Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 27.03.2001

Datum :
27-03-2001
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Absence de but lucratif,Travaux de transformation (Vl)

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 27.03.2001
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 27.03.2001
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 27.03.2001
Tax year : 2005
Document date : 27/03/2001
Document language : FR
Name : A 01/6
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 01/6


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 27.03.2001



FJF 2001/168

Absence de but lucratif - Travaux de transformation (Vl)

    Pour l'application de l'exonération du précompte immobilier (en application de l'article 253, 1º, du CIR 1992), l'affectation du bien immobilier est déterminante. Ceci implique qu'il est nécessaire mais suffisant que le bien immobilier soit indispensable à la réalisation du but spécifique (qui peut donner lieu à l'exonération). L'affectation et l'utilisation effective du bien au regard de cette destination sont, pour l'application de l'article 253, 1º, du CIR 1992, des notions distinctes. La condition d'affectation est donc satisfaite pendant la période de travaux de transformation nécessaires, même si le bien ne peut être utilisé effectivement comme le prévoit son affectation que postérieurement.



Voorzitter : M. de Vel
Raadsheere : M. Winants
Plaatsvervangend raadsheer : M. de Boel
Advocaten : Mr. Vanden Broeck, Mr. Persoons loco Mr. van Huffelen

V.Z.W. A.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest :
Gelet op de aanslagen in de onroerende voorheffing :

- aanslagjaar 1994 - artikel 148 665 662 - d.d. 28.11.1994;
- aanslagjaar 1996 - artikel 167 749 050 - d.d. 18.10.1996;

Gelet op de bezwaarschriften tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur op 2.5.1995 en 6.12.1996;
Gelet op de bestreden beslissing genomen door de gedelegeerde ambtenaar van de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Antwerpen op 9.9.1998 op dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingplichtige waardoor de bezwaren werden afgewezen;
Gelet op het verzoekschrift tot voorziening tijdig ingediend ter griffie van dit Hof op 12.10.1998 samen met het exploot van betekening d.d. 12.10.1998;

Overwegende dat de conclusies van verweerder melding maken van de VZW C. als appellante doch dit als een materiële vergissing dient beschouwt te worden nu uit de inhoud der conclusies blijkt dat wel degelijk de fiscale betwisting aangaande de VZW A. in België voor hoger vernoemde aanslagen aan de orde is;

Overwegende dat eiseres sedert 1 juli 1992 eigenares is van een pand bestaande uit een appartementsgebouw, magazijnen en stapelhuizen en zij de bedoeling had in dit goed godsdienstonderwijs en jeugdopvoeding te verstrekken zulks in overeenstemming met het volgens de statuten nagestreefde doel der vereniging (inrichten van diensten en werken ter bevordering van de joodse godsdienst en het onderwijs);
Dat op 4 februari 1993 een bouwvergunning werd afgeleverd strekkende tot verbouwing der stapelhuizen tot een socio-cultureel dagverblijf en deze verbouwingswerken een einde namen in november 1997 en het onroerend goed in gebruik werd genomen;

Overwegende dat eiseres bezwaar indiende tegen de aanslagen in de onroerende voorheffing en zij vrijstelling der onroerende voorheffing vroeg gezien de doeleinden van onderwijs en jeugdopvoeding.

Overwegende dat de administratie oordeelde :

- dat er op 1.1.1994 en 1.1.1996 niet was voldaan aan de bestemmingsvoorwaarde voorzien in de artikelen 12 en 253, § 1 Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
- geen kwijtschelding of proportionele vermindering kan worden toegestaan nu overeenkomstig artikel 60 van het decreet van de Vlaamse Raad d.d. 22.12.1993 dergelijke vermindering vanaf aanslagjaar 1993 niet van toepassing is indien het onroerend goed langer dan 12 maanden rekening houdend met het vorig aanslagjaar, niet in gebruik is genomen hetgeen in casu het geval zou zijn nu de panden in de periode van 4.2.1993 tot 3.11.1997 niet in gebruik waren genomen;
- dat de eigenaar die vrijwillig zijn eigendom verbouwt, geen aanspraak kan maken op het voordeel van de artikelen 15, par. 1, 3º en 257, par. 4 Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;

Overwegende dat eiseres haar niet ingewilligd bezwaar handhaaft en in de voorziening aanvoert dat artikel 12, § 1 Wetboek van de Inkomstenbelastingen gewag maakt van de bestemming van het goed als voorwaarde en niet van het daadwerkelijk gebruik van het pand;
Dat ondergeschikt wordt gesteld dat er minstens een proportionele vermindering der onroerende voorheffing moet toegekend worden;
Dat uiterst ondergeschikt eiseres het Hof verzoekt een prejudiciële vraag te stellen omtrent de toepassing van artikel 60 van het Decreet van de Vlaamse Raad van 22.12.1993;

1. Toepassing van artikel 253, 1º Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992

Overwegende dat gezegd artikel met betrekking tot het kadastraal inkomen dat van onroerende voorheffing is vrijgesteld, verwijst naar artikel 12 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 dat in § 1 onder meer stelt dat vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het uitoefenen van een openbare eredienst of voor onderwijs of andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;

Overwegende dat de bestemming van het onroerend goed derhalve bepalend is voor de eventuele vrijstelling;
Dat zulks inhoudt dat het noodzakelijk doch voldoende is dat het onroerend goed onontbeerlijk is ter verwezenlijking van het specifieke doel waarvan in casu niet wordt betwist dat het aanleiding kan geven tot vrijstelling;

Overwegende dat aan de orde is de vraag of een onroerend goed dat ter realisatie van het beoogde doel verbouwingswerken moet ondergaan tijdens die periode van verbouwing voldoet aan de voorwaarde van bestemming en dus dient vrijgesteld te worden van de onroerende voorheffing;

Overwegende dat bestemming en effectieve aanwending van dit goed overeenkomstig die bestemming in het licht van artikel 253, 1º Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1991 onderscheiden begrippen zijn;
Dat niet wordt betwist dat het aangekochte pand ab initio bestemd was voor de inrichting van een socio-cultureel dagverblijf, hiervoor verbouwingswerken noodzakelijk waren en het kwestieuze goed tijdens de periode van verbouwing niet voor een ander doel werd gebruikt of andere inkomsten heeft opgebracht;
Dat de voorwaarde van bestemming dan ook vervuld is tijdens de periode van de noodzakelijke verbouwingswerken zelf zo de daadwerkelijke uitvoering van deze bestemming zijnde de in gebruikname slechts later kan geschieden;
Dat dit standpunt overigens door de administratie zelf in haar commentaar wordt verdedigd nu zij opmerkt dat het gebruik van de woorden «heeft besteed» aantonen dat niet de werkelijke inrichting als voorwaarde tot de vrijstelling is vereist doch de bestemming van het gebouw tot inrichting overeenkomstig het doel waarna zij ter illustratie een concreet voorbeeld vergelijkbaar met huidige situatie aanhaalt;
Dat de commentaren van de administratie geen uitzondering op de wet kunnen uitmaken zoals verweerder stelt doch deze commentaar gewoonweg in overeenstemming met de wet de voorwaarde van bestemming in een concreet geval dat overeenstemt met onderhavige casus toelicht;
Dat derhalve de bestemmingsvoorwaarde wel is vervuld en eiseres recht heeft op vrijstelling der onroerende voorheffing;
Dat de voorziening dan ook gegrond is;

Om deze redenen,
Het Hof,
Recht doende op tegenspraak :
Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935;
Gehoord in openbare zitting het verslag van raadsheer A. Winants;
Verklaart de voorziening ontvankelijk en gegrond;
Hervormt de bestreden beslissing en opnieuw recht doende, doet de bestreden aanslagen teniet en beveelt de teruggave van de onterecht geïnde bedragen meer de moratoriumintresten op de belastingen;
Verwijst de verweerder in de kosten.