Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Imposition d'office,Preuve contraire,Pièces en possession de l'administration
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998 Tax year : 2005 Document date : 09/06/1998 Document language : FR Name : A 98/34 Version : 1 Court : appeal
ARRET A 98/34 Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 09.06.1998 FJF 98/256 Imposition d'office - Preuve contraire - Pièces en possession de l'administration Si le contribuable omet de déposer sa déclaration à l'impôt des personnes physiques, le fonctionnaire taxateur est en droit d'établir une taxation d'office sur la base des revenus imposables qu'il peut présumer eu égard aux éléments dont il dispose. Il appartient alors au contribuable de démontrer, par la production de pièces probantes, le montant exact de ses revenus imposables et de tous autres éléments à envisager dans son chef. La pure affirmation selon laquelle tous les éléments de preuve en relation avec le montant exact des revenus se trouvent en possession de l'administration et que l'imposition doit être établie sur la base des revenus nets après déduction des frais professionnels, n'est pas de nature à mettre en cause la base imposable telle que fixée, d'autant plus qu'aucun élément ne permet de déterminer que le contribuable ait jamais soumis quelque élément de preuve au fonctionnaire taxateur ou à l'inspecteur. Voorzitter : Mevr. Bertrand Raadsheren : M. Thys, M. Wetsels Advocaten : Mr. Raets, Mr. Lernout K.W. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest : Gelet op de aanslag in de personenbelasting, Gemeente Mortsel : Aanslagjaar 1991, inkomsten 1990, artikel 2714059, toegezonden aan de belastingschuldige op 19 juni 1992; Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, op 17 september 1992; Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen door de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 14 september 1993, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor het bezwaar wordt afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 22 oktober 1993, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 22 oktober 1993; * * * overwegende dat eiser de hervorming nastreeft van de bestreden beslissing teneinde zijn bezwaar gegrond te horen verklaren, dienvolgens de betwiste aanslag te horen tenietdoen, de ontheffing ervan te horen bevelen en verweerder te horen veroordelen tot de kosten van het geding; Dat hij daartoe de in zijn bezwaarschrift aangevoerde grieven handhaaft, en thans tevens inroept dat alle bewijsstukken met betrekking tot het juiste bedrag der inkomsten in het bezit van de administratie zijn en dat de aanslag dient gevestigd op de netto-inkomsten na aftrek van de bedrijfslasten; overwegende dat verweerder de bevestiging van de directoriale beslissing nastreeft, en daartoe het door de gedelegeerde ambtenaar ingenomen standpunt handhaaft en verdedigt; Dat hij tevens benadrukt dat eiser in gebreke is gebleven en blijft ook maar enig bewijsstuk met betrekking tot de belastbare inkomsten over te leggen, zodat hij niet voldoet aan de hem door art. 257 W.I.B. opgedragen bewijsvoering; * * * Overwegende dat de gevoerde taxatieprocedure, de feitelijke omstandigheden die hiertoe aanleiding hebben gegeven en de door eiser ingeroepen bezwaren op passende wijze in de bestreden beslissing worden uiteengezet; Dat het Hof deze uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt; Overwegende dat het Hof, na onderzoek van de door partijen aangevoerde middelen, vaststelt dat de door de directeur gedelegeerde ambtenaar om de oordeelkundige redengeving van de bestreden beslissing - die het Hof tot de zijne maakt en hier voor geheel herhaald houdt - juist heeft geoordeeld, en derhalve terecht eisers bezwaar heeft afgewezen; Dat eiser thans geen middelen aanvoert die niet reeds op passende wijze door de gedelegeerde ambtenaar werden beantwoord; Overwegende dat uit het onderzoek van het fiscaal dossier blijkt dat eiser verzuimde een aangifteformulier met betrekking tot aanslagjaar 1991 in de personenbelasting in te dienen, zodat te dezen de taxatieambtenaar gerechtigd was een aanslag van ambtswege te vestigen op de belastbare inkomsten die hij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover hij beschikte; Dat aan een aanslag van ambtswege een vermoeden van juistheid van vestiging overeenkomstig de wet wordt toegekend, zodat het krachtens art. 257 W.I.B. aan de belastingplichtige toekomt door overlegging van bewijskrachtige stukken het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van alle andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens aan te tonen; Overwegende dat eiser weliswaar aanvoert dat alle bewijskrachtige gegevens aan de administratie werden overgemaakt en dat de bedrijfslasten zoals opgegeven in mindering dienen gebracht, doch nalaat enig gegeven over te leggen dat van aard is de juistheid van deze beweringen aan te tonen; dat geen enkel gegeven toelaat vast te stellen dat eiser ooit enig bewijsstuk aan de taxatieambtenaar of aan de inspecteur heeft voorgelegd; Dat immers enkel het laattijdig - na het vestigen van de aanslag ingediend aangifteformulier en de resultatenberekening werden voorgelegd ( cf. stukken 17 en 18) doch zonder toevoeging van enig verantwoordingsstuk, zodat elke controle van de door hem vooropgestelde cijfers inzake inkomsten en aftrekbare bedrijfsuitgaven onmogelijk is; dat ook thans eiser geen enkel objectief, controleerbaar en bewijskrachtig gegeven overlegt; Dat nochtans de belastingplichtige krachtens art. 44 W.I.B. de echtheid en het bedrag der bedrijfsuitgaven door overlegging van bewijsstukken dient aan te tonen; Overwegende dat derhalve uit vorenstaande gegevens volgt dat eiser op geen enkele wijze het juiste bedrag der belastbare inkomsten aantoont, en zodoende de door vermoedens - gesteund op vaststaande en geverifieerde gegevens ( cf. stuk 13) - vastgelegde belastbare grondslag niet weerlegt; Dat derhalve de aanslag overeenkomstig de wet is gevestigd en de bestreden beslissing op juiste gronden werd getroffen, zodat zij voor geen kritiek vatbaar zijn en dienen behouden te blijven; Dat de voorziening dan ook ongegrond is en eiser in de kosten, zoals hierna overeenkomstig art. 392 W.I.B. '92 begroot, dient verwezen; * * * Om die redenen, Het Hof, Recht doende op tegenspraak : Gelet op art. 24 bis van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van Raadsheer R. Thys; Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beslissing; Verwijst eiser in de kosten, tot op heden aan de zijde van verweerder begroot op nihil. |
|||||||