Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.03.1993

Datum :
29-03-1993
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
18 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Pièces nouvelles

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.03.1993
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.03.1993
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.03.1993
Tax year : 2005
Document date : 29/03/1993
Document language : FR
Name : A 93/16
Version : 1
Court : appeal

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.03.1993

Pièces nouvelles - Intention frauduleuse - Erreur d'interprétation

La requête en intervention volontaire d'un tiers, qui peut se prévaloir d'un intérêt légal, direct et personnel, est admissible. C'est le cas lorsque le requérant n'est pas redevable des cotisations contestées, mais qu'il a un intérêt à ce que ces cotisations soient modifiées ou annulées.

Un tiers intervenant volontaire peut introduire des pièces nouvelles mais dans le même délai que l'appelant, car il ne serait pas légitime que le tiers intervenant introduise des pièces à l'appui de la position de l'appelant, que ce dernier n'aurait pas introduites lui-même dans les délais.

L'article 259, al. 2 CIR n'est applicable que si le contribuable a agi avec une intention frauduleuse ou le dessein de nuire. A cet effet, le fisc doit démontrer que l'infraction à la loi fiscale commise par le contribuable l'a été avec une intention frauduleuse,c'est-à-dire qu'il a commis cette infraction avec l'intention de procurer à lui-même ou à un tiers un profit injustifié au détriment du Trésor.

Les notions d' "intention frauduleuse" et de "dessein de nuire" doivent être interprétées de manière stricte, de telle sorte que les infractions dont l'origine est seulement un retard normal, une erreur matérielle, une inexactitude commise de bonne foi ou une erreur d'interprétation, etc. ne doivent pas être prises en considération. On ne peut pas dire qu'un conseiller fiscal a agi avec une intention frauduleuse, lorsqu'il apparaît qu'il s'est trompé en opérant une double compensation interdite de pertes (art. 24, § 2, 5° convention belgo -néerlandaise préventive de double imposition).

29-03-1993

Antwerpen

6e Kamer

Voorzitter: de heer van Gelder

Raadsheren: de heer Thys, de heer Van hoogenbemt

O.M.: de heer van Ingelgem

Advocaten: mr. Daelemans, mr. van Lidth de Jeude, mr. deBroe

Partijen: (1) R., N.V., tegen de Belgische Staat; (2) E.,C.V., handelend in de hoedanigheid van rechtsopvolgster van D.,N.V., tegen R., N.V. en de Belgische Staat

Gelet op de aanslagen in de vennootschapsbelastingen, gemeenteDeurne:

a) aanslagjaar 1979, artikel 1868953, toegezondenaan debelastingschuldige op 11 december 1981, een belastingvorderend van 357.867 F, op grond van een belast inkomen van1.087.367 F; b) aanslagjaar 1979, artikel 277251, supplementaan artikel 1868953, toegezonden aan de belastingschuldige op17 december 1982, een belasting vorderend van1.257.755 F, op grond van een belast inkomen van2.677.500 F; c) aanslagjaar 1980, artikel 277261, toegezondenaan debelastingschuldige op 17 december 1982, een belastingvorderend van 1.735.662 F, op grond van een belast inkomen van2.451.500 F; d) aanslagjaar 1981, artikel 2833670, toegezondenaan de belastingschuldige op 16 juli 1982, een belastingvorderend van 307.679 F, op grond van een belast inkomen van1.933.124 F; e) aanslagjaar 1981, artikel 277271, supplement opartikel 2833670, toegezonden aan de belastingschuldige op7 december 1982, een belasting vorderend van 2.337.384 F,op grond van een belast inkomen van 4.697.100 F;

Gelet op de bezwaarschriften, toegekomen bij de bevoegdedirecteur, respectievelijk op 16 augustus 1985 (a),29 december 1982 (b, c, en e) en 3 september 1982(d);

Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen ondernummer 129147 door de directeur van de directe belastingen vande gewestelijke directie Antwerpen I op 19 februari 1987,dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige,waardoor volgende ontheffingen werden verleend:

 

artikel 277261 (c):

465.169 F

artikel 277271 (e):

1.027.326 F

 

1.492.495 F

en waardoor de bezwaarschriften voor het overige werdenafgewezen;

Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediendter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen, op 27 maart1987, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d.27 maart 1987;

Overwegende dat niet wordt betwist dat de bezwaarschriftenbetreffende de onder b, c, d en e vermelde aanslagen, tijdig werdeningediend;

Overwegende dat het bezwaarschrift d.d. 16 augustus 1985(brief 12 augustus 1985, stuk 126) als dusdanig door debeslissing te laat werd beschouwd omdat het was ingediend na hetverstrijken van de in artikel 272 W.I.B. bepaaldetermijn;

Overwegende dat de brief vermeldde dat het ging om eenaanvulling van de oorspronkelijke bezwaarschriften; dat, watartikel 1868953 (a) betrof, overeenkomstig artikel 277W.I.B. werd gevraagd: ontheffing van de overbelasting ten belopevan de verrekenbare roerende voorheffing, 53.864 F;

Overwegende dat appellante, binnen de in artikel 279,lid 2, W.I.B. bepaalde termijn (artikel 282 W.I.B.) eennieuwe grief aanvoerde, te weten de schending van artikel 277W.I.B.; dat gevraagd werd:

- ontheffing van de verrekenbare roerende voorheffingten bedrage van 53.864 F (artikel 1868953)(a); - de betwiste aanslag 1979, gebaseerd opartikel 259, 2, W.I.B., nietig te verklaren; - de belastingverhogingen van 50 % tot 10 % teverminderen, gelet op de afwezigheid van enig bijzonderopzet;

Overwegende dat voor zoveel als nodig wordt opgemerkt datappellante in de bezwaarschriften die alleszins tijdig waren (b, c,d en e), verwees naar haar brief van 22 november 1982(stuk 44) daarenboven in bijlage gevoegd aan hetbezwaarschrift d.d. 29 december 1982 (stuk 95);

* * *

Overwegende dat de uitvoerige beslissing als volgt kan wordenweergegeven: de vennootschap voert aan:

Artikel 2833670 (d): in de aangifte aj.. (sic)werd een buitenlandse belasting ten bedrage van 3.703.974 Ften onrechte in de verworpen uitgaven opgenomen, zodat debelastbare grondslag met dat bedrag moet worden verminderd;Artikel 277251 (c): overeenkomstig artikel 277 W.I.B.wordt om terugbetaling gevraagd van de roerende voorheffing tenbedrage van 262.808 F;

Artikelen 277251 (b) aj. 1979, 277261 (c) aj. 1980,277271 (e) aj. 1981:

- de aanslagen b) en c) werden gevestigd op grond vankennisgevingen van aanslag van ambtswege; - aanslag e) werd gevestigd op grond van een berichtvan wijziging van aangifte; - de integraliteit van de aanslagen wordt betwistevenals de belastingverhogingen; - in de brief van 22 november 1982 (stuk 95)betoogt appellante: volgens artikel 24, § 2, 5° van hetD.B.V. met Nederland mag een in een Nederlandse vaste inrichtinggeleden verlies geen twee maal in rekening worden gebracht,eensdeels van de Belgische winst en anderdeels van de toekomstigeNederlandse winst; in dergelijk geval kan deze Nederlandse winst -ten belope van het Nederlands verlies dat voorheen van de Belgischewinst werd afgetrokken niet worden vrijgesteld en wordt ze alsdusdanig belastbaar in België; uit de toegevoegde tabel blijkt datin de aangifte met balans per 30 september 1978, slechts eenNederlands verlies van 696.741 F in mindering van de Belgischewinst werd gebracht; artikel 259, lid 2, W.I.B. werd tenonrechte ingeroepen voor het aj. 1979, daar er geen sprake kan zijnvan bedrieglijk opzet of van enig oogmerk om te schaden; hooguitzou er een verkeerde interpretatie van de ter zake gegevenrichtlijnen kunnen worden aangewezen en trouwens werd hierover ingemeen overleg tijdens de controle aj. 1979 een akkoord gesloten;de voor het aj. gezonden kennisgeving van aanslag van ambtswegewerd ten onrechte gestuurd, daar uitstel was verleend voor hetindienen van de fiscale aangifte; - op 12 augustus 1985 (brief toegekomen op16 augustus 1985, stuk 126) wordt er een aanvullendbezwaarschrift ingediend door een andere volmachtdrager die devorige opvolgt, waarin wordt gezegd:"- dat de (Nederlandse)naheffingen inzake loonbelasting en sociale premies in dejaarrekening per 30 september 1982 werden opgenomen onder derekening "Andere uitzonderlijke kosten"; dat hiervan10.000.000 F werd ten laste gelegd in de Nederlandsebelastingaangifte betreffende het boekjaar 1980/1981 wat hetresultaat van het boekjaar 1981/1982 in de Nederlandse aangifteevenwel met eenzelfde bedrag deed toenemen dat derhalve met dezeverliesverschuiving nog rekening moet worden gehouden; dat volgenshet nadien door de Nederlandse Belastingadministratie toegezondenattest blijkt dat in Nederland - vanaf de oprichting van devennootschap tot en met 1981 - per saldo geen belasting werdgeheven (zie ook formulier Vpb 32); - dat bij de regularisatie van de fiscale toestand overhet aanslagjaar 1979 (artikel 1868953) ten onrechte deverliezen van het aanslagjaar 1978 werden verworpen; - dat de vennootschap voor dat aanslagjaar 1979derhalve om ontheffing van de verrekenbare roerende voorheffing tenbelope van 53.864 F verzoekt en dit op grond vanartikel 277 W.I.B.; - dat de vennootschap ermede instemt het resultaat overhet aanslagjaar 1980 te bepalen op een grondslag van2.451.460 F in overeenstemming met de tekst van het berichtnr. 279 E 1 van21 oktober 1982;" - betreffende het aj. 1979 (a en b) (boekjaar1 oktober 1978 - 30 september 1979) een eerste aanslag(niet betwist) werd van ambtswege gevestigd op grond van delaattijdige aangifte (art. 0867424):
- reserves:

2.677.497 F

- bij verdrag vrijgestelde winst:

− 1.590.130 F

- aftrekbaar bedrijfsverlies:

− 856. 789 F

- nettoresultaat:

230.578 F

nadien werd die grondslag verhoogd, op grond van een akkoord d.d.6 november 1981, tot 1.087.367 F, daar het aftrekbaarverlies (856.789 F) niet in aanmerking werd genomen(art. 1.868.953, a); hoewel tegen die aanslag nietuitdrukkelijk werd gereclameerd vroeg S. (van Coopers &Lybrand, volmachtdrager) ontheffing op grond van artikel 277W.I.B. van de met deze aanslag verrekende roerende voorheffing(53.864 F), daar de verliezen van het aj. 1978 ten onrechtezouden zijn verworpen (brief 12 augustus 1985, stuk 126);de taxatieambtenaar zond op 21 oktober 1982 een tweedekennisgeving van aanslag van ambtswege - in toepassing vanartikel 259, lid 2, W.I.B. waarin de aftrek van1.590.130 F (zie supra) werd geweigerd, zodat de grondslag2.677.497 F werd (stuk 43); appellante verklaarde zichhiermede niet akkoord (brief 22 november 1982, stuk 44)doch de aanslag werd gevestigd zoals aangekondigd(art. 277251, b) en een belastingverhoging van 50 % werdtoegepast; in het laattijdig ingediende aangifteformulier werd invak II, rubriek 6a een wegens dubbel belastingsverdragenvrijgestelde aftrek van 1.590.130 F ingevuld (stuk 28)door het accountantskantoor D., aangifte die werd ondertekend doorde heer D.; er mocht van worden uitgegaan dat een door eengerenommeerd accountantskantoor overgelegde aangifte beslist alsoprecht en met kennis van zaken moest zijn ingevuld; op28 maart 1980, rond de periode van de aangifte (n.b.: die werdingediend op 15 april 1980), hadden de Nederlandsebelastingsautoriteiten aan de vennootschap een "Aangiftebiljetvoor buitenlandse belastingplichtigen - vennootschapsbelasting -kalenderjaar 1979" uitgereikt; op 30 juni 1980 werd datformulier door de heer D. ingevuld en ondertekend en hij gaf voorhet boekjaar 1979-80 een in Nederland behaalde winst van1.590.130 F aan, precies het bedrag dat hij in de Belgischeaangifte in aftrek had vermeld; in die aangifte verrekende hijevenwel die winst met een in Nederland in 1976-77 en 1977-78geleden verlies van respectievelijk 2.140.750 F en3.211.733 F zodat er uiteindelijk voor het "kalenderjaar1979" geen binnenlands (d.i. in Nederland) belastbaar bedragwerd aangegeven; de heer D. moest, bij het invullen van de aangiftein de Belgische vennootschapsbelasting (aj. 1979) op de hoogtegeweest zijn van de in Nederland nog recupereerbare verliezen vandie boekjaren 1976-77 en 1977-78; de heer D. noch zijnaccountantskantoor brachten de Belgische fiscus daarvan op dehoogte, ook niet nadat de Nederlandse fiscus de verrekening van deverliezen aanvaardde, noch bij de ondertekening van het akkoordd.d. 6 november 1981 (zie supra); de heer D. en of zijnaccountantskantoor wisten dat, wanneer voor eenzelfde jaar 1979, inNederland de winst van 1.590.130 F wordt gecompenseerd met eenvorig verlies en datzelfde bedrag in de Belgische aangifte als bijverdrag vrijgestelde winst wordt aangegeven, appellante bewust eendubbele verliescompensatie had gecreëerd, terwijl dergelijke aftrekin België niet kon worden toegestaan; van een fiscaal raadgever vanzulk formaat kan geenszins een z.g. "verkeerdeinterpretatie" worden aanvaard en de bewerking dat een akkoordwerd bereikt over de terzake gegeven richtlijnen, uit de lucht isgegrepen "en zo al niet dubieus dan toch als hoogst verwarrendmoet worden afgewezen"; de aangifte werd bewust foutiefingevuld en valt onder de toepassing van artikel 259,lid 2, W.I.B.; België mag belasting heffen op de in Nederlandgerealiseerde winst van 1.590.130 F (zie beslissingp. 7-8); de belastingverhoging met 50 % is gewettigdovereenkomstig artikel 334 W.I.B. en artikel 258ter K.B.tot uitv. W.I.B. (p. 8-9); het verzoek om ontheffing van53.864 F (verrekenbaar roerende voorheffing) werd gedaan nahet verstrijken in de artikel 277 W.I.B.bepaalde termijn enkan dus niet ingewilligd worden;

 

- betreffende het aj. 1980 (c) artikel 277261

voor dit aanslagjaar werd aangegeven:

- reserves:

2.397.602 F

- verworpen uitgaven:

53.864 F

 

2.451.466 F

- krachtens dubbelbelastingverdragen vrijgestelde winst:

− 2.779.233 F

- belastbaar totaal:

nihil

 

wegens laattijdig antwoord op een vraag om inlichtingenwerd er op 21 oktober 1982 een kennisgeving van aanslag vanambtswege verstuurd, waarin de aftrek van de bij verdragvrijgestelde winst - om reden van een dubbele verliescompensatie -werd geweigerd en de belastbare grondslag werd bepaald op2.451.466 F; de aanslag werd dienovereenkomstig ingekohierdmet een belastingverhoging van 50 %; de betwiste inkohiering werdten onrechte berekend tegen een verminderd tarief van 40 %, waarhet 48 % moest zijn, daar bleek dat meer dan de helft van dedeelgerechtigheid van de N.V. in handen was van B., G.m.b.H.(art. 126 3e lid W.I.B.); anderzijds werd bij de taxatiegeen rekening gehouden met de door de vennootschap in haar aangiftevermelde verrekenbare voorheffing van 262.808 F; in de (reedsvermelde) brief van 12 augustus 1985 (stuk 128) ging deheer S. akkoord dat de fiscale toestand van de vennootschap voorhet aj. 1980 zou geregulariseerd worden op de grondslag van2.451.466 F, waardoor hij impliciet erkende dat, evenals inhet vorig jaar, een dubbele verliescompensatie in de aangifte totuitdrukking werd gebracht; de akkoordverklaring werd aanvaard; debelastingverhoging blijft gehandhaafd; het akkoord van de nieuwemandataris doet geen afbreuk aan het feit dat de aangifte door eengerenommeerd accountant bewust foutief was ingevuld (zie vorigaanslagjaar); de vraag om verrekening van de roerende voorheffingkan worden toegestaan (vandaar de ontheffing);

 

- betreffende het aj. 1981 (d en e)

de aangifte werd tijdig en regelmatig ingediend, metvolgende gegevens:

- reserves:

847.132 F

- verworpen uitgaven F

niet aftrekbare belastingen:

4.296.002 F

niet verantwoorde lasten:

36.900 F

 

4.332.902 F

 

5.180.034 F

- bij verdrag vrijgestelde winsten:

− 2.764.018 F

 

2.416.016 F

- aanvullende investeringen:

− 482.892 F

- belastbaar resultaat:

1.933.124 F

 

dit gaf aanleiding tot de thans betwiste aanslagartikel 2833670 (d); bij bericht van wijziging van aangifted.d. 27 oktober 1982 werd de in aftrek gebrachte bij verdragvrijgestelde winst van 2.764.018 F niet aanvaard, dit wegensdubbele verliescompensatie; de vennootschap ging niet akkoord(brief 22 november 1982, stuk 44); de taxatieambtenaarhandhaafde zijn stelling en het belastbaar resultaat werd op4.697.142 F gebracht (5.180.034 - 482.892) en ingekohierd(art. 277271, e) (+ 50 % belastingverhoging);ú het in deaangifte vermelde bedrag van niet aftrekbare belastingen(4.296.002 F) werd als volgt gedetailleerd:

l

 

- belastingen van het boekjaar:

voorafbetaling:

300.000 F

R.V.:

265.292 F

 

565.292 F

- belastingen van voorgaande boekjaren:

aj. 1979 artikel 0867424:

26.736 F

vennootschapsbelasting Noorwegen:

3.703.974 F

 

3.730.710 F

 

4.296.002 F

 

de betwisting was beperkt tot de Noorsevennootschapsbelasting van 3.703.974 F, die ontstaan was dooreen aangifte die appellante in Noorwegen had ingediend in verbandmet aldaar uitgevoerde werkzaamheden 1 oktober 1974 -30 september 1979; de Noorse aanslag bedroeg (omgerekend)3.703.974 F; appellante was slechts een bijkantoor van deDuitse G.m.b.H. R. en de Noorse belasting kon dan ook niet tenlaste gelegd worden van appellante betreffende een bepaaldeperiode; het accountantskantoor D. stemde hiermede in (brief2 augustus 1983 (stuk 110)) en herberekende hetaftrekbaar gedeelte van de Noorse belasting op 1.121.875 F;(3.703.974 F - 1.121.875 F =) 2.582.099 F blijftverworpen; in de door het accountantskantoor D. ingediende aangiftewerd een bedrag van 2.764.018 F "bij verdrag vrijgesteldewinsten" afgetrokken; er werd geen aangifte in de Nederlandsevennootschapsbelasting (kalenderjaar 1981) bijgevoegd, wel eenverklaring d.d. 30 maart 1982 waaruit bleek dat in Nederlandeen winst van 4.875.655 F was gerealiseerd, die werdgecompenseerd met een verlies van 2.111.637 F geleden inSaoedi-Arabië (saldo: 2.764.018 F); uit latere gegevens (brief20 april 1983) bleek dat in Nederland, de aanvankelijkgerealiseerde winst (4.875.655 F) werd omgebogen tot eenverlies van 5.124.345 F (zie p. 14 beslissing); in debrief van 12 augustus 1985 (stuk 126) wordt door de heerS. uiteengezet hoe dit mogelijk was (carry-back systeem); hijvraagt in zijn aanvullende grieven met deze verliesverschuiving van1982 naar 1981 rekening te willen houden; de aanvankelijk in aftrekgebrachte bij verdrag vrijgestelde winst van 2.764.018 F werddoor de recuperatie van het Nederlands verlies van 1982 opgeslorptzodat het het karakter van dubbele verliescompensatie verwierf (ziep. 15-17 van de beslissing); die aftrek kan niet wordentoegestaan; de fiscale toestand van de vennootschap voor het aj.1981 moet worden geregulariseerd (zie berekening op p. 17 vande beslissing) als volgt:

 

- belastbaar resultaat:

3.575.267 F

- grondslag bijzondere aanslag:

36.900 F

 

(vandaar de ontheffing); het verzoek tot kwijtscheldingvan de belastingverhoging wordt afgewezen;

Overwegende dat appellante in haar verzoekschrift totvoorziening vraagt de aanslag aj. 1979 nietig te verklaren daar dieten onrechte werd gevestigd op grond van artikel 259, 2°W.I.B. en de belastingverhogingen te verminderen van 50 naar 10 %,wat dus impliceert dat voor het overige de aanslagen c), d) en e)niet meer betwist worden (zie echter infra);

Overwegende dat reeds vermeld werd dat appellante een nieuwegrief inriep, met verzoek de verrekenbare roerende voorheffing tenbedrage van 53.864 F te ontheffen (art. 1868953,a);

Overwegende dat de burgerlijke vennootschap "E."coöperatieve vennootschap, handelend als rechtsopvolgster van deN.V. Accountantskantoor D., vrijwillig tussenkwam bijverzoekschrift d.d. 14 maart 1991;

Overwegende dat in dat verzoekschrift werd steeds meldinggemaakt van de N.V. "R. (...)", wat blijkbaar eenmateriële vergissing is, nu de verzoekster in vrijwilligetussenkomst duidelijk bedoeld heeft: "R. (...)", wat danook in haar conclusies als dusdanig werd vermeld;

Overwegende dat de Belgische Staat de onontvankelijkheid vande vrijwillige tussenkomst opwerpt;

Toelaatbaarheid van het verzoek tot tussenkomst

Overwegende dat in de bestreden beslissing, zware verwijtenworden gemaakt ten aanzien van de N.V. Accountantskantoor D.,destijds accountant en gevolmachtigde van appellante; dat de C.V.E. de rechtsopvolger is van de N.V. Accountantskantoor D.;

Overwegende dat de belastingverhogingen van 50 % in debeslissing werden bevestigd op grond van de nalatigheden die deN.V. Accountantskantoor D. zouden begaan hebben;

Overwegende dat appellante, N.V. R., een burgerlijk gedingheeft aangespannen tegen de N.V. Accountantskantoor D., waarbij eenvergoeding werd gevraagd voor de schade die door de nalatighedenberokkend zou zijn, te weten de belastingverhogingen en het fiscaleeffect van de niet-aftrekbaarheid van de verhogingen;

Overwegende dat de zaak aanhangig is bij de 13e kamer van deRechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (AR 21.750);

Overwegende dat in de bestreden beslissing in verband met deN.V. Accountantskantoor D. werd vermeld als "gerenommeerdaccountantskantoor, waarvan de Administratie mocht verwachten datde door haar overgelegde aangiftes oprecht en met kennis van zakenzouden zijn ingevuld"; dat de handelwijze van hetaccountantskantoor door de Administratie wordt geïnterpreteerd alseen overtreding met bedrieglijk opzet die een belastingverhogingvan 50 % zou rechtvaardigen;

Overwegende dat derhalve duidelijk is dat verzoekster invrijwillige tussenkomst een belang heeft bij die tussenkomst, daarhet arrest van het hof bepalend zou kunnen zijn op het vonnis in dezaak die voor de rechtbank van eerste aanleg aanhangig is;

Overwegende dat het probleem nu is, of een vrijwilligetussenkomst door een derde, zelfs indien het belang vaststaat,ontvankelijk kan zijn in het raam van een voorziening bij het hofvan beroep op grond van artikel 278 W.I.B. (art. 377W.I.B. 1992);

Overwegende dat desbetreffend betwisting bestaat (cf. Gent,24 december 1991, F.J.F., nr. 92/189; Fiskoloog, nr. 358,7 november 1991, 8);

Overwegende dat te dezen, verzoekster in vrijwilligetussenkomst geen veroordelingen vordert, zodat artikel 812,lid 2, Ger. W., indien dat artikel relevant zou zijn in hetraam van de fiscale procedure van het W.I.B. alleszins nietgeschonden wordt;

Overwegende dat ook voor zoveel als nodig moet wordenvastgesteld dat, in tegenstelling met het supra vermelde arrest vanhet hof van Gent, het niet de belastingplichtige is die een derdein tussenkomst heeft gedagvaard; dat integendeel, debelastingplichtige de derde heeft gedagvaard voor de rechtbank vaneerste aanleg;

Overwegende dat de Belgische Staat in conclusie uiteenzet datde vrijwillige tussenkomst onontvankelijk is;

Overwegende dat de regels van het Gerechtelijk Wetboek vantoepassing zijn tenzij de bepalingen van het W.I.B. daarvanafwijken en of ermede onverenigbaar zijn, gelet op artikel 2Ger. W. (Com. I.B., 278/6.2; Krings, E., «De toepassing van hetGerechtelijk Wetboek in fiscale geschillen», in Actuele Problemenvan Fiscaal Recht, XVe Postuniversitaire lessencyclus Willy Delva1988-89, Ed. M. Storme en S. van Crombrugge, Antwerpen, Kluwer,1989, 191-202, randnummer 1);

Overwegende dat procureur-generaal prof. dr. E. Krings(o.c.,randnummer 22, blz. 196) in verband met detussenkomst onder meer schreef:"Tussenkomst is evenmin doorhet Wetboek van Inkomstenbelasting geregeld. Tussenkomst is nietuitgesloten nu de bepalingen die deze instelling regelen alleszinsniet onbestaanbaar zijn met de rechtspleging in zakeinkomstenbelastingen; (...) Sinds de Wet van 16 maart 1976 ishet de directeur niet meer toegelaten een nieuwe of aanvullendeaanslag te vestigen. Dit wijzigt derhalve de verhoudingen vanpartijen en het komt ons voor dat de tussenkomst van een derde nietmeer uitgesloten is."Overwegende dat het Hof van Beroep vanLuik een vrijwillige tussenkomst aanvaardde, op voorwaarde dat detussenkomende partij een wettelijk, rechtstreeks en persoonlijkbelang had (wat te dezen het geval is) (Luik, 27 juni 1990,J.D.F., 1991, 354; Fiskoloog, nr. 381, 30 april 1992,15);

Overwegende dat te dezen, de verzoekster in tussenkomst nieteen belastingplichtige of -schuldige is in verband met de betwisteaanslagen, maar zij, zoals reeds gezegd, er belang bij heeft datdie aanslagen vernietigd of gewijzigd worden (cfr. desbetreffendook: Cardyn, Ch., Depret, H. en Loockx, M., Procédure fiscalecontentieuse, II, Brussel, Bruylant, 1992,randnummers 260-261, i.h.b. 309 in fine en 310, metvoetnoten 410 en 411; Van Orshoven, P., Behoorlijkerechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen,Antwerpen, Kluwer, 1987, randnummer 302, 365-366, metvoetnoten);

Overwegende dat het hof het verzoek in vrijwillige tussenkomsttoelaatbaar verklaart;

Overwegende dat verzoekster in vrijwillige tussenkomst terterechtzitting een dossier indiende;

Overwegende dat nieuwe stukken niet kunnen aanvaard worden, nude termijn, bepaald in artikel 282 W.I.B. (art. 381W.I.B. 1992) verstreken is;

Overwegende dat een verzoeker in vrijwillige tussenkomstnieuwe stukken kan indienen binnen dezelfde termijn die voor eenappellant geldt, daar het niet rechtmatig zou zijn dat eenverzoeker in tussenkomst stukken zou indienen die de stelling vanappellant zouden staven maar die de appellant zelf niet tijdig zouhebben ingediend;

Overwegende dat het in casu niet gaat om nieuwe stukken maarwel over de processtukken, gemeenschappelijke stukken (tussenappellante en de Administratie), wetteksten, doctrine enrechtspraak, die steeds tot sluiting van de debatten mogen wordenovergelegd.

Ten gronde a 
aj. 1979 - artikel 1868953 (a)

Overwegende dat volgens de fiscus, artikel 277, § 1W.I.B. niet kon toegepast worden daar de in dat artikel bepaaldetermijn van drie jaar verstreken was;

Overwegende dat in het tijdige bezwaarschrift ontvangen op29 december 1982 (stuk 94), en dat betrekking had op deaanslagen b, c, en e, werd, "bovendien" gezegd dat bijhet vestigen van artikel 277261 (c), aj. 1980, geen rekeningwerd gehouden met een R.V. van 262.808 F en dat verzocht werdtot terugbetaling overeenkomstig artikel 277 W.I.B.;

Overwegende dat de termijn voor de toepassing vanartikel 277, § 1 W.I.B. verstreek op 31 december1983, en dat op 29 december 1982 de overbelasting ter kennisvan de Administratie kwam, zodat artikel 277, § 1 wélmocht worden toegepast;

Overwegende dat het hof desbetreffend de redengeving beaamt enoverneemt van de inspecteur B., waaruit blijkt dat de verrekendeR.V. 53.864 F moet worden terugbetaald (stuk 134,blz. 3 van verslag van 27 augustus 1985);

aj. 1979 - artikel - 277.251 (b) aj. 1980 -artikel - 277.261 (c) aj. 1981 - artikel - 2.833.670 (d)aj. 1981 - artikel - 277.271 (e)

Overwegende dat appellante desbetreffend vraagt:

b) de aanslag nietig te verklaren wegens schending vanartikel 259, 2. W.I.B. 240, 3, W.I.B. en 256, 2,W.I.B.; c) - primair: de aanslag nietig te verklaren wegensschending van artikel 256, 2, W.I.B., wegens foutievemotivering; - subsidiair: rechtens te zeggen dat appellante nietgehandeld heeft met bedrieglijk opzet/oogmerk te schaden enderhalve de belastingverhoging nietig te verklaren; d) en e) - primair: rechtens te zeggen dat rekening moetgehouden worden met de verliesverschuiving in Nederland en dedaardoor ontstane toestand (verlies in Nederland:5.124.345 F); dienvolgens de aanslag te hervormenovereenkomstig haar conclusie (d.d. 14 maart 1991,blz. 19-21) en een belastbare basis te weerhouden van3.660.715 F (overdraagbaar verlies); - subsidiair: rechtens te zeggen dat er slechts dubbeleverliescompensatie ten aanzien van appellante bestaat ten bedragevan 983.120 F en dat geïntimeerde ten onrechte de volledigeNederlandse winst neemt als basis van de dubbeleverliescompensatie;

de aanslag te hervormen overeenkomstig de gegevens vermeld inde conclusie (d.d. 14 maart 1991, blz. 21-23) en eenbelastbare basis te bepalen op 1.794.369 F;

tevens rechtens te zeggen dat appellante niet gehandeld heeftmet bedrieglijk opzet (oogmerk om te schaden en derhalve debelastingverhoging (art. 277.271) nietig te verklaren;

en voor alle vier (b) c) d) e)): rechtens te zeggen dat deberekening van de eventueel verschuldigde belasting overeenkomstigartikel 128 W.I.B. dient te geschieden en dat devennootschapsbelasting met één vierde moet worden verminderd;

Overwegende dat de verzoekster in tussenkomst vraagt haar toete laten haar zienswijze omtrent de ingediende aangiften uiteen tezetten, zodat het hof het bedrieglijk opzet zou kunnen beoordelenen eventueel de ontheffing bevelen van de toegepastebelastingverhogingen;


aj. 1979 - artikel 277.251

Overwegende dat krachtens artikel 259, lid 1, W.I.B.(Fiscolex '62-'83, Antwerpen, Kluwer, 1984,randnummer 1193) de aanslag rechtsgeldig had kunnen gevestigdworden tot en met 31 december 1981;

Overwegende dat te dezen, de fiscus gebruik maakte vanartikel 259, lid 2, W.I.B., waarin wordt gezegd dat de(hierboven) vermelde termijn met twee jaar kan verlengd worden ingeval van inbreuk op de bepalingen van het W.I.B. of van deuitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet ofmet het oogmerk te schaden;

Overwegende dat geïntimeerde beweert, dat appellante gehandeldheeft met bedrieglijk opzet of oogmerk te schaden;

Overwegende dat luidens Com. I.B. 259/24 er is:

- bedrieglijk opzet: wanneer de overtreding wordtbegaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatigvoordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of vande gemeenschap; - oogmerk te schaden: wanneer de overtreding wordtbegaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat debetrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt;

Overwegende dat deze begrippen rechtstreeks stammen vanuit hetstrafrecht, en derhalve op identieke wijze, dit wil zeggen strikt,dienen te worden geïnterpreteerd;

Overwegende dat alleszins een (aantoonbaar) intentioneelelement vereist is, en de Administratie zelf vermeldt in haarcommentaar (259/24) dat het om een bedrieglijk voornemen moet gaan,zodat overtredingen die hun oorsprong slechts vinden in gewonenalatigheid, materiële vergissingen, te goeder trouw beganeonjuistheden, enz., uiteraard niet in aanmerking komen (zieBrussel, 31 maart 1987, Bull. Bel., nr. 670, 520 enF.J.F., 87/105,);

Overwegende dat de belastingplichtige derhalve bij het begaanvan een fiscale overtreding bewust met bedrieglijk inzicht moetgehandeld hebben, met name de vastgestelde overtreding al dan nietbegaan hebben met het oogmerk zichzelf of een derde, ten nadele vande Schatkist, een ongeoorloofd profijt te bezorgen; dat zulks doorgeïntimeerde moest onderzocht en aangetoond worden;

Overwegende dat belangrijke criteria onder meer zijn, demanifeste ontoereikendheid der gegevens in de aangifte, de langeretijdsspanne waarin de overtredingen worden begaan, debelangrijkheid van de verborgen gehouden bruto-inkomsten, etc.(cfr. aangehaalde rechtspraak in Com. I.B., 259/24);

Overwegende dat appellant manifest ontkent dat enige bewustefrauduleuze intentie plaats heeft gehad;

Overwegende dat het bewijs hiervan trouwens blijkt uit hetfeit dat appellante steeds alle nodige of nuttige informatieomtrent haar inkomsten aan geïntimeerde heeft meegedeeld, hetzijspontaan, hetzij op haar eerste verzoek;

Dat de afwezigheid van frauduleuze intentie in hoofde vanappellante daarenboven wordt bevestigd door beide InspecteursGeschillen, die het dossier lastens appellante onderzochten;

Overwegende dat inspecteur S. (stuk 136) het volgendezegt: "Wat de toepassing van de bijzondere aanslagtermijn,voorzien in artikel 259, 2 W.I.B. betreft, meen ik dat hetvereiste 'bedrieglijk inzicht' of 'oogmerk totschaden' onvoldoende werden bewezen om zulks terechtvaardigen.

Elk jaar werden de nodige gegevens met betrekking tot de inhet buitenland behaalde resultaten opgegeven en gespecificeerd,zodat de taxatie-ambtenaar reeds binnen de termijn van 3 jaarde mogelijkheid had om de eventueel vastgestelde tekorten recht tezetten."

Overwegende dat inspecteur B. dit bevestigt na een aanvullendonderzoek waarbij bijkomende inlichtingen werden verkregen, enstelt datartikel 259, 2 W.I.B. ten onrechte werd toegepast,waarbij hij het voorstel tot volledige ontlasting steunt;

Overwegende dat geïntimeerde zelf geen enkel positief bewijsnaar voor brengt van enige frauduleuze intentie in hoofde vanappellante, doch er genoegen mee neemt zich te beroepen opvermoedens;

Overwegende dat enig positief bewijs, nergens wordt gegeven:noch in de beide kennisgevingen van aanslag d.d. 21 oktober1982, noch in het bericht van wijziging van dezelfde datum, noch inde bestreden beslissing van de gewestelijke directeur d.d.19 februari 1987, noch in de antwoordconclusie vangeïntimeerde in onderhavige procedure;

Overwegende dat daarenboven de begrippen "bedrieglijkopzet" en "oogmerk te schaden" op strikte wijzemoeten geïnterpreteerd worden wat tot gevolg heeft datovertredingen die hun oorsprong slechts vinden in gewonenalatigheid, materiële vergissingen, te goeder trouw beganeonjuistheden, interpretatiefouten, etc. niet in aanmerkingkomen;

Overwegende dat het duidelijk is dat de beweerde vergissingenomtrent de dubbele verliescompensatie, zoals thans het voorwerp vanhuidig dispuut, zich zouden hebben kunnen voordoen omwille van eenmateriële vergissing en mogelijk een interpretatiefout van dedesbetreffende wettelijke voorschriften, gelet (o.m.) op decomplexiteit van de desbetreffende materie;

Overwegende dat in acht moet worden genomen, dat de aangiftevan al dan niet belastbare gegevens, zowel in Nederland als inBelgië, steeds voorlopig is en voor herziening vatbaar (het pasthier te verwijzen naar het nr. 126, waar op p. 2 deproblematiek vermeld wordt van de langere aangiftetermijnen in deNederlandse belastingwetgeving en de daarbij horende procedure,zodat op het ogenblik van de indiening der aangifte in België vooraj. 1979 e.v. de houding van de Nederlandse fiscus met betrekkingtot deze jaren nog niet met zekerheid kon worden voorspeld, en metname hoe deze zou reageren op de aangegeven inkomsten enverliezen);

Overwegende dat, wat de complexiteit van de materie betreft,en specifiek op het vlak van de dubbele verliescompensatie, kanworden verwezen naar de uitvoerige rechtspraak en -leer, diedaarenboven heeft aangetoond dat dergelijke situatie vrijwelonmiddellijk aanleiding geeft tot geschillen tussen Administratieen belastingplichtige:

* Depret, H.R., «La compensation des pertes subies parune société belge avec les bénéfices, exonérés, ou exemptés parconvention qu'elle retire d'un établissement stable àl'étranger, est-elle justifiable en droit conventionnel ?», inRéflexions offertes à P. Sibille, 429-439; * Defoort, J., «Komen bij internationale overeenkomstenvrijgestelde winsten in mindering van Belgische verliezen»,Fiskofoon, 1982, nr. 31, 79-80; * Defoort, J., «Verliezen en winsten van filialen metverdragslanden en de Belgische belastingheffing», Fiskofoon, 1984,nr. 43, 12-17; * Claeys-Boùùaert, I., «Verliesverrekening ininternationaal fiscaal recht», T. Not., 1980, 225-241; * Hinnekens, L., «De afwijzing van de compensatie vanBelgische vennootschapsverliezen met bij verdrag vrijgesteldewinsten», A.F.T., 1983, 209-217; * Hinnekens, L., «Velasquez: het arrest van de gemistekans», A.F.T., 1984, 192-202; * De Broe, L., «Belgische vennootschappen met vasteinrichtingen in verdragslanden, vermijding van dubbele belasting,compensatie van buitenlandse winsten met Belgische verliezen,dubbele verliescompensatie», T.F.R., 1987, 220-233 (inzonderheid230-233);

Overwegende dat, zelfs indien er fouten zouden begaan zijn,die eventuele fouten (zie infra) het gevolg konden zijn vaninterpretatieproblemen maar geenszins een bewust foutief gedragbewezen is;

Overwegende dat er geen bedrieglijk inzicht bestaat in hoofdevan een belastingconsulent, wanneer deze zich vergist omtrent dedesbetreffende materie (Brussel, 18 mei 1989, J.D.F., 1989,353);

Overwegende dat de afwezigheid van frauduleuze intentie inhoofde van appellante derhalve voldoende wordt aangetoond, minstensis het tegendeel niet bewezen door geïntimeerde;

Overwegende dat, zoals reeds vermeld, geïntimeerde zelf geenenkel positief bewijs naar voorbrengt van enige frauduleuzeintentie in hoofde van appellante, doch neemt hij er genoegen meezich te beroepen op vermoedens;

Overwegende dat geïntimeerde ten onrechte beweert dat degevolmachtigde consulent van appellante de belastbare inkomstenbewust zou vermeld hebben in de rubriek "vrijstelbaar bijverdrag", vermits hij ook de Nederlandse aangiften over aj.1979 en 1980 heeft ingevuld, en dus op de hoogte moest zijn geweestvan het recupereerbaar verlies;

Overwegende dat in tegenstelling tot hetgeen geïntimeerdestelt, het louter invullen van beide aangifteformulieren geenintentioneel element i.h.v. appellante bewijst en geïntimeerdenalaat te vermelden waarin dit bewijs dan wel zou zijngelegen;

Overwegende dat daarenboven, enig positief bewijs, voor zoverdit zou kunnen worden geleverd, nergens wordt vermeld: noch in dekennisgevingen van aanslag d.d. 21 oktober 1982, noch in hetbericht van wijziging van dezelfde datum, noch in de bestredenbeslissing van de h. gewestelijke directeur d.d. 19 februari1987, noch in haar antwoordconclusie in onderhavigeprocedure;

Overwegende dat geïntimeerde tevens beweert dat degevolmachtigde consulent niet spontaan alle informatie zou hebbengegeven, waaruit een intentioneel element tot fraude wordtafgeleid, wat echter op basis van het administratief dossier wordtweerlegd;

Overwegende dat bij aangifte zelf immers reeds alle verplichtmee te delen documenten werden bezorgd aan de Administratie, enwerden daarenboven, in antwoord op de vraag om inlichtingen van25 juni 1981, op 21 september 1981 alle supplementairegegevens, waaronder de Nederlandse aangiften 1977-1980, meegedeeld;

Overwegende dat nadien op 6 november 1981 een aanvullendeaanslag werd gevestigd, conform gemeenschappelijk akkoord, en deafgifte der documenten werd trouwens in het verslag van inspecteurS. bevestigd, zodat dit argument vervalt;

Overwegende dat geïntimeerde zoekt een laatste"bewijs" van de beweerde frauduleuze intentie vanappellante uit de reputatie en faam van de gevolmachtigdeconsulent;

Overwegende dat dergelijk "bewijs" vanzelfsprekendongegrond is en berust als vermoeden uitsluitend op de persoonlijkeappreciatie van de Gewestelijke directeur, wat niet kan aanvaardworden in rechte;

Overwegende dat het standpunt van geïntimeerde daarenboveninhoudt dat een frauduleuze intentie van een belastingplichtige zoukunnen worden aangetoond op basis van de "faam" van haargevolmachtigde, onderscheid dat door de wet niet wordt gemaakt enderhalve onaanvaardbaar is, en trouwens de deur opent naarvolstrekte willekeur;

Overwegende dat dergelijke motieven de indruk kunnen wekkendat het gaat om persoonlijke onenigheden, indruk die in eenbeslissing stellig moet worden vermeden;

Overwegende dat - ex absurdo - indien een als onbekwaambekende consulent een fout begaat, die fout aan louter onkunde maarniet aan opzet zou kunnen worden toegeweten, terwijl de cliënt vaneen als bekwaam gekend consulent, meer kans zou krijgen dat hij -wegens die consulent - verdacht kan worden van bedrieglijk opzet;

Overwegende dat, nu vaststaat dat artikel 259,lid 2, W.I.B. ten onrechte werd toegepast, de aanslag nietigis en het hof desbetreffend de eventuele schending vanartikel 240, 3 W.I.B. en 256, 2, W.I.B., niet moetonderzoeken;


aj. 1980 - artikel 277.261

Overwegende dat deze aanslag van ambtswege werdgevestigd;

Overwegende dat in de kennisgeving van aanslag van ambtsweged.d. 21 oktober 1982 (stuk 65), wordt gezegd dat deaangifte laattijdig was en dat op grond van artikel 256 W.I.B.de belastbare inkomens op volgende gegevens zouden wordenvastgesteld:

"De verliezen door U geleden in Nederland werdenafgetrokken van de latere winsten in Nederland.

Niettemin heeft U op Uw aangifte vrijstelling gevraagd van deNederlandse winsten.

Hierdoor ontstaat een dubbele verliescompensatie (ziehieromtrent artikel 23 van de InternationaleOvereenkomsten).

 

Belastbare basis:

aangroei van de reserves...:

2.397.602 F

verworpen uitgaven...:

53.864 F

 

2.451.466 F

toepassing van belastingverhoging 50 % ...";

Overwegende dat de gevolmachtigde van appellante op22 november 1982 (stuk 44) (D.P. en B.H.) antwoordde inverband met de "dubbele verliescompensatie", en, wat hetaj. 1980 betrof, dat er een bijlage werd gevoegd waaruit zoublijken dat een uitstel verleend werd wat de aangifte voor het aj.1980 betrof, zodat geen aanslag van ambtswege mocht wordengevestigd;

Overwegende dat uit stuk 47 blijkt dat op de brief van24 maart 1981, waarin uitstel werd gevraagd, door eenambtenaar van geïntimeerde werd geschreven dat een uitstel tot15 april 1981 werd verleend;

Overwegende dat de aangifte - indien er geen uitstel zougevraagd zijn uiterlijk op 31 maart 1981 had moeten ingediendworden, zodat de vraag tijdig werd gesteld;

Overwegende dat de aangifte (stuk 48) door degevolmachtigde gedagtekend werd op 9 april 1981 en deAdministratie nergens op het aangifteformulier de datum vanontvangst heeft geschreven of gestempeld, zodat de aangifte geachtmoet worden tijdig te zijn ingediend;

Overwegende dat, nu in de kennisgeving van aanslag vanambtswege als reden werd opgegeven dat de aangifte laattijdig wasingediend, deze redengeving niet juist was en de kennisgeving moetbeschouwd worden als niet-gemotiveerd, zodat de aanslag nietig is(cfr. Van Orshoven, P., o.c., randnummer 214);

Overwegende dat dit uiteraard het wegvallen van debelastingverhoging impliceert, zodat dit niet meer moet onderzochtworden voor aanslagjaar 1980;


aj. 1981 - artikel 2.833.670 e 
aj. 1981 - artikel  277.671

Overwegende dat appellante het standpunt van geïntimeerde, wathet aj. 1981 betreft, als volgt correct samenvat:

A "Geïntimeerde stelt vooreerst dat de aftrek vanNoorse belasting niet in zijn geheel kan worden aanvaard, vermitseen gedeelte betrekking heeft op de periode gedurende dewelkekonkluante een bijkantoor was van de Duitse G.m.b.H.R. B Ten gronde weigert geïntimeerde de vrijstelling vanNederlandse winst voor het aj. 1981 (Ndl.) op grond van zgn.dubbele verliescompensatie i.h.v. konkluante, en weigert in te gaanop de eerste grief van konkluante, verwoord door AccountantskantoorD. dd. 2 augustus 1983 (bundel Adm. nr. 110), en op deaanvullende grief m.b.t. de verliesverschuiving in Nederland,verwoord door de h. S.J. van het kantoor Coopers & Lybrand C.V.dd. 12 augustus 1985 (bundel Adm. nr. 126). C Gelet op de dubbele verliescompensatie wordttenslotte nogmaals gesteld, in het verlengde van de beweringen vooraj. 1979 en 1980, dat konkluante gehandeld heeft met bedrieglijkopzet/oogmerk te schaden, en wordt nogmaals een belastingverhogingad 50 % opgelegd (aanslag dd. 14 december 1982 subkohierartikel 277.271);"

Overwegende dat appellante desbetreffend antwoordt alsvolgt:


"Nopens de aftrek Noorse belastingen

Konkluante heeft zich bij brief van haar volmachtdragerAccountantskantoor D. dd. 2 augustus 1983 (bundel Adm.nr. 110) akkoord verklaard met de omdeling van de aftrekbareNoorse belastingen op de aldaar verwezenlijkte winst voor en na1 april 1977 (datum waarop konkluante als zelfstandigeentiteit is begonnen).

De aftrek van Noorse belasting werd derhalve reeds door detoenmalige gevolmachtigde beperkt tot 1.121.875 BF (cfr. briefAccountantskantoor D. dd. 2 augustus 1983, pag. 1 en 2),zodat deze grief (bezwaarschrift dd. 31 augustus 1982) thanszonder voorwerp is, gelet op het akkoord.


De dubbele verliescompensatie - verliesverschuiving

In haar bezwaarschrift dd. 27 december 1982 tegenvoormelde aanslag heeft Accountantskantoor D. zich namenskonkluante verzet tegen de beweerde dubbeleverliescompensatie.

Na besprekingen met geïntimeerde werd dit bezwaarschriftverbeterd door de brief van deze volmachtdrager dd. 2 augustus1983 (waarin omdeling van de Nederlandse winsten en verliezen overde jaren 1977 t/m 1981) en het werd vervolgens nogmaals aangevuldmet een bijkomende grief door het kantoor Coopers & LybrandC.V. dd. 12 augustus 1985 (bundel Adm. nr. 126) nopens deverliesverschuiving in Nederland en de gevolgen ervan m.b.t. de inBelgië belastbare grondslag.

Beide grieven werden ten onrechte verworpen doorgeïntimeerde.

B1 
In hoofdorde: verliesverschuiving in Nederland

Op basis van de gegevens over het boekjaar 1981 (Ndl.) werdoorspronkelijk uitgegaan van een winst van 4.875.655 BF, tecompenseren met de verliezen (2.111.637 BF) geleden in hetfiliaal te Saoudi-Arabië (land zonder verdrag), zodat eenuiteindelijk te belasten bedrag (in België vrijstelbaar op basisvan het verdrag) werd bekomen van 2.764.018 BF.

Nadien werd het Nederlandse filiaal echter geconfronteerd metnaheffingsaanslagen loonbelasting en premieheffing, zodat inNederland een voorziening ad. 10.000.000 BF in aanmerking werdgenomen (boekhoudkundig ten laste van het jaar 1982, fiskaal tenlaste van het jaar 1981).

Vermits deze voorziening werd opgenomen in de Nederlandseaangifte over het boekjaar 1981 (door de Nederlandsevolmachtdragers Moret, Gudde & Brinkman), conform deNederlandse wetgeving terzake die inzake overdraagbarebedrijfsverliezen een zgn. carry-back systeem toelaat (cfr. briefCoopers & Lybrand C.V. (bundel Adm. nr. 126)pag. 1-3), diende met deze gegevens rekening te wordengehouden voor de bepaling van de belastbare grondslag in deBelgische vennootschapsbelasting.

Om die reden werd de (Nederlandse) winst (oorspronkelijk4.875.655 BF, in België vrijstelbaar t.b.v. 2.764.018 BF)gewijzigd in een verlies van 5.124.345 BF, bedrag tecompenseren met de Belgische winsten voor het betrokkenaanslagjaar.

Geïntimeerde weigert echter deze gegevens te aanvaarden, zichhierbij baserend op de verplichting van de belastingplichtige allenuttige en verplicht mee te delen bescheiden in te dienen op hetogenblik van de aangifte, en stelt derhalve dat op deze gegevensnadien niet kan worden teruggekomen, "om welke redenook".

Geïntimeerde vergist zich echter: de fiskus dient immersrekening te houden met de werkelijke toestand van debelastingplichtige en met alle gegevens die deze toestand kunnenbeïnvloeden, zelfs wanneer deze pas nadien tot uiting komen.

In casu dient geïntimeerde derhalve rekening te houden met detoestand in Nederland, die is ontstaan na het indienen van deaangifte in de Belgische Vennootschapsbelasting (en waarmeekonkluante om evidente redenen op het ogenblik van het indienen vanhaar aangifte voor aj. 1981 nog geen rekening kon houden) doch diedoor de Nederlandse fiskus volledig werd aanvaard, én gevolgenheeft voor de belastbare toestand van konkluante als economischegroep;

Door met hogergenoemde verliesverschuiving geen rekening tehouden, creëert de Belgische fiskus een dubbele taxatie i.h.v.konkluante:

- immers wordt konkluante belast op de zgn. winsten inNederland voor het aj. 1981 (2.764.018 BF), waar deNederlandse fiskus toelaat een verlies in rekening te brengen vandeze Nederlandse winsten voor aj. 1981; - tevens zal het huidig verlies in Nederland t.g.v. denaheffing ad 10.000.000 BF vlugger gecompenseerd zijn via dewinsten over aj. 1981 e.v., zodat eerder opnieuw een belastbaarresultaat zal ontstaan i.h.v. het Nederlands filiaal, met weerslagop de belastbare resultaten i.h.v. konkluante;

Derhalve dient de belgische fiskus met deze (wettelijke)verliesverschuiving rekening te houden.

Te noteren valt dat ook op dit punt de h. Directeur het adviesvan de h. Inspecteur Geschillen B. dd. 27 augustus 1985 naastzich neerlegt, waar deze oorspronkelijk had voorgesteld devolledige aanslag sub artikel 277.271 te ontlasten, vermits deNederlandse fiskus het verlies (veroorzaakt door de voorziening ad10.000.000 BF) had aanvaard.

De h. Blommaert stelt immers in zijn verslag dat de taxatiesdoor de Nederlandse fiskus behouden zijn, en de verliesverschuivingkrachtens het nederlandse carry-back systeem aanvaardbaar is inBelgië;

Dienvolgens stelt de h. Inspecteur Geschillen voor debelastbare basis voor het aj. 1981 te herzien en als volgt tebepalen, conform de berekening door de h. S.J. (Coopers &Lybrand C.V.) in zijn aanvullend bezwaarschrift (bundel Adm.nr. 126):

 

I. Reserves: onveranderd

847.132 F

II. Verworpen uitgaven:
- Niet aftrekbare belastingen:

VA

300.000 F

RV

265.292 F

Ven.B. aj. 79 (art. 0867424)

26.736 F

Noorse belastingen

2.582.099 F

 

3.174.127 F

- Niet verantwoorde lasten:

36.900 F

 

3.211.027 F

 

4.058.159 F

verlies Nederland

5.124.345 F

verlies Saoudi Arabië

2.111.637 F

 

− 7.325.982 F

Netto resultaat (verlies):

− 3.177.823 F

minus de aanvullende investeringen:

− 482.892 F

Overdraagbaar resultaat (verlies):

− 3.660.715 F

(bundel Adm. nr. 134)

Om die reden dient derhalve met de verliesverschuiving vooraj. 1981 rekening te worden gehouden, en dienen de aanslagen subkohierartikel 2.833.670 en 277.271 volledig te wordenontlast."

Overwegende dat het hof deze redengeving tot de zijnemaakt;

Overwegende dat de uitvoerige conclusie van de verzoekster invrijwillige tussenkomst door het hof - gedeeltelijk - wordtovergenomen, nu zij duidelijk maakt dat het hier gaat om een zeerbetwistbare en moeilijke materie en dat dusdanig geen nalatigheidof fout ten aanzien van de voorganger van verzoekster kan wordenverweten;

Overwegende dat het hof derhalve met instemming,citeert:

"De kern van het geschil betreft het feit dat N.V. R.O.B.in haar aangiften (aanslagjaar 1979-1980-1981) een zgn. verbodendubbel verliescompensatie zou hebben toegepast.Dubbeleverliescompensatie is een zeer complexe regel van Belgischinternationaal fiscaal recht. De toepassing ervan geeft aanleidingtot veel onopgeloste raadsels en leidt uit haar aard tot geschillentussen fiscus en belastingplichtige (...)

Wanneer een Belgische onderneming winsten heeft behaald in eenvaste inrichting, gelegen in een land waarmee België eendubbelbelastingverdrag heeft afgesloten, zoals in casu Nederland,worden deze winsten uitsluitend in het land van ligging van devaste inrichting belast (art. 7 Belgisch-Nederlands verdrag).In België worden deze winsten in mindering gebracht van hetwereldwijd resultaat, zodat ze in België vrijgesteld zijn vanbelasting (art. 67, 1° K.B. tot uitv. W.I.B.). Wanneerdaarentegen een Belgische onderneming verliezen heeft behaald indgl. vaste inrichting kunnen deze verliezen met de Belgischewinsten verrekend worden (art. 66, a) K.B. tot uitv.W.I.B.).

De volgorde van aftrek van dgl. verliezen is doorartikel 66 en 69 K.B. tot uitv. W.I.B. striktgereglementeerd.

De verliezen van het belastbaar tijdperk zelf worden als volgtverrekend:

- artikel 66, al. 2: a) verliezen geleden in landen metdubbelbelastingverdrag: eerst op de bij verdrag vrijgestelde winst,vervolgens op de tegen verlaagd tarief belastbare winst, tenslotteop de Belgische winst; - artikel 66, al. 2: b) verliezen geleden in landen waaruit de winst tegenverlaagd tarief belastbaar is: eerst op de tegen verlaagd tariefbelastbare winst, vervolgens op de bij verdrag vrijgestelde winst,tenslotte op de Belgische winst; - artikel 66, al. 2: c) verliezen geleden in België: eerst op de Belgischewinst, vervolgens op de tegen verlaagd tarief belastbare winst,tenslotte op de bij verdrag vrijgestelde winst.

Wanneer het tijdens het belastbare tijdperk in een bepaaldeinrichting geleden verlies niet volledig kan worden afgetrokken vande winst van andere inrichtingen van de onderneming, vormt hetoverschot een bedrijfsverlies dat overdraagbaar is gedurende vijfjaar krachtens artikel 114 W.I.B. (door de Wet van22 december 1989 is deze tijdsbepaling afgeschaftgeworden).

De overdraagbare verliezen worden bij voorrang van de winstvan dezelfde oorsprong afgetrokken en, indien die winstontoereikend is, van de winst van een andere oorsprong, metinachtneming van de volgorde aangegeven in voormeldartikel 66, met dien verstande dat:

- niet meer aftrekbaar zijn, de verliezen die voorheendoor bij verdrag vrijgestelde winst zijn gedekt; - vorige verliezen die geleden zijn in landen metverdrag, slechts worden afgetrokken in de mate dat ze bij verdragvrijgestelde winst van het belastbare tijdperk overtreffen(art. 69 K.B. tot uitv. W.I.B.).

 

Voorbeeld:

België

Nederland

Wereldwijd resultaat

+ 400.000 F

+ 300.000 F

+ 700.000 F

Belastbaar in België:

- wereldwijd resultaat:

700.000 F

 
- aftrek bij verdrag vrijgestelde winst (artikel 67 K.B.tot uitv. W.I.B.):

− 300.000 F

 

400.000 F

Enkel 400.000 F is in België belastbaar.

Voorbeeld:

België

Nederlandse vaste

Wereldwijd inrichting resultaat

+ 700.000 F

− 200.000 F

+ 500.000 F

Belastbaar in België:

- Belgische winst:

700.000 F

 
- verrekening Nederlands verlies (art. 66 al. 2 litt.a K.B. tot uitv. W.I.B.):

− 200.000 F

 

500.000 F

Enkel 500.000 F is in België belastbaar.

Het dubbelbelastingverdrag afgesloten tussen België enNederland bevat in artikel 24, § 2, 5° een bepaling dieertoe strekt te vermijden dat het verlies dat een Belgischeonderneming in een Nederlandse vaste inrichting zou lijden,tweemaal (met Belgische winst) zou gecompenseerd worden.

Deze bepaling bevat nl. het verbod tot dubbeleverliescompensatieen het is deze bepaling die in casu ter discussiestaat. Op grond van gezegd artikel 24, § 2, 5° magBelgië, ten exceptionele titel en in afwijking van artikel 7Belgisch-Nederlands verdrag, belasting heffen over de winsten vande Nederlandse vaste inrichting voor zover deze winsten inNederland niet effectief werden belast doordat er, onder deNederlandse belastingwetgeving, van deze Nederlandse winstenoverdraagbare Nederlandse verliezen werden afgetrokken, en dezeNederlandse verliezen over enig belastbaar tijdperk ook met inBelgië belastbare winsten werden verrekend.

 

Voorbeeld:

België

Nederlandse vaste

Wereldwijd inrichting resultaat

1e jaar:

+ 700.000 F

− 200.000 F

+ 500.000 F

2e jaar:

+ 700.000 F

+ 400.000 F

+ 300.000 F

Belastbare winst in België voor het 1e jaar, volgens deinterne wetgeving: 700.000 - 200.000 = 500.000 F.

Voor het 2e jaar is in Nederland belasting verschuldigdover de winst van het 2e jaar, min het verlies van het 1ejaar, zijnde over 300.000 - 200.000 = 100.000 F.

Aldus zou in beide landen in totaal belasting verschuldigdzijn over: 500.000 + 400.000 (België) + 100.000 (Nederland) =1.000.000 F, hoewel de totale commerciële winst van de2 jaren in werkelijkheid zou zijn: 700.000 - 200.000(1e jaar) + 400.000 + 300.000 (2e jaar) =1.200.000 F.

De regel tot verbod van dubbelverliescompensatie uit hetverdrag staat toe dat België voor het 2de jaar belasting heftover de winst uit Nederland van 200.000 F zijnde het bedragdat, eensdeels overeenstemt met het verlies dat het 1e jaarmet in België belastbare winsten werd verrekend en, anderdeels het2e jaar niet bij de belastingheffing in Nederland werdbetrokken omdat het door het in Nederland geleden verlies van het1e jaar werd gecompenseerd.

Aan N.V. Accountantskantoor D. wordt nu ten laste gelegd datzij precies deze correctie niet heeft toegepast in de aangifte vanN.V. R. en dat ze dit bewust foutief en met bedrieglijk inzichtheeft gedaan.

"Overwegende dat de conclusie de beslissing, die reedssupra weergegeven is resumeert en de verwijten opsomt die in debeslissing rechtstreeks tegen de N.V. Accountantskantoor D. wordengeformuleerd;

Overwegende dat verzoekster in tussenkomst dan als volgtverder gaat:

"Bij lezing van hogervermelde geciteerde pagina's uitdedirectoriale beslissing kan men zich de vraag stellen waarom dedirecteur zich al deze moeite getroost heeft om het opzettelijkfoutief handelen van N.V. Accountantskantoor D. te bewijzen.

Hiervoor is er maar één verklaring mogelijk: de directeur wasverplicht om in hoofde van N.V. Accountantskantoor D. eenovertreding van de fiscale wetgeving aan te tonen die gepleegd zougeweest zijn met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om teschaden.

De verklaring hiervoor is overduidelijk en is dubbel.

In 1982 (tijdstip van de controle) kon geen supplementaireaanslag wegens verboden dubbele verliescompensatie rechtsgeldigmeer gevestigd worden voor het aanslagjaar 1979 want deAdministratie had de gewone aanslagtermijn van 3 jaar latenverstrijken. Luidens artikel 259, lid 1 W.I.B., moet deaanslag immers gevestigd worden binnen de 3 jaar te rekenenvanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordtgenoemd. M.a.w. in casu verstreek de gewone aanslagtermijn voor heteerste litigieuze aanslagjaar (1979) op 31 december 1981. Pasin oktober 1982 (berichten van aanslag van ambtswege en vanwijziging, stuk 8-9) kwam de controle tot de vaststelling dater gronden waren om in casu verboden dubbele verliescompensatie inte roepen, en dit niettegenstaande het feit dat ze reeds vanaf21 september 1981 (stuk 16) alle aangiftes in deNederlandse vennootschapsbelasting in haar bezit had, zodat zevanaf die datum principieel de mogelijkheid had om de dubbeleverliescompensatie vast te stellen.

Voor deze dubbele verliescompensatie kon echter geensupplementaire aanslag meer ingekohierd worden binnen de gewonetermijnen.

In haar bericht van aanslag van ambtswege d.d. 21 oktober1982 (stuk 8) heeft de controleur dan haar toevlucht gezochttot het inroepen van artikel 259, lid 2 W.I.B., dattoelaat de aanslagtermijn met 2 jaar te verlengen (tot5 jaar dus) zo de belastingplichtige gehandeld heeft met hetoogmerk om te schaden of met bedrieglijk inzicht.

Voor alle drie de litigieuze jaren worden belastingverhogingenvan 50 % opgelegd.

Dit kan alleen in geval van onjuiste of onvolledige aangiftemet het oogmerk om te schaden of met bedrieglijk inzicht.(...)

"Overwegende dat in de conclusie van verzoekster(blz. 19 tot en met 23) wordt uiteengezet dat het wegensfouten was, begaan door bepaalde ambtenaars dat men degevolmachtigde de schuld wilde geven om op grond vanartikel 259, lid 2, W.I.B. vooralsnog aanslagen te kunnenvestigen, die reeds vroeger en tijdig hadden kunnen gevestigdworden;

Overwegende dat uit o.a. die redengeving en wat het hof reedsbeslist heeft, blijkt dat de stelling van de verzoekster invrijwillige tussenkomst moet aanvaard worden;

* * *

Overwegende dat de vordering van appellante, geformuleerd inhaar conclusie d.d. 14 maart 1991, blz. 23 en 25,betreffende de toegepaste aanslagvoet (art. 128 W.I.B.) nietduidelijk overkomt; dat het debat dient heropend te worden opdatappellante (en eventueel ook geïntimeerde) zou concluderen over dievordering; (nog relevant? zo ja, op welke aanslagentoepasselijk?);

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak:

Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni1935;

Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van voorzitterA. van Gelder en het eensluidend advies van het openbaar ministeriegegeven door advocaat-generaal A. van Ingelgem;

Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond;

Verklaart het verzoek tot vrijwillige tussenkomst toelaatbaaren gegrond;

Wijzigt de bestreden beslissing als volgt:

Verklaart de bezwaren reeds gedeeltelijk gegrond;

a) aj. 1979 - artikel 1.868.953:

Zegt rechtens, op grond van artikel 277 § 1 W.I.B.dat geïntimeerde de verrekende R.V. 53.864 F dient terug tebetalen en veroordeelt hem daartoe;

b) aj. 1979 - artikel 277.251:

Doet de aanslag teniet;

c) aj. 1980 - artikel 277261:

Doet de aanslag teniet;

d) en e) aj. 1981 - artikel 277.670 en277.671:

Zegt rechtens dat deze aanslagen volledig ontheven dienen teworden, nu de berekening van het overdraagbaar resultaat (verlies)- 3.660.715 F bedraagt;

Heropent het debat om appellante en eventueel geïntimeerde demogelijkheid te verschaffen om nader te concluderen over devordering in verband met de toepassing van artikel 128W.I.B.;

Stelt de zaak vast op 21 juni 1993 om 11 uur;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle op grondvan de vernietigde aanslagen ten onrechte geïnde bedragen,vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstigartikel 308 W.I.B. (art. 418 W.I.B. 1992), behalve wat deaanslag sub a) betreft (art. 309 W.I.B.);

Verwijst geïntimeerde reeds in de kosten, tot op heden aan dezijde van appellante begroot op (orig. + kopie: 261 + rollen: 248)= 509 F, en aan de zijde van de verzoekster in vrijwilligetussenkomst, op 0 F.