Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 19.10.2000

Datum :
19-10-2000
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Appel,Délai,Point de départ

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 19.10.2000
Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 19.10.2000
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 19.10.2000
Tax year : 2005
Document date : 19/10/2000
Document language : FR
Name : B 00/6
Version : 1
Court : appeal

ARRET B 00/6


Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 19.10.2000



FJF 2001/52

Appel - Délai - Point de départ

    En vertu des articles 280 du CIR et 379 du CIR 1992, la requête et l'original de la signification doivent, à peine de nullité, être déposés au greffe de la cour dans un délai de 40 jours à compter de la notification de la décision directoriale à l'intéressé. Ce délai de 40 jours commence à courir dès la notification de la décision du directeur régional, c'est-à-dire dès le moment où l'envoi recommandé de la décision est présenté par la poste au domicile du contribuable. Cette présentation a lieu par la remise du recommandé au destinataire ou, en son absence, par le dépôt d'un avis invitant ce dernier à aller chercher le recommandé au bureau de poste mentionné dans l'avis.

    En l'espèce, la décision a été remise par le facteur à la fille majeure des requérants. Ceux-ci estiment que la notification n'était pas régulière, dès lors qu'elle n'avait pas été faite au destinataire et que la preuve n'est pas apportée que leur fille avait reçu le mandat de réceptionner la décision.

    La cour estime qu'un mandat peut être donné verbalement. Un tiers, tel que l'Administration, peut prouver l'existence de ce mandat par toutes voies de droit, témoignages et présomptions compris; l'existence du mandat peut donc être déduite de présomptions précises et concordantes.

    En l'espèce, la cour décide qu'il doit être déduit des circonstances de fait que les requérants, comme toute personne raisonnable placée dans les mêmes circonstances, ont certainement donné à leur fille majeure le mandat de gérer leurs affaires en leur absence et de réceptionner un éventuel envoi recommandé de l'Administration. En effet, au moment de la présentation par la poste de la décision directoriale, les requérants étaient en prison. Ils savaient qu'un litige était pendant devant le directeur régional et qu'une décision pouvait intervenir à tout moment.



Voorzitter : M. Van Herck
Raadsheren : M. De Ruyver, Mevr. Diercxsens
Advocaten : Mr. Bert loco Mr. Forestini, Mr. Van Asch

A.F., S.G.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën;

Het Hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De procedure

De fiscale voorziening werd samen met de aanzegging ervan neergelegd ter griffie van het hof op 26 september 1997.
Zij is gericht tegen de directeursbeslissing van 11 juni 1997 waarbij de bezwaarschriften ingediend tegen de aanslagen in de personenbelasting ingekohierd onder de artikelen 478111, 478101, 478091, 478061 en 478071 van de aanslagjaren 1989, 1990, 1991, 1992 en 1993 voor de bedragen van 521 907 Fr., 1 131 670 Fr., 3 898 808 Fr., 1 653 427 Fr. en 2 141 857 Fr. gedeeltelijk werden afgewezen.
De aanslagen werden gevestigd overeenkomstig de aanslagprocedure voorzien in artikel 256 van het wetboek van inkomstenbelastingen/64 voor de aanslagjaren 1989 tot 1991 en artikel 346 van het wetboek van inkomstenbelastingen/92 voor de aanslagjaren 1992 en 1993.
De administratie betwist de ontvankelijkheid van het fiscaal verhaal.
De beslissing van de gewestelijke directeur dateert van 11 juni 1997.
Krachtens de artikelen 280 van het wetboek van inkomstenbelastingen/64 en 379 van het wetboek van inkomstenbelastingen/92 moeten het verzoekschrift en het origineel van de betekening, op straffe van verval, binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen van de kennisgeving van de beslissing aan de belanghebbende, ter griffie van het Hof worden neergelegd.
Volgens het hof van cassatie begint voormelde termijn van veertig dagen te lopen vanaf de betekening van de beslissing van de gewestelijke directeur; dit is vanaf het ogenblik dat de aangetekende zending van de beslissing door de post wordt aangeboden aan het huis van de belastingplichtige. Deze aanbieding geschiedt door de overhandiging van de aangetekende zending aan de bestemmeling of bij diens afwezigheid door de afgifte van een bericht waarin deze laatste wordt uitgenodigd om de aangetekende zending op het postkantoor, dat in het bericht is aangegeven af te halen (1) .
Uit een schrijven van het postkantoor, door de administratie ontvangen op 29 oktober 1997 blijkt dat de beslissing aangeboden werd op 12 juni 1997 aan de woonplaats van verzoekers.
Het aftekenbescheid, gehecht aan de brief van 29 oktober 1997 toont aan dat de beslissing in ontvangst werd genomen door F.L., de meerderjarige dochter van verzoekers.
Verzoekers stellen dat de beslissing van 11 juni 1997 niet aangeboden werd aan de bestemmelingen ervan en dat de kennisgeving niet regelmatig is geschied door de beslissing aan hun meerderjarige dochter te overhandigen omdat het bewijs niet geleverd is dat zij over een lastgeving beschikte om de beslissing te ontvangen.
De administratie verwijst naar artikel 2 van het Ministerieel Besluit van 12 januari 1970 houdende de postreglementering, dat luidt als volgt :
«Alle aangetekende administratieve correspondenties met toegelaten portvrijdom of zonder frankering en middels uitgestelde vergoeding mogen aan het aangeduide adres afgegeven worden aan een meerderjarige persoon, aan de bedeler bekend als deel uitmakend van de familie of van de onmiddellijke omgeving van de bestemmeling.»
De kennisgeving is geschied overeenkomstig het Ministerieel Besluit van 12 januari 1970 aan de meerderjarige dochter van verzoekers.
Verzoekers houden voor dat niet bewezen is dat zij aan hun meerderjarige dochter een lastgeving verleend hadden om de aangetekende brief van de administratie in ontvangst te nemen.
Ten overvloede kan gesteld worden dat de lastgeving mondeling kan verleend worden. Een derde, zoals de administratie, kan de lastgeving bewijzen door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.
De lastgeving kan dus uit gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens worden afgeleid.
Op het ogenblik van de aanbieding van de directoriale beslissing door de post waren verzoekers opgesloten in de gevangenis.
Zij wisten dat er een geschil hangend was voor de gewestelijke directeur en dat een beslissing elke dag kon tussenkomen.
Hun meerderjarige dochter bevond zich in hun woning en heeft de aangetekende zending aangenomen.
Uit deze feitelijke omstandigheden moet worden afgeleid dat verzoekers, zoals iedere redelijke persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden, aan hun meerderjarige dochter zeker opdracht hebben gegeven hun zaken in hun afwezigheid te beheren en een eventuele aangetekende zending van de administratie in ontvangst te nemen.
Nu de termijn van beroep aan te tekenen ook begon op het ogenblik van het achterlaten van een bericht om de aangetekende zending op het postkantoor af te halen zou het te gevaarlijk geweest zijn haar geen volmacht te geven om de beslissing in ontvangst te nemen vermits verzoekers het zelf niet konden doen gelet op hun aanhouding en zij anders geen kennis zouden krijgen van de inhoud van de beslissing.
Hieruit volgt dat de kennisgeving regelmatig is geschied en dat de termijn om een verhaal in te dienen een aanvang heeft genomen op 12 juni 1997 en op 22 juli 1997 verstreek.
Het verhaal en de aanzegging ervan werden op 23 september 1997 neergelegd hetzij na het verstrijken van de vervaltermijn voorzien door de artikelen 280 van het wetboek van inkomstenbelastingen/64 en 379 van het wetboek van inkomstenbelastingen/92.

Om deze redenen,
Het Hof, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op artikel 24 bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Gehoord in openbare terechtzitting Mevrouw L. Diercxsens, raadsheer, in haar verslag;
Verklaart het fiscaal verhaal onontvankelijk.
Veroordeelt verzoekers tot de kosten van de voorziening.

(1) Cass. 28 juni 1996 F.J.F. 96/210.