar eis af en bevestigt het vonnis in eerste aanleg.


Veroordeelt appellante tot de kosten in graad van hoger beroep begroot op 24.700 frs voor appellante en op 17.200 frs voor geïntimeerde.