Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.04.1992 (Gent, 11.12.1990)

Datum :
03-04-1992
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Hof van Beroep.,Betwisting i.v.m. tekenen en indiciën.,Nieuwe grief.

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.04.1992 (Gent, 11.12.1990)
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.04.1992 (Gent, 11.12.1990)
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.04.1992 (Gent, 11.12.1990)
Tax year : 2005
Document date : 03/04/1992
Document language : NL
Name : C 92/8
Version : 1
Court : cassation

ARREST C 92/8


Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.04.1992 (Gent, 11.12.1990)



Bull. nr. 724, pag. 305

Hof van Beroep. - Betwisting i.v.m. tekenen en indiciën. - Nieuwe grief.

    Het Hof van Cassatie bevestigt dat grieven die niet aan het oordeel van de directeur werden onderworpen, of waarover de directeur geen uitspraak heeft gedaan - zelfs wanneer hij ze ambtshalve had moeten onderzoeken - nieuwe grieven zijn waarvan het Hof van Beroep geen kennis kan nemen, tenzij het gaat om grieven die betrekking hebben op een schending van de wet of van enige, op straffe van nietigheid, voorgeschreven procedurevorm, en die binnen de in artikel 381 WIB 92 - 282 WIB (oud) bepaalde termijn voor het Hof zijn aangevoerd.

   In casu voerde eiser in zijn bezwaarschrift alleen maar aan dat het indiciair tekort, hoofdzakelijk gebaseerd op de uitgaven verbonden aan een nieuwe woning, verantwoord werd door het feit dat eiseres moeder twee miljoen schulden voortkomende van de bouw van deze nieuwe woning afbetaalde.

    Wanneer eiser in beroep aanvoerde dat artikel 341 WIB 92 - 247 WIB (oud) niet kon worden toegepast omdat de taxatie niet gebaseerd was op een te hoge levensstandaard en omdat er geen voldoende verband te vinden was tussen eisers investeringen en het bestaan van niet-aangegeven inkomsten en van het bestaan van niet-aangegeven inkomsten, besliste het Hof van Beroep terecht dat dit geen grieven in de zin van artikel 377, lid 2 WIB 92 - 278, lid 2 WIB (oud) uitmaakten.



HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 11 december 1990 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : "schending van artikel 278 Wetboek der Inkomstenbelasting, zoals gewijzigd door artikel 3 van de Wet van 16 maart 1976,
doordat het hof van beroep beslist dat een onderscheid moest gemaakt worden tussen de voorheen door eiser opgeworpen argumenten die alle tot doel hadden het hem door artikel 247 Wetboek der Inkomstenbelasting opgedragen tegenbewijs te leveren en het in conclusie van 9 maart 1990 geformuleerde argument dat de toepasselijkheid van de door artikel 247 Wetboek der Inkomstenbelasting voorziene taxatiemethode zelve in vraag stelt, en doordat het Hof beslist dat eiser een nieuwe grief opwerpt door te stellen dat artikel 247 Wetboek der Inkomstenbelasting niet kan toegepast worden omdat de taxatie niet is gesteund op een te hoge levensstandaard en er geen voldoende verband te vinden is tussen eisers investeringen en het bestaan van niet aangegeven inkomsten, daarbij als criterium hanterend dat bij een betwisting over de toepasselijkheid van artikel 247 WIB de bewijslast op de Belgische Staat rust, terwijl bij aanvaarding dat artikel 247 Wetboek der Inkomstenbelasting terecht werd toegepast, het tegenbewijs bij de belastingplichtige ligt,
terwijl een grief moet aangemerkt worden als zijnde niet aan de directeur voorgelegd, met name wanneer hij betrekking heeft op een belastbaar feit waaromtrent voor de directeur een geschil aanhangig is gemaakt of door hem geen beslissing is genomen waarbij als belastbaar feit moet worden beschouwd niet de grondslag van de aanslag in zijn geheel maar elk zelfstandig onderdeel daarvan afzonderlijk (Cass., 18.10.1985, F.J.F., 86/107), en terwijl de grief omtrent de toepasselijkheid van artikel 247 Wetboek der Inkomstenbelasting slaat op hetzelfde belastbaar feit, zijnde het gedeelte van de inkomsten die aan de belastbare grondslag werden toegevoegd op grond van artikel 247 Wetboek der Inkomstenbelastingen; zodat het arrest dat het nieuwe karakter van de grief steunt op het verschil in bewijslast tussen enerzijds de betwisting omtrent de toepasselijkheid van artikel 247 WIB (bewijslast van de Belgische Staat) en anderzijds de betwisting omtrent het tegenbewijs (bewijslast van de belastingplichtige) zonder dat aan de initiële betwisting vreemd zijnde feiten voor het eerste aan het hof van beroep worden ingeroepen, artikel 278 Wetboek der Inkomstenbelasting, zoals gewijzigd door artikel 3 van de Wet van 16 maart 1976, schendt" :
Overwegende dat uit de artikelen 273, 276, 278, 279, de laatste drie bepalingen aangevuld bij de wet van 16 maart 1976, en 281 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en uit de beginselen van de regeling der respectieve bevoegdheden van het bestuur en van de hoven en rechtbanken moet worden afgeleid dat het hof van beroep, dat kennis neemt van de voorziening van de belastingplichtige tegen de beslissing van de directeur der belastingen, zonder zijn bevoegdheden te overschrijden, geen kennis kan nemen, behoudens verval van het recht tot aanslag of rechterlijk gewijsde, ter zake niet ingeroepen, van een kwestie die bij de reclamatie niet aan de directeur is voorgelegd overeenkomstig artikel 273 van het wetboek, of waarover de directeur geen uitspraak heeft gedaan zelfs wanneer hij ze ambtshalve had moeten onderzoeken, of die door de belastingplichtige niet overeenkomstig artikel 279, tweede lid, van het wetboek, voor het hof van beroep is aangevoerd, met dien verstande dat de belastingplichtige enkel een schending van de wet of van enige op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevorm kan aanvoeren;
Overwegende dat, zoals uit de vermeldingen van het arrest blijkt, eiser in zijn bezwaarschrift alleen maar aanvoerde dat het indiciair tekort, dat hoofdzakelijk gebaseerd is op de uitgaven verbonden aan een nieuwe woning, verantwoord wordt door het feit dat eisers moeder twee miljoen schulden, voortkomende van de bouw van deze nieuwe woning, afbetaalde; dat uit de vermeldingen van het arrest voorts blijkt dat eiser in zijn appelconclusie van 9 maart 1990 liet gelden dat artikel 147 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen in het geheel niet kon worden toegepast omdat de taxatie niet gebaseerd is op een te hoge levensstandaard en omdat geen voldoende verband te vinden is tussen eisers investeringen en het bestaan van niet aangegeven inkomsten en in elk geval niet tussen het bedrag van de uitgaven en de niet aangegeven inkomsten;
Dat het arrest op grond van die vaststellingen wettig beslist dat de grieven die eiser voor het eerst voor het hof van beroep aanvoerde, geen grieven zijn als bedoeld in artikel 278, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : "schending van de artikelen 278 en 279 Wetboek der Inkomstenbelasting, zoals gewijzigd door de artikelen 3 en 4 van de Wet van 16 maart 1976 en artikel 282 Wetboek der Inkomstenbelasting, zoals gewijzigd door artikel 12 van de Wet van 30 mei 1972,
doordat het arrest beslist dat dient aangenomen worden dat ook de grieven die betrekking hebben op de directoriale beslissing beheerst worden door de artikelen 278, tweede lid, en 282 Wetboek der Inkomstenbelasting voor wat betreft de termijn waarbinnen zij kunnen worden geformuleerd,
terwijl krachtens artikel 278 al. 2 Wetboek der Inkomstenbelastingen de eiser aan het hof van beroep bezwaren mag onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd, noch ambtshalve door de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar werden onderzocht en uit de tekst voortvloeit dat hier enkel bezwaren worden bedoeld die in het bezwaarschrift konden geformuleerd worden alsmede die door de directeur of door de gedelegeerde ambtenaar in het stadium van de administratieve procedure van bezwaar konden opgeworpen worden, en krachtens artikel 279, tweede lid, Wetboek der Inkomstenbelasting de in artikel 278 Wetboek der Inkomstenbelasting bedoelde nieuwe bezwaren slechts mogen geformuleerd worden op straffe van verval binnen de termijn gesteld in artikel 282 van het Wetboek der Inkomstenbelasting,
en terwijl een grief die betrekking heeft op de directoriale beslissing zelf, zoals in casu een schending van artikel 276 Wetboek der Inkomstenbelasting niet in het bezwaarschrift kan geformuleerd worden, of aan de directeur of zijn gedelegeerd ambtenaar kan onderworpen worden; zodat het arrest dat aanneemt dat ook de grieven die betrekking hebben op de directoriale beslissing zelf eveneens beheerst worden door de artikelen 278, al. 2 en 282 Wetboek der Inkomstenbelasting voor wat de termijn betreft waarbinnen zij kunnen worden geformuleerd, de voormelde artikelen 278, al, 2, 279 Wetboek der Inkomstenbelasting, zoals gewijzigd door artikel 12 van de Wet van 30 mei 1972, schendt" :
Overwegende dat krachtens artikel 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen de eiser aan het hof van beroep bezwaren mag onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd noch ambtshalve door de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar werden onderzocht, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straf van nietigheid voorgeschreven vormen inroepen; dat artikel 279, tweede lid, van hetzelfde wetboek, evenwel voorschrijft dat die bezwaren ofwel in de voorziening, ofwel in een geschrift dat aan de griffie van het hof van beroep wordt afgegeven, moeten worden geformuleerd, en dit op straf van verval, binnen de termijn van artikel 282 van het wetboek;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de directeur een bij artikel 276 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen verboden schuldvergelijking toepast en dat de overtreding van de wet aanleiding geeft tot een nieuw bezwaar;
Dat het naar recht beslist dat dit bezwaar, ook al heeft het betrekking op een overtreding van de wet, niet ontvankelijk is omdat het voor het eerst is voorgedragen na het verstrijken van de termijn van artikel 282 van dat wetboek;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.