Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 17.01.1989

Datum :
17-01-1989
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Augmentation de capital,Apport provenant de l'étranger,Fonds propres

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 17.01.1989
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 17.01.1989
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 17.01.1989
Tax year : 2005
Document date : 17/01/1989
Document language : FR
Name : A 89/2
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 89/2


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 17.01.1989



FJF 89/82

Bull. n° 689, p. 2582

Augmentation de capital - Apport provenant de l'étranger - Fonds propres

    Pour l'exercice d'imposition 1977, une S.A. avait été imposée après rectification de sa déclaration. En 1979 et 1981, elle avait été taxée d'office. 

    L'Administration avait rejeté la déduction au titre de dépense professionnelle d'un poste d'honoraires relatifs à une étude réalisée par une firme suisse. Elle avait également établi que l'augmentation de capital réalisée en 1978, n'avait pas été effectuée par un apport provenant de l'étranger, mais grâce à des fonds propres de la S.A. Le directeur aboutit à la même conclusion. Sa décision est contesté par la S.A. La cour confirme que l'Administration peut modifier le montant des revenus déclarés par le contribuable. Sur base de présomptions de l'homme, elle est en droit d'établir une nouvelle base imposable. 

    Le directeur a rejeté à bon droit les frais de l'étude car il ne résulte d'aucun élément que l'étude ait bien été réalisée par la firme suisse ni qu'elle ait pu être utilisée par la société (pas de désignation des auteurs de l'étude, pas d'exemplaires originaux, absence d'ordinateurs adéquats pour réaliser le programme de l'étude). On peut conclure de l'ensemble des données de fait que l'augmentation de capital a été effectuée à l'aide de fonds propres et non par un apport de la société suisse (cette dernière n'a d'ailleurs jamais été informée des conditions de sa participation, ni de la gestion de la S.A.).

    De plus, l'appelante ne démontre pas que l'Administration se serait basée sur des faits inexacts.



 

VIJFDE KAMER

VOORZITTER : de heer Janssens

RAADSHEREN : de heer Bresseleers, de heer Leemans

O.M. : de heer Van Ingelgem

ADVOCATEN : mr. Geuens, mr. Masson

PARTIJEN : V.G., N.V., tegen de Belgische Staat

De bestreden beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Hasselt van 18 december 1984 heeft de bezwaarschriften van appellante tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting (aanslagjaren 1977, 1979 en 1981 - kohier van de gemeente Bree, artikel X, Y en Z) en in de solidariteitsbijdrage (aanslagjaar 1981 - kohier artikel A) gedeeltelijk gegrond verklaard, en een ontheffing verleend ten bedrage van 164 629 F, doch voor het overige afgewezen.

De betwiste aanslagen werden gevestigd na berichten van wijziging, en, wat de aanslagjaren 1979 en 1981 betreft, na kennisgeving van aanslag van ambtswege.

Van de in de bezwaarschriften aangevoerde grieven blijven nog geschilpunten over omtrent :

- een ereloon ten bedrage van 385 000 F aan E. GmbH betaald, dat appellante over 5 jaar wil afschrijven,

- de inbreng van 250 000 BF en 2 000 000 BF en 40 000 Zwitserse F in het vermogen van appellante, en

- de opgelegde belastingverhoging van 100 %.

De directeur had desbetreffend op grond van een reeks overeenstemmende vermoedens geoordeeld dat het ereloon van 385 000 F niet als bedrijfsuitgave te beschouwen is, (dat de gereserveerde winst echter ten onrechte nogmaals verhoogd was met een afschrijvingsexcedent van 308 000 F), dat de doorgevoerde kapitaalsverhogingen gebeurden met eigen middelen van appellante, en dat aan het verzoek om kwijtschelding van de belastingverhoging geen gunstig gevolg kon gegeven worden.

In de voorziening voert appellante aan, zowel wat het ereloon aan E. als de inbreng voor kapitaalsverhoging betreft, dat de Administratie niet kan steunen op afdoende vermoedens om haar standpunt te bewijzen en dat de belastingverhoging onrechtmatig werd opgelegd, minstens dient beperkt te worden tot 10 %.

Ten aanzien van het aanslagjaar 1977

Overwegende dat om van de aangifte van de belastingplichtige te mogen afwijken, de Administratie de aangegeven inkomsten en andere gegevens onjuist moet bevinden;

Overwegende dat de Administratie de inkomsten en de andere gegevens die zij in de plaats stelt van die welke door de belastingplichtige zijn aangegeven, moet bepalen door een van de in het W.I.B. bepaalde bewijsmiddelen;

Overwegende dat ter zake de belastbare grondslagen werden vastgesteld door feitelijke vermoedens, bewijsmiddel aangewend krachtens artikel 246 van het W.I.B.;

Overwegende dat de directeur op grond van een geheel van omstandigheden, die hij opsomt, de beweerde betaling van 385 000 F aan E. voor verdicht houdt, en de argumentatie van appellante dit standpunt niet ontkracht;

Overwegende dat uit de context waarin de directeur vermeldde "... de studie verricht door E. GmbH ..." blijkt dat hij hierdoor geenszins erkende dat de studie verricht werd door deze Zwitserse firma, doch op deze wijze kortheidshalve de onderzochte tegenprestatie van een betwiste bedrijfsuitgave aanduidde;

Overwegende dat het litigieuze stuk een computerprogramma blijkt te zijn zonder hoofding, en waarvan niet vaststaat dat het opgesteld of afgeleverd is door de firma waarvan sprake (cf. stukken 307 en 308 van het fiscaal dossier, zijnde een fotocopie van de eerste en de laatste bladzijde);

Overwegende dat het programma op zich onbruikbaar is voor appellante daar zij niet de beschikking heeft over een (passende) computer; dat haar directeur-beheerder, die de studie bestelde en de contacten met een heer Z. van E. en de technici onderhield, trouwens de Engelse taal waarin ze is opgesteld slechts matig beheerst;

Overwegende dat de gewestelijke directeur terecht oordeelde dat de omstandigheid dat appellante van het studieverslag slechts een gestencild exemplaar ontvangen had strijdig was met het beweerd uniek en strikt confidentieel karakter ervan;

Dat op geen enkele wijze aannemelijk wordt gemaakt dat een studie betreffende een vereenvoudigde wetenschappelijke methode om de stabiliteit van grote tenten te berekenen, niet grondig door de Administratie zou mogen onderzocht worden;

Dat de enig denkbare afdoende reden waarom appellante weigerde de volledige studie te laten fotocopieren om de inhoud ervan grondig te controleren te vinden is in de omstandigheid dat zij wilde vermijden dat aan het licht zou komen dat het stuk geenszins een bedrijfsuitgave van 385 000 F kon rechtvaardigen;

Overwegende dat appellante zelfs niet betwist dat zij, zoals de directeur subsidiair oordeelde, niet heeft aangetoond dat de beweerde studie en de betaling die er betrekking zou op hebben een bedrijfskarakter heeft;

Dat zij door aan te voeren dat er geen vermoedens bestaan om de aftrek van 385 000 F als bedrijfsuitgave te betwisten, het krachtens artikel 44 van het W.I.B. op haar rustende bewijs niet levert;

Dat deze vaststelling volstond en volstaat om het bezwaar betreffende het aanslagjaar 1977 af te wijzen;

Ten aanzien van de aanslagjaren 1979 en 1981

Overwegende dat het appellante behoort, nu zij ambtshalve aangeslagen is, ofwel zoals bepaald in artikel 257, eerste lid van het W.I.B. het bewijs bij te brengen van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en de andere te haren name in aanmerking komende gegevens, dan wel aan te tonen dat de belastbare grondslagen willekeurig werden bepaald;

Overwegende dat met betrekking tot het aanslagjaar 1977 reeds is komen vast te staan dat door de aftrek te weigeren van het bedrag van 385 000 F, de belastbare grondslag geenszins willekeurig bepaald is;

Dat hetzelfde geldt voor de met betrekking tot de aanslagjaren 1979 en 1981 geweigerde aftrek van de op deze beweerde bedrijfslast betrekking hebbende afschrijvingen, zodat ook dit onderdeel van de voorziening ongegrond is;

Overwegende dat daarnaast de betwiste aanslagen onder meer gevestigd werden op grond van de omstandigheid dat de in de loop van 1978 doorgevoerde kapitaalsverhoging (kapitaal 200 000 F en emissiepremie 50 000 F) gebeurde met eigen middelen van appellante, en dat het op de balans per 31 december 1980 in de rekening "ontvangen voorschotten" voorkomende bedrag van 2 712 900 F eveneens eigen middelen van appellante zijn;

Overwegende dat de Administratie op grond van feitelijke vermoedens vaststelde dat de beweerde betalingen 250 000 F, 2 000 000 F en 40 000 Zwitserse F eigen gelden betroffen van appellante, en geen middelen van de Zwitserse vennootschap V. A.G.;

Overwegende dat niet betwist wordt de vaststelling van de directeur dat V. A.G. gelieerd is met E. GmbH (beweerde leverancier van de supra vermelde "studie"), en dat haar beheerder E.L. verwant is met de hogergenoemde heer Z., die reeds meermaals zijn naam en adres heeft geleend voor de oprichting van schijnvennootschappen;

Overwegende dat appellante de afwezigheid van voorafgaande schriftelijke afspraken betreffende de voorwaarden van de participatie en inzonderheid betreffende het bestuur van appellante niet betwist, doch slechts voorhoudt dat dit niet zo verbazend is;

Overwegende dat appellante evenmin ontkent dat anderhalf jaar na de beweerde betaling van 2 000 000 F en 40 000 Zwitserse F V. nog steeds het juiste bedrag van haar aandeel in het maatschappelijk kapitaal van appellante niet kende;

Overwegende dat aldus uit het geheel van deze en de door de directeur aangehaalde overeenstemmende gegevens de conclusie kon worden afgeleid dat de beweerde inbrengen van geld niet van V. afkomstig zijn zoals voorgehouden werd, maar wel eigen middelen van appellante betreffen;

Overwegende dat appellante niet bewezen heeft dat de Administratie op onjuiste feiten heeft gesteund of uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid;

Dat aldus niet blijkt dat de genoemde bedragen willekeurig aan de belastbare inkomsten van appellante toegevoegd werden;

Belastingverhoging

Overwegende dat de opgelegde belastingverhoging van 100 % wettelijk en, gelet op de kwade trouw van appellante die blijkt uit de omvangrijke enscenering die opgezet werd om de Administratie te misleiden, niet overdreven voorkomt;

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoend op tegenspraak;

Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer G. Bresseleers en het eensluidend advies van A. Van Ingelgem, substituut procureur-generaal;

Verklaart de voorziening ongegrond en bevestigt de bestreden beslissing;

Verwijst appellante in de kosten van haar voorziening.