Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 25.02.2003
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Début du délai de réclamation,Date d'envoi mentionnée sur l'avertissement extrait de rôle,La charge de la preuve
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 25.02.2003
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 25.02.2003 Tax year : 2005 Document date : 25/02/2003 Document language : FR Modification date : 29/04/2005 16:20:04 Name : A 03/25 Version : 1 Court : appeal
ARRET A 03/25 Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 25.02.2003 Début du délai de réclamation - Date d'envoi mentionnée sur l'avertissement extrait de rôle - La charge de la preuve L'article 272 CIR a déterminé le délai endéans lequel la réclamation doit être déposée sous peine de déchéance ; ce délai commence à courir à partir du jour ouvrable qui suit l'envoi effectif de l'avertissement-extrait de rôle, si cet envoi est régulier. Cette date est, sauf preuve contraire, la date d'envoi mentionnée sur l'avertissement-extrait de rôle. La simple affirmation par le redevable qu'aucun avertissement-extrait de rôle n'a été envoyé ou qu'il n'en a pas eu connaissance, ne peut avoir pour effet que l'administration qui prétend avoir envoyé un avertissement-extrait de rôle à l'adresse correcte et sous la forme requise, devrait également apporter la preuve que cet envoi a effectivement été réalisé.(Cass 15.06.2001). HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN Nummer van de zaak: 1998/FR/433 ZESDE KAMER Openbare terechtzitting van VIJFENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZENDENDRIE. Aanwezig: R.T., Voorzitter; F.P. en D.W., Raadsheren; A.V., Griffier. - - - - - - - IN ZAKE: 1. J.V.D., zaakvoerder, en zijn echtgenote, 2. H.V.H., zonder gekend beroep, beiden wonende te…; e i s e r s in voorzieningen, vertegenwoordigd door Meester H.V. loco Meester F.M., advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 136; TEGEN: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financien; v e r w e e r d e r, vertegenwoordigd door Meester G.V. loco Meester J.B., advocaat te 2850 Boom, Beukenlaan 114; Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest: Gelet op de aanslag in de personenbelasting, gemeente Kontich, aanslagjaar 1991, inkomsten 1990, artikel 2712314, toegezonden aan de belastingplichtigen op 20 maart 1992. Gelet op het bezwaarschrift - verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing toegekomen bij de bevoegde directeur op 30 mei 1994. Gelet op de bestreden beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen I op 6 oktober 1998, op dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingplichtigen, waarbij het bezwaarschrift niet ontvankelijk wordt verklaard wegens verjaring. Gelet op het verzoekschrift tot voorziening tijdig neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 13 november 1998 samen met het origineel van het exploot van betekening van 13 november 1998. Overwegende dat eisers voor aanslagjaar 1991 een aangifte in de personenbelasting hebben ingediend met opgave in hoofde van eerste eiser van vergoedingen als werkend vennoot in de Bvba … en de Bvba …en van een vergoeding als bestuurder bij de NV …; Dat de aanslag is gevestigd overeenkomstig de gegevens van de aangifte; Dat eisers bij bezwaarschrift van 30 mei 1994 verzoeken om ambtshalve ontheffing voorhoudend dat de aangegeven cijfers betreffende de vergoeding uit de NV … berusten op een feitelijke vergissing en er eigenlijk helemaal geen dergelijke vergoeding werd toegekend noch uitbetaald door de NV … noch werd geboekt in de vennootschap; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de termijn om bezwaar in te dienen verstreek op 30 april 1993 en dat het bezwaar van 30 mei 1994 derhalve laattijdig is; Dat de administratie binnen de termijn van artikel 277 §1 W.I.B. in kennis is gesteld van de overbelasting, doch dat er geen sprake is van een materiële vergissing, zodat geen ambtshalve ontheffing kan verleend worden; Dat er geen overschotten zoals bedoeld in artikel 277 §3 W.I.B. werden vastgesteld; Overwegende dat eisers de hervorming nastreven van de bestreden beslissing teneinde het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dienvolgens de betwiste aanslag te horen ontheffen voor zover daarin de bestuurdersbezoldiging van 400.000 BEF is begrepen en verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrecht betaalde belastingen, te verhogen met de moratoriumintresten en verweerder te horen veroordelen tot de kosten van het geding; Dat zij daartoe aanvoeren dat de administratie niet aantoont dat zij kennis kregen van de aanslag, zodat de termijn van zes maanden open blijft en het bezwaarschrift niet als laattijdig kan beschouwd worden; Dat nog volgens eisers de vermeende bezoldiging nooit werd uitbetaald of ingeschreven op enige rekening in de boeken van de NV … en dat er wel degelijk sprake is van een materiële vergissing; Dat volgens eisers de voorwaarden van artikel 376 W.I.B. wel degelijk vervuld zijn zowel op het formele als op het inhoudelijke vlak, zodat een ambtshalve ontheffing zich opdringt; Overwegende dat verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de voorziening en de bevestiging van de bestreden beslissing en daartoe de redengeving van de door de gewestelijke directeur gedelegeerde ambtenaar herneemt en verdedigt; Dat verweerder bovendien stelt dat de door eisers ingeroepen grief in verband met de tijdigheid van het bezwaarschrift een nieuwe grief is die niet aan de directeur werd voorgelegd en derhalve niet ontvankelijk is; Nieuwe grieven: Overwegende dat verweerder stelt dat eisers slechts thans voor het Hof de procedure van artikel 272 W.I.B.'64 / artikel 371 W.I.B.'92 aanvoeren, zodat een 'nieuwe grief' wordt ontwikkeld die op grond van artikel 278 W.I.B.'64 / artikel 377 W.I.B.'92 onontvankelijk dient verklaard te worden daar deze niet werd voorgelegd aan de gewestelijke directeur; Overwegende dat de door de gewestelijk directeur gedelegeerde ambtenaar in de bestreden beslissing zelf eerst de tijdigheid van het 'bezwaarschrift' heeft onderzocht en er uitspraak over heeft gedaan en nadien de toepasselijkheid van artikel 277 W.I.B.'64 / artikel 376 W.I.B.'92 heeft onderzocht; Dat de toepasselijkheid van voormeld artikel dus een element is van bestreden beslissing en de thans door eisers ingeroepen argumenten desbetreffend dan ook niet als 'nieuwe grief' kunnen beschouwd worden; De tijdigheid van het bezwaar: Overwegende dat krachtens artikel 272 W.I.B.'64 / artikel 371 W.I.B.'92 de bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar na dat waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet of vanaf datum van de kennisgeving van de aanslag; Dat deze termijn een vervaltermijn is, die behoudens overmacht niet kan verlengd worden; Overwegende dat de bij artikel 272 W.I.B.'64 / artikel 371 W.I.B.'92 bepaalde termijn waarbinnen het bezwaarschrift op straffe van verval moet worden ingediend, begint te lopen vanaf de dag na de werkelijke verzending van het aanslagbiljet, als die verzending regelmatig is; Dat die datum, behoudens bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum is; Dat de loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet verzonden is of dat hij er geen kennis van heeft gekregen, niet tot gevolg heeft dat de administratieve die voorhoudt dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief is gebeurd (Cass., 15 juni 2001,nr. F.00.0023.N); Overwegende dat te dezen uit het administratief dossier blijkt dat het aanslagbiljet op het juiste adres van eisers is verzonden; Dat aangenomen wordt dat het aanslagbiljet ook effectief naar dit adres is verzonden op de vermelde datum; Dat de datum van het aanslagbiljet 20 maart 1992 is, zodat de termijn om bezwaar in te dienen verstreek op 30 april 1993; Dat het verzoekschrift toegekomen op 30 mei 1994 als bezwaarschrift dan ook laattijdig is; De toepassing van artikel 277 W.I.B.'64 / artikel 376 W.I.B.'92: Overwegende dat krachtens artikel 277 §1 W.I.B.'64 / artikel 376 W.I.B.'92 de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar ambtshalve ontheffing verleent van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door wettige redenen en op voorwaarde dat: 1° die overbelastingen door de administratie werden vastgelegd of door de belastingschuldige aan de administratie werden bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd; 2° de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond; Overwegende dat eisers voorhouden dat te dezen de bepalingen van artikel 277 §1 W.I.B. (64 / artikel 376 §1 W.I.B.'92 van toepassing zijn vermits er sprake is van een overbelasting die voortvloeit uit een materiële vergissing of uit een dubbele belasting, vermits de vermeende bezoldiging van 400.000 BEF door de NV … nooit werd uitbetaald of ingeschreven op enige rekening in de boeken van de vennootschap; Dat verweerder daarentegen stelt dat er geen sprake is van een materiële vergissing noch van een dubbele belasting; Overwegende dat een materiële vergissing een feitelijke dwaling is met betrekking tot het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de aanslag geen wettelijke grondslag heeft; Dat zij betrekking heeft op rekenfouten, schrijffouten of andere grove vergissingen, onafhankelijk van de juridische beoordeling hetzij van de belastbaarheid hetzij van de vaststelling van de belastbare grondslagen; Overwegende dat namens N.V. … voor het inkomstenjaar 1990 een opgave 325.20 en een fiche 281.20 werd ingediend voor een bedrag van 400.000 BEF te belasten in hoofde van eerste eiser, bestuurder van deze vennootschap, waarbij de kwestieuze opgave en de fiche werden opgesteld door eerste eiser zelf; Dat in het kader van een fiscale controle van de vennootschap door eerste eiser op 26 april 1994 een akkoordverklaring werd ondertekend waarin onder meer is opgenomen: "In hoofde van bestuurder V.D.: zoals opgave 325.21" (in feite wordt bedoeld opgave 325.20); Dat eerste eiser dus binnen een bepaalde tijdsspanne meermaals oordeelkundige en bewuste handelingen heeft gesteld als bestuurder van de NV …; Dat dergelijke vergissingen niet als materiële vergissingen kunnen beschouwd worden; Overwegende dat er sprake is van dubbele belasting bij het tweemaal belasten van eenzelfde inkomen voor hetzelfde of voor verschillende aanslagjaren in hoofde van eenzelfde of van verschillende belastingplichtigen, wanneer één van de aanslagen de andere wettelijke uitsluit; Dat de aanslag die werd gevestigd in de personenbelasting op grond van een bestuurdersbezoldiging zoals die blijkt uit een opgave 325.20 en een fiche 281.20, geen aanslag is die de andere aanslag in de vennootschapsbelasting wettelijk uitsluit; Dat er dan ook geen sprake is van dubbele belasting; Overwegende dat de bestreden beslissing op juiste en oordeelkundige gronden is gesteund en dient bevestigd te worden; Dat de voorziening derhalve ongegrond is en eisers dienen veroordeeld te worden tot de kosten, zoals hierna overeenkomstig artikel 392 W.I.B.'92 begroot; OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer D.W. Verklaart de voorziening ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de bestreden beslissing. Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van verweerder op nihil. |
|||||||