Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 21.04.1994
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Précompte immobilier,Immunisations,Maison de repos pour personnes du troisième âge
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 21.04.1994
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 21.04.1994 Tax year : 2005 Document date : 21/04/1994 Document language : FR Name : A 94/30 Version : 1 Court : appeal
ARRET A 94/30 Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 21.04.1994 FJF 94/214 Précompte immobilier - Immunisations - Maison de repos pour personnes du troisième âge L'exploitation d'une maison de repos est une affectation relevant de l'article 8 CIR qui vise les 'hospices' et 'autres oeuvres analogues de bienfaisance'. Le fait que, dans le temps, un 'hospice' était seulement destiné à accueillir des indigents n'empêche pas que les maisons de repos, qui ont pour but de prendre en charge et de soigner au jour le jour des personnes du troisième âge, poursuivent un but identique à celui des hospices, même s'ils n'accueillent pas toujours des personnes pauvres. Voorzitter: dhr. van Gelder Raadsheren: dhr. Michielsen, dhr. Van hoogenbemt Advocaten: mr. Socquet loco mr. Beelen, mr. Van Dessel loco mr. van Lidth de Jeude V.Z.W. S. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Gelet op de aanslagen in de onroerende voorheffing, Gemeente H.: a) aanslagjaar 1989, artikel 919.402, toegezonden aan de belastingschuldige op 18.10.1989, een belasting vorderend van 709.633 F, op grond van een Kadastraal Inkomen van 2.226.300 F; b) aanslagjaar 1990, artikel 018.695, toegezonden aan de belastingschuldige op 26.10.1990, een belasting vorderend van 848.777 F, op grond van een Kadastraal Inkomen van 2.226.300 F; Gelet op de bezwaarschriften, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur respectievelijk op 1.12.1989 (a) en 15.1.1991 (b); Gelet op de beslissing waartegen voorziening genomen onder nummers 89/20267 en 91/20157 door de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Hasselt op 21.4.1992, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor voor het aanslagjaar 1989 een ontheffing werd verleend van 112.073 F en waardoor voor het overige de bezwaarschriften werden afgewezen; Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 29.5.1992, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 29.5.1992; Overwegende dat appellante binnen de in artikel 282 W.I.B. bepaalde termijn, samen met een brief van 12 augustus 1992, een stuk indiende `betreffende de vrijstelling van onroerende voorheffing voor bejaardenvoorzieningen die geen winstoogmerk nastreven' en een uittreksel van een `decreet houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992' d.d. 25 juni 1992; Overwegende dat het eerste stuk een `inlichtingsnota' is betreffende dat decreet, uitgaande van het V.; Overwegende dat de gewestelijke directeur in een antwoordnota op die stukken, zegt dat het decreet geen uitwerking had voor de aanslagjaren 1989 en 1990 en dat de administratie haar standpunt niet moest wijzigen; Overwegende dat in de bezwaarschriften, ingediend door een volmachtdrager, de redenen van het bezwaar als volgt werden verwoord: `Volgens artikel 8 en 157 van het W.I.B. zijn bedoelde goederen vrijgesteld van onroerende voorheffing omdat ze dienstig zijn als rusthuis dat door de Salvatoressenzusters zonder winstbejag wordt uitgebaat'; Overwegende dat in de bestreden beslissing werd uiteengezet: `... Onderzoek en standpunt van de administratie De betwiste belastingen slaan terug op het kadastraal inkomen van het `rusthuis' sectie E nr. 485 E ingeschreven onder artikel 9823 van de kadastrale legger der gemeente Hasselt 4de afdeling (kadastraal inkomen: 2.226.300 F). Volgens artikel 157, 1* van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (W.I.B.) wordt het kadastraal inkomen van onroerende voorheffing vrijgesteld van de in artikel 8 bedoelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen. Artikel 8 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalt dat belastingvrijdom geniet, het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke een belastingplichtige die geen winstoogmerken nastreeft, zal hebben besteed voor de uitoefening van een openbare eredienst, voor onderwijsdoeleinden, voor de vestiging van hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria, vakantietehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen. A. In hoofde van belastingplichtige Eén enkele voorwaarde wordt door artikel 8 opgelegd, nl. het gebrek aan winstbejag. Uit het onderzoek dat ter zake door de hoofdcontroleur der belastingen werd ingesteld blijkt dat aan deze voorwaarde werd voldaan. B. In verband met het onroerend goed Uit het onderzoek van de h. Gewestelijke directeur van het kadaster blijkt dat een gedeelte van het rusthuis met een totale capaciteit van 190 bedden wordt aangewend als rust- en verzorgingstehuis (bedden `R.V.T.'). Voor het jaar 1989 en 1990 had de officiële erkenning betrekking op 30 rust- en verzorgingsbedden (Ministerieel Besluit van de Vlaamse Gemeenschap dd. 11.9.1989). Deze gedeeltelijke aanwending kan worden beschouwd als een `soortgelijke instelling' waarvan sprake in artikel 8 W.I.B.. De vrijstelling van onroerende voorheffing kan dan ook slechts proportioneel worden toegekend. De overige bedden `R.T.' (gewone rusthuizen), die worden aangewend tot het huisvesten van bejaarden of andere personen -- die in de inrichting van rust genieten en er zekere gewone of door hun normale toestand genoodzaakte zorgen ontvangen (incontinentie, bedlegerig, semi-valide en valide) -- kunnen inderdaad uit hoofde van dit enkel feit niet worden beschouwd als een soortgelijke weldadigheidsinstelling zoals bedoeld in art. 8 W.I.B. Tegenwerpingen door de schatplichtige Met dit standpunt werd door de lasthebber niet akkoord gegaan. In essentie wordt door hem aangevoerd dat: a) Alhoewel de benaming `rusthuis', `bejaardentehuis' of `rustoord voor bejaarden' niet letterlijk wordt vermeld in artikel 8 W.I.B., het vaststaat dat met godshuizen ook bejaardentehuizen worden bedoeld en bijgevolg ressorteren onder `andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen' zoals vermeld in fine van dit wetsartikel; b) Volgens de voorbereidende parlementaire besprekingen het begrip `weldadigheidsinstelling' voor een werk van openbaar nut staat waarmede zich ook verenigingen zonder winstoogmerk inlaten. Het feit dat zowel de ondergeschikte besturen als de verenigingen zonder winstoogmerk aanspraak kunnen maken op dezelfde subsidiëring vanwege de overheid voor de investeringsverrichtingen van rusthuizen, het karakter van openbaar nut bevestigt van deze instellingen; c) In geen enkel parlementair stuk sprake geweest is dat de opname en verzorging in de hospitalen, klinieken en vakantietehuizen kosteloos dient te gebeuren; d) De groep van `andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen' in de loop der jaren werd uitgebreid tot kinderbewaarplaatsen, lokalen voor zuigelingenconsultaties, gezondheidscentra, dienstcentra en vakantietehuizen die evenmin kosteloos zijn of zuiver liefdadig; f) De rusthuizen geëvolueerd zijn tot echte verzorgingstehuizen. Er geen twijfel kan bestaan dat ze zonder meer moeten worden geacht te vallen in de categorie van `andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen' bedoeld in art. 8 W.I.B. Uiteindelijk standpunt van de Administratie De belastingwetten dienen strikt en op een beperkende wijze te worden geïnterpreteerd (arrest van het Hof van Cassatie van 20.3.1956 inzake Derenne, Pas. 1956-I-775) in de zin dat men zich dient te houden aan de termen zelf van de wet. In rechte geldt immers het beginsel dat voor het toestaan van de uitzonderingen, de wetsbepalingen beperkend moeten worden uitgelegd. Voor de toepassing van artikel 8 W.I.B. is bijgevolg strikt vereist dat de eigendom moet gebruikt worden voor sommige doeleinden die door genoemd wetsartikel beperkende wijze worden opgesomd. De wet bedoelt derhalve welbepaalde weldadigheidswerken en niet al de openbare diensten of de diensten van algemeen nut. De term `godshuis' moet worden verstaan als een huis van liefdadigheid waar men inzonderheid armen en, meer algemeen, al degenen die hulp nodig hebben, opvangt om hen, tenminste tijdelijk, onderdak en voedsel te verschaffen. De in een godshuis uitgeoefende activiteiten zijn essentieel door een geest van liefdadigheid ingegeven. De term `godshuis' is niet van toepassing op `bejaardentehuizen'. Die tehuizen vallen bijgevolg niet onder artikel 8 W.I.B. (Antwoord op de Vraag nr. 371 van de h. Ansoms van 20 november 1989 -- Kamer van Volksvertegenwoordigers. Gewone zitting 1989-1990). Enkel de officieel erkende bedden `R.V.T.' van de erkende verzorgingsinstellingen moeten worden gelijkgesteld met die van eigenlijke hospitalen en komen dienvolgens slechts in aanmerking voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing (eventueel proportioneel). Beslissing Gelet op wat voorafgaat en krachtens artikel 276 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, wordt een proportionele vrijstelling van onroerende voorheffing toegestaan op basis van een kadastraal inkomen van 2.226.300 F X 30\over190 = 351.521 F of afgerond 351.600 F. De ontlasting die hiermee gepaard gaat bedraagt aldus: 351.600 F X 31,875 % = 112.073 F. De ontheffing is in onderstaande tabel omschreven terwijl de bezwaarschriften voor het overige worden afgewezen. Gemeente Aanslag- Kohier- Datum Aard van de Bedrag van de jaar artikel aanslag- belasting aanslag biljet H. 1989 919.402 18.10.1989 Onroerende 112.073 F voorheffing TOTAAL 112.073 F Bij gehele of gedeeltelijke aanrekening van deze ontlaste bedragen op onbetaalde aanslagen, krijgt de belanghebbende hieromtrent bericht in de loop van de tweede maand die volgt op de datum van deze beslissing. Het eventueel overschot of, bij ontstentenis van een bericht, het totaal bedrag van de ontlastingen, wordt aan de belanghebbende bij het einde van de vorenbedoelde maand door bemiddeling van de Administratie der Thesaurie betaald. ... Ten aanzien van de aanslag gevestigd onder het kohierartikel 018.695 voor het aanslagjaar 1990, wordt verwezen naar mijn ambtshalve beslissing van 27.6.1991 onder nummer 9123058 waarbij reeds een ontlasting werd verleend van 134.048 F eveneens op basis van 351.600 F kad.inkomen.' Overwegende dat de Belgische Staat in zijn conclusie de redengeving van de beslissing overneemt; dat hij daarenboven commentaar geeft over het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 22.12.1988 (R.W. 1988-'89, 1294; F.J.F. 1989/84, p. 154; Bull. Bel. 1989, 1858) en op het Decreet van 23 juni 1992; dat zijn besluit is dat het Decreet niet nodig zou geweest zijn als voorheen de rusthuizen reeds vrijstelling hadden kunnen verkrijgen; Overwegende dat appellante in eerste conclusie o.a. de Belgische Staat verwijt de bepalingen van artikel 8 W.I.B. te eng te hebben geïnterpreteerd; dat zij het hierboven geciteerde arrest en het Decreet, tot staving van haar stelling inroept; Overwegende dat appellante in aanvullende conclusie haar argumenten herhaalt en uitbreidt en verwijst naar een arrest van de 8° kamer van dit Hof, gewezen op 4 februari 1993 (F 215/91); Overwegende dat een fiscale wettekst die een vrijstelling van belasting inhoudt, inderdaad eng moet worden geïnterpreteerd; Overwegende dat echter de term `godshuis' en zeker `andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen' duidelijk slaan op de werking van de V.Z.W. S.; Overwegende dat het Hof het volkomen eens is met het standpunt van appellante, zoals geciteerd in de beslissing (blz. 4, stuk 11, zie supra blz. 5), die redengeving overneemt en tot de zijne maakt; Overwegende dat de administratie in haar beslissing, behoudens wat de 30 bedden betreft waarvoor een ontheffing werd verleend, zegt dat de overige bedden `R.T.' (gewone rusthuizen) niet zouden vallen onder artikel 8 (zie supra, blz. 3, stuk 10, in fine); Overwegende dat de administratie erkent dat die bedden worden aangewend tot het huisvesten van bejaarden of andere personen, die in de inrichting van rust genieten en er zekere gewone of door hun normale toestand genoodzaakte zorgen ontvangen; Overwegende dat dit de hedendaagse weerspiegeling is van het eertijdse `godshuis'; Overwegende dat het feit dat een `godshuis' enkel voor armen zou bestemd geweest zijn, het hedendaags opnemen en verzorgen van bejaarden, zelfs als die geen armoede lijden, hetzelfde doel nastreeft als destijds; dat, minstens, de instelling van appellante als een soortgelijke weldadigheidsinstelling moet worden gezien; (zie ook: Antwerpen, 4 februari 1993, F.J.F. 1993/189, blz. 396); Overwegende dat geïntimeerde terecht zegt dat het decreet van 25 juni 1992 nog niet van toepassing was voor de aanslagjaren 1989 en 1990; Overwegende dat geïntimeerde opwerpt dat, indien de stelling van appellante steekhoudend zou zijn, het decreet niet nodig zou zijn geweest; Overwegende dat anderzijds nochtans kan gezegd worden dat het decreet duidelijkheid wilde invoeren omdat de administratie een te enge interpretatie verdedigde; Overwegende dat het arrest van Cassatie d.d. 22.12.1988 (zie supra) niet rechtstreeks relevant is in huidige betwisting; Overwegende dat de vordering van appellante gegrond is; Om die redenen; Het Hof; Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935; Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van de Heer Voorzitter A. van Gelder; Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond; Wijzigt de bestreden beslissing; Verklaart het bezwaar gegrond; Doet de beslissing te niet, wat het niet vrijgestelde gedeelte van de beide aanslagen betreft; Veroordeelt geïntimeerde om een ontheffing te verlenen van de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 1989 en 1990, artikelen 919.402 en 018.695; Verwijst geïntimeerde in de kosten. |
|||||||