Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.10.2000

Datum :
13-10-2000
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Recht op aftrek,Vermeldingen op factuur

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.10.2000
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.10.2000
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.10.2000
Tax year : 2005
Document date : 13/10/2000
Keywords : Recht op aftrek / Vermeldingen op factuur
Document language : NL
Modification date : 03/11/2006 08:15:12
Name : C 00/5
Version : 1
Court : cassation

ARREST C 00/5


Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.10.2000



Recht op aftrek - Vermeldingen op factuur

    Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig art. 2 KB nr. 1 van 23 juli 1969 : uit die bepaling volgt dat de belastingplichtige niet de mogelijkheid heeft ontbrekende, wezenlijke vermeldingen op de factuur op grond van andere documenten aan te vullen om alzo zijn recht op aftrek te kunnen gronden (1).

Noot :

(1) Cass., 4 december 1989, A.C. 6631, A.C. nr. 214; Cass., 7 juni 1996, A.C. C.95.0111.F, nr. 222; Cass., 19 september 1996, A.C. C.95.0383.F, nr. 318.



C.98.0402.N/1

Nr. C.98.0402.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de BTW te Hasselt, wiens kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45, en van de rekenplichtige van het ontvangkantoor van de BTW wiens kantoor gevestigd is te 2300 Turnhout, Financiecentrum, Spoorwegstraat 22,

eiser tot cassatie van een arrest, op 20 april 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen,

vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te … alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

P. M., verweerder in cassatie. 

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer W. en op de conclusie van advocaat-generaal G.;

Gelet op het bestreden arrest, op 20 april 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;

Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1, § 1, en 3, § 1, 1° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, van de artikelen 1, eerste lid, 1°, en tweede lid eerste volzin, en 2, 1 ° en 8° van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, beide teksten zoals in voege in het jaar 1988; van artikel 3, §1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 17 van 20 december 1984, tevens van de artikelen 91 van de wet van 8 augustus 1980, 1, nr. 6 en 2 van het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale belasting op luxeproducten; van de artikelen 45, § 1 , l°, tekst zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 1977, en 50, § 1, 2° van het wetboek der belasting over de toegevoegde waarde (Wb.BTW), en voor zoveel als nodig van de artikelen 18.1 .a en 22.3.a en c, van de zesde BTW-richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen, van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelastingen-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, deze artikelen in hun oorspronkelijke tekst,

doordat
het arrest, met bevestiging van de uitspraak van de eerste rechter, na vastgesteld te hebben "dat (verweerder) het bewijs dient te leveren dat hij recht heeft op aftrek van de betrokken BTW", en dat hij "dit bewijs in principe dient te leveren door middel van originele en regelmatige facturen, die alle vereiste vermeldingen bevatten",

en na de inhoud van de terzake toepasselijke regeling te hebben aangehaald, overweegt : "dat, aangezien het recht op aftrek onderworpen wordt aan deze vormvereisten teneinde een juiste inning van de belasting en een efficiënte controle door de belastingadministratie te verzekeren, het feit dat de betrokken facturen niet alle vereiste vermeldingen bevatten, geen beletsel is voor het uitoefenen van het recht op aftrek, zolang de onregelmatigheden de controle en de inning van de BTW niet verhinderen";

verder oordeelt dat "het gebrek aan vermelding van het inschrijvingsnummer van de leverancier in het handelsregister als zodanig geen aanleiding geeft tot weigering van de aftrek van voorbelasting", maar toegeeft "dat het juiste jaartal van het betrokken voertuig en de datum van zijn eerste inverkeerstelling dienen vermeld te worden teneinde de administratie in de mogelijkheid te stellen de cataloguswaarde van de betrokken voertuigen te achterhalen; dat aangenomen moet worden dat de BTW-administratie door de vermeldingen op de betrokken facturen niet afdoende was ingelicht om die cataloguswaarde te kunnen bepalen; dat door het ontbreken van het volgnummer in het boek der uitgaande facturen de administratie aanvankelijk niet kon nazien door vergelijking van (verweerders) boekhouding met die van (zijn) leverancier of de door (verweerder) in aftrek gebrachte BTW wel degelijk door de leverancier werd opgenomen onder de aan de Staat verschuldigde belasting";

evenwel verder vaststelt : "dat door (verweerder) op 8 mei 1990 en tijdens de procedure nieuwe facturen werden overgelegd, die door de leverancier waren ondertekend voor akkoord en voldaan en waarop dezelfde vermeldingen, inclusief de factuurdatum, werden aangebracht als op de oorspronkelijke facturen, uiteindelijk evenwel met toevoeging van die vermeldingen die op de oorspronkelijke facturen ontbraken";

en de bezwaren van de administratie ten aanzien van deze handelswijze afwijst met de overwegingen : "dat (eiser) niet betwist dat in principe de bestreden aftrek zou kunnen worden toegepast voor zover een regelmatig stuk bestaat en de vijfjarige verjaringstermijn (artikel 81) niet verstreken is; dat volgens (eiser) die facturen voor (verweerder) geen grond opleveren tot rechtvaardiging van de in aftrek genomen BTW, aangezien ze geen regelmatige stukken zijn doordat ze niet gedateerd werden op de datum waarop ze werden opgesteld, ze ten onrechte dezelfde datum dragen als de oorspronkelijke onregelmatige facturen en in principe enkel de overlegging van een regelmatige factuur, die de vereiste vermeldingen bevat en werd gedateerd volgens de datum waarop ze als zodanig werd uitgereikt, grond tot aftrek van voorbelasting zou kunnen opleveren vanaf die datum van uitreiking; dat, ongeacht de vraag naar de regelmatigheid van de datum van die nieuwe documenten, de administratie op grond van de erin vermelde gegevens in staat was om nog voor het verstrijken van de verjaringstermijn na te gaan of de verrichtingen die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke facturen werkelijk hadden plaatsgevonden en om gebeurlijk de nog verschuldigde belasting te innen; dat sedert de overlegging van die nieuwe documenten er te dezen geen twijfel meer over bestaat en ook niet meer kan bestaan dat die verrichtingen ook werkelijk hebben plaatsgevonden; dat (verweerder) doet gelden en de administratie overigens niet tegenspreekt dat de gefactureerde verrichtingen werkelijk hebben plaatsgevonden en dat de BTW correct werd aangerekend; dat, bijgevolg, de aangehaalde onregelmatigheden geen beletsel meer vormen voor de bestreden aftrek van voorbelasting en de eerste rechter terecht (verweerder) verzet tegen het bestreden dwangbevel heeft ingewilligd",

terwijl
de BTW-belastingplichtige, om zijn recht op aftrek van de voorbelasting ten aanzien van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, zoals omschreven in artikel 45 van het Wb. BTW te kunnen uitoefenen, krachtens artikel 3, §1, 1 ° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 in het bezit moet zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 (beide teksten zoals in voege in het jaar 1988),

deze bepaling noodzakelijk verwijst naar een rechtsgeldige factuur,

naar luid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 de factuur moet worden uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag na de maand waarin het goed wordt geleverd of de dienst voltooid, mits bepaalde afwijkingen die terzake niet relevant zijn,

ingevolge artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 de factuur de datum moet dragen waarop zij wordt uitgereikt en het volgnummer waaronder zij is ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen; deze datum uiteraard de juiste datum van uitreiking moet zijn, en het volgnummer van inschrijving eveneens moet overeenstemmen met de datum van de effectieve uitreiking,

de rechtsgeldigheid van een factuur, als titel voor de aanspraak op aftrek van de erop vermelde BTW, derhalve aan het tijdig opmaken en uitreiken ervan verbonden is,

het feit dat de administratie, ondanks het laattijdig opmaken en uitreiken van correcte facturen, toch in staat zou verkeren om vóór het verstrijken van de termijn na te gaan of de verrichtingen die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke facturen werkelijk hebben plaatsgevonden en om gebeurlijk de nog verschuldigde belasting te innen, niet van aard is om de vastgestelde onrechtmatigheid te dekken, en evenmin toelaat om van het naleven van het formeel reglementair voorschrift vrij te stellen,

een a posteriori opgemaakt geschrift ten andere niet meer kan beantwoorden aan de essentiële kenmerken van een factuur, als titel van een verrichting van een handelaar en als verantwoording voor een boekhoudkundige inschrijving,

zulk bescheid onmogelijk kan voldoen aan het wettelijk vereiste dat het de datum moet vermelden waarop het uitgereikt is en het volgnummer waaronder het is ingeschreven, nu het de datum vermeldt waarop een ander bescheid werd uitgereikt en het volgnummer waaronder een ander bescheid werd ingeschreven,

het stelsel van heffingen en aftrekken inzake BTW aan specifieke voorwaarden van tijdsbepaling verbonden is : de voor een periode aan de Schatkist af te dragen BTW is de som van de belasting aan afnemers tijdens die periode aangerekend, waarvan afgetrokken wordt de som van de voor die periode regelmatig aftrekbare belasting op facturen aan leveranciers; het wettelijk stelsel bijgevolg niet toelaat, facturen die tijdens een latere periode opgemaakt werden, in aftrek te brengen van de belasting die voor een vroegere periode af te dragen is,

een ander geschrift, later na ontstaan van het geschil opgemaakt, waarin de gegevens van de oorspronkelijke factuur hernomen en aangevuld worden, kan niet retroactief de rechten doen ontstaan die aan de oorspronkelijke factuur zouden verbonden zijn geweest,

zodat
het arrest ten onrechte aan de na ontstaan van het geschil overgelegde nieuwe documenten de rechtsgevolgen van een regelmatige factuur toekent (schending van de artikelen 1, eerste lid, l°, en tweede lid, 2, 1 ° en 2, 8° van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 en van artikel 1, §1, eerste lid, en 3, §1, 1° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969); het arrest bovendien, door de aftrek van de voorbelasting, aangerekend op de twee besproken facturen, toe te staan ondanks de uitdrukkelijke vaststelling dat op de oorspronkelijk overgelegde en geboekte facturen van deze verrichtingen sommige van de vereiste vermeldingen niet voorkwamen, met name het juiste jaartal van het betrokken voertuig, de datum van zijn eerste inverkeerstelling, en het volgnummer in het boek der uitgaande facturen van de leverancier, het arrest een aftrek van voorbelasting toelaat die met de wettelijke regeling onverenigbaar is (schending van alle in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen)

Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 3, §l, l°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, de belastingplichtige om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit moet zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969;

Overwegende dat uit die bepaling volgt dat de belastingplichtige niet de mogelijkheid heeft ontbrekende, wezenlijke vermeldingen op de factuur op grond van andere documenten aan te vullen om alzo zijn recht op aftrek alsnog te kunnen uitoefenen;

Dat de factuur, om het recht op aftrek te kunnen gronden, de datum moet dragen waarop zij wordt uitgereikt en het volgnummer moet vermelden waaronder de factuur is ingeschreven in het boek van de uitgaande facturen;

Overwegende dat het arrest oordeelt dat "het juiste jaartal van het betrokken voertuig en de datum van zijn eerste inverkeerstelling dienen vermeld te worden teneinde de administratie in de mogelijkheid te stellen de cataloguswaarde van de betrokken voertuigen te achterhalen" en dat "dient aangenomen te worden dat de BTW-administratie door de vermeldingen op de betrokken facturen niet afdoende was ingelicht om die cataloguswaarde te kunnen bepalen";

Dat het arrest verder beslist dat door het ontbreken van het volgnummer in het boek der uitgaande facturen de administratie aanvankelijk niet kon nazien door vergelijking van de boekhouding van verweerster met die van haar leverancier of de door verweerster in aftrek gebrachte BTW wel degelijk door de leverancier werd opgenomen onder de aan de Staat verschuldigde belasting, maar oordeelt dat een nieuwe facturatie met de ontbrekende vermeldingen gedaan tijdens de procedure, aan het bestuur toeliet de nodige controles nog voor de verjaringsdatum te doen;

Overwegende dat het arrest dat aldus niet vaststelt dat de ontbrekende vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle erop door de administratie, zijn beslissing dat de begane onregelmatigheden geen beletsel meer vormen voor de bestreden BTW-aftrek, niet naar recht verantwoordt;

Dat het middel gegrond is;

OM DIE REDENEN, 

Vernietigt het bestreden arrest;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; 

Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend uitgesproken.