Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 24.09.1998
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Handelsgeschenken,Geheime commissielonen
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 24.09.1998
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 24.09.1998 Tax year : 2005 Document date : 24/09/1998 Document language : NL Name : G 98/7 Version : 1 Court : appeal
ARREST G 98/7 Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 24.09.1998 De Fiscale Koerier 98/556 Handelsgeschenken - Geheime commissielonen Een verkoper van vrachtwagens biedt aan zijn cliënteel bij de aankoop van een vrachtwagen of oplegger een gratis televisietoestel of een gratis reis aan. De vennootschap boekt deze kosten als publiciteitskosten. De Administratie gaat daarmee niet akkoord en vestigt de bijzondere aanslag voor geheime commissielonen omdat er geen fiches werden opgesteld voor de genieters. De vennootschap stelt dat de geschenken in hoofde van de genieters geen voordelen van alle aard zijn. Er bestaat volgens haar geen oorzakelijk verband tussen de voordelen en de beroepsactiviteit van diegene die ze ontvangt. Het Hof stelt dat het oorzakelijk verband wel is bewezen, aangezien de geschenken werden verkregen bij de aankoop van vrachtwagens en opleggers, m.a.w. voertuigen die voor de beroepswerkzaamheid werden gebruikt. Toch moet de bijzondere aanslag geheime commissielonen in dit geval worden vernietigd, aangezien voor het betreffende aanslagjaar de verplichting om fiscale fiches op te maken nog niet bestond. ELFDE KAMER VOORZITTER : N. Van Isterdael RAADSHEREN : A. De Meue, M. Hanssens ADVOCATEN : mr. P. Delafontaine, mr. P. 'tKindt loco mr. S. van Rouveroij PARTIJEN : NV S., tegen de Belgische Staat Overwegende dat de eiseres tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge van 18 februari 1988, waarbij het bezwaar tegen de op haar naam gevestigde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1980 (kohierartikel 2879157) ten dele werd ingewilligd; dat enerzijds een ontheffing werd verleend van 190.788 frank terwijl anderzijds diezelfde aanslag nietig werd verklaard in de mate dat hij betrekking heeft op het bedrag van 69.337 frank voordelen begrepen in het belastbaar inkomen van 3.483.960 frank; Overwegende dat nadat een aanvankelijke aanslag werd gevestigd op de aangegeven inkomsten aan de eiseres een bericht van wijziging werd overgemaakt op 23 september 1982 waarbij onder meer een bedrag van 848.842 frank publiciteitskosten uit de bedrijfsuitgaven werden geweerd; dat de verwerping van deze uitgave tevens aanleiding gaf tot een speciale aanslag als geheim commissieloon zoals voorzien in artikel 132 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud daar de eiseres volgens de administratie en dit overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud gehouden was opgave te doen van de genieters van de voordelen : Overwegende dat naar aanleiding van dit bericht van wijziging besprekingen werden gevoerd, waarbij de administratie alleen een bedrag van 45.067 frank in aanmerking nam als normale relatiegeschenken; dat de verworpen uitgave aan publiciteitskosten aldus werd verminderd tot 803.775 frank; dat de overige publiciteitsuitgaven bestaande uit reizen of T.V.'s geschonken bij aankoop van een vrachtwagen verworpen bleven omdat de eiseres naliet de genieters ervan op te geven; Overwegende dat de betwiste aanslag uiteindelijk werd gevestigd op een belastbaar inkomen van 3.484.000 frank, waarvan 803.800 frank bovendien werden onderworpen aan de bijzondere aanslag in de commissielonen; Overwegende dat door de eiseres bezwaar werd ingediend; dat de eiseres liet gelden dat de administratie ten onrechte de aan de klanten of potentiële klanten gegeven publiciteitsgeschenken als een voordeel in natura voor deze laatsten laat doorgaan vermits er geen causaal verband bestaat tussen de voordelen en de bedrijfsactiviteit van degene die de geschenken ontvangt; dat het gaat om gewone publiciteitskosten en niet om vergoedingen inherent aan de bedrijfsactiviteit van de genieters; dat bovendien de eiseres de betalingen niet deed aan de genieters doch wel aan de leveranciers van de T.V.-toestellen en de reizen, zodat er geen sprake kan zijn van geheime commissielonen gezien de namen van de leveranciers gekend zijn; Overwegende dat de eiseres in een aanvullend schrijven aanvoerde dat het voordeel niet de vergoeding uitmaakt van een door de genieter geleverde bedrijfsmatige prestatie zodat dit voordeel niet belastbaar is; dat de eiseres verder liet gelden dat artikel 22 van de Wet van 5 januari 1976 toepasselijk is voor het aanslagjaar 1980 en niet artikel 13 van de Wet van 8 augustus 1980 zodat artikel 47 1 en artikel 132 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud niet toepasselijk zijn; Overwegende dat uit de feitelijke gegevens is gebleken dat de eiseres tijdens het autosalon te brussel van 17 tot 28 januari 1979 een reis naar Rhodos aanbood bij aankoop van een nieuwe vrachtwagen terwijl zij tevens tijdens de S. show van 12 tot 14 oktober 1979 een gratis kleuren-T.V. gaf bij de aankoop van een vrachtwagen of oplegger; Overwegende dat de eiseres ten gevolge van deze actie aan de firma D. (Oostende) diverse facturen vereffende voor een totaal bedrag van 533.803 frank, aan de firma I.-G. een bedrag van 200.635 frank en aan W.-L. Oostende de som van 69.337 frank, hetzij een totaal bedrag van 803.775 frank; Overwegende dat de administratie deze uitgave verwierp omdat deze voor de genieters voordelen van alle aard uitmaakten zodat de uitbetaler van deze voordelen gehouden was tot het opgeven van de identiteit van de genieters (opgave 325.50) aan welke voorwaarden volgens de fiscus niet was voldaan, zodat deze uitgave bovendien werd onderworpen aan de speciale aanslag zoals bepaald in artikel 132 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud; Overwegende dat de directeur het standpunt van de taxatieambtenaar bijtrad met dien verstande dat een bedrag van 69.337 frank in mindering werd gebracht daar de werkelijke genieter van deze reis gekend was zodat de betwisting uiteindelijk betrekking heeft op de aftrekbaarheid van 734.438 frank als bedrijfsuitgave en de onderwerping van dit bedrag aan de bijzondere aanslag in de geheime commissielonen; Overwegende dat voor de aftrekbaarheid artikel 44 al. 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud voorschrijft dat uitgaven of lasten slechts aftrekbaar zijn wanneer de belastingplichtige de echtheid en het bedrag ervan verantwoordt door bewijsstukken; Overwegende dat de administratie echter voorhoudt dat de gedane uitgave in hoofde van de genieters voordelen van alle aard uitmaken zodat de fiscus conform artikel 47 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud eist dat nadere bewijsstukken vereist zijn om de echtheid en het bedrag van deze lasten en uitgaven te rechtvaardigen; dat zoals blijkt uit het bericht van wijziging dienaangaande een opgave 325.50 werd opgevraagd houdende de opgave van de identiteit van de genieters en dat vermits aan deze voorwaarde niet werd voldaan deze bedrijfsuitgave aan de bijzondere aanslag in de commissielonen werd onderworpen; Overwegende dat de eiseres daarentegen staande houdt dat de aanslag slechts correct is wanneer het voordeel voor de genieter een belastbaar bedrijfsinkomen uitmaakt en wanneer de tekst van artikel 47, 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud voor het aanslagjaar 1980 betrekking op de "voordelen van alle aard"; Overwegende dat naar luid van artikel 22, 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud zoals gewijzigd door artikel 4 van de Wet van 8 augustus 1980 en in werking vanaf het aanslagjaar 1980 als winsten worden aangemerkt : 2°. de voordelen van alle aard die de ondernemer behaalt uit hoofde of ter gelegenheid van het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid; Overwegende dat deze voordelen enkel belastbaar zijn wanneer ze werden behaald "uit hoofde of ter gelegenheid van de beroepswerkzaamheid"; dat het derhalve volstaat dat deze voordelen voortspruiten uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid betrekking hebben en daarvan een rechtstreekse of onrechtstreekse, wezenlijke of bijkomstige opbrengst van uitmaken; Overwegende dat de administratie moet aantonen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en het verkrijgen van de voordelen; Overwegende dat naar alle redelijkheid dit causaal verband bewezen voorkomt nu de reizen en geschenken slechts konden worden verkregen bij de aankoop van een vrachtwagen of oplegger, hetgeen duidelijk verband houdt met de uitgeoefende beroepsactiviteit; dat derhalve de gratis reis of het geschenk in natura een belastbaar voordeel van alle aard uitmaakte; Overwegende dat verder dient te worden onderzocht of de bijzondere verantwoordingsplicht zoals bepaald in artikel 47, 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud ook reeds gold voor "voordelen van alle aard" in het aanslagjaar 1980; Overwegende dat bezwaarlijk kan worden geëist door de fiscus, zoals ten onrechte werd gedaan in het bericht van wijziging van aangifte dat individuele fiches of samenvattende opgaven zouden worden overgelegd; dat dergelijke verantwoordingsplicht slechts werd ingevoerd door artikel 13 van de Wet van 8 augustus 1980 met toepassing vanaf het aanslagjaar 1981; Overwegende dat er bovendien door voormelde wetswijziging van artikel 13 van de Wet van 8 augustus 1980 voor het eerst sprake is van "voordelen van alle aard" die voor de verkrijgers inkomsten zijn als bedoeld bij artikel 20, 1°, 3° en 4° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud; Overwegende dat naar luid van artikel 22 van de Wet van 5 januari 1976 het toenmalig artikel 47, 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud toepasselijk voor het aanslagjaar 1980 luidde dat "De lasten bestaande uit commissies, makelaarslonen, handels- of andere ristorno's, vacatiegelden, erelonen, toevallige of niet toevallige gratificaties en enigerlei andere vergeldingen die voor de verkrijgers inkomsten zijn in de zin van artikel 20, 1°, 3° en 4° worden slechts in aftrek aangenomen wanneer daaromtrent bewijs wordt verstrekt door juiste aanduiding van de naam en de woonplaats van de verkrijgers, alsmede van de datum der betalingen en van de aan ieder van hen toegekende sommen. (.....); Overwegende dat de term vergelding geenszins gelijk te stellen is met een "voordeel van alle aard"; dat volgens de tekst van de wet vergeldingen gelijk gesteld worden met betalingen van toegekende sommen, zoals trouwens vergelden in de gewone betekenis van het woord vergoeden en/of belonen betekent; dat een voordeel van alle aard zowel een geldelijke beloning of zoals ten deze een gratis reis of een geschenk in natura kan bevatten; Overwegende dat de eiseres derhalve terecht stelt dat voor het aanslagjaar 1980 niet vereist is overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud zoals gewijzigd door artikel 22 van de Wet van 5 januari 1976 dat de uitgaven die voor de genieters ervan als "voordelen van alle aard" kunnen worden belast als een inkomen bedoeld in artikel 20, 1°, 3° en 4° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud verantwoord worden op de wijze zoals voorzien in artikel 47, namelijk let aanduiding van naam, woonplaats en bedrag van elk van de "genieters"; Overwegende dat nu de voorwaarden van artikel 44 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud wel vervuld zijn het bedrag van 734.438 frank als bedrijfsuitgave wel in aanmerking komt; Overwegende dat nu hierboven werd geoordeeld dat artikel 47, 1 van het Wetboek van Inkomstenbelasting/oud niet toepasselijk is op de voordelen van alle aard die voor de genieters belastbare bedrijfsinkomsten zijn als bedoeld in artikel 20, 1°, 3° en 4° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud is de toepassing van artikel 132 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud evenzeer ten onrechte geschied. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op het artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Antoine De Meue en de partijen in hun middelen en conclusies. Ontvangt de voorziening en verklaart ze gegrond. Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds erop geïnde meer de moratoriumintresten, behoudens op de belastingverhoging. Verwijst de Belgische staat in de kosten en begroot deze kosten op 266 frank. |
|||||||