Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 27.04.2006
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Frais professionnels,Intérêt d'emprunt pour achat de parts contracte auprès de la société venderesse
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 27.04.2006
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 27.04.2006 Tax year : 0 Document date : 27/04/2006 Document language : FR Modification date : 05/12/2006 09:04:34 Name : B 06/2 Version : 1 Court : appeal
ARRET B 06/2 Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 27.04.2006 Le Courrier Fiscal 2006/536 Frais professionnels - Intérêt d'emprunt pour achat de parts contracte auprès de la société venderesse L'article 52, 11° CIR92 est une exception au principe repris à l'article 53, 18° CIR92 qui établit que ne sont pas considérés comme des frais professionnels, les intérêts de dettes contractées pour l'acquisition d'actions représentatives du capital social d'une société. Cette exception à la règle générale doit donc être interprétée de manière restrictive. Seule une dette contractée auprès de tiers pour l'acquisition des parts est déductible. Ne sont pas considérés comme des tiers, la société elle-même ainsi que toute entreprise à l'égard de laquelle cette société se trouve directement ou indirectement dans des liens d'interdépendance. HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2002/AR/1063 Openbare terechtzitting van 27-04-2006 IN ZAKE VAN : 1.De heer G. W., wonende te ..., appellant, in persoonlijke naam en als erfgenaam van Mevrouw M. D.V., 2.Mevrouw B. W., wonende te ..., 3.De heer R. W., wonende te ..., appellanten, in hun hoedanigheid van erfgenaam van wijlen Mevrouw M. D.V., vertegenwoordigd door Mter J. loco V., advocaat (...) TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur van de Directe Belastingen te Leuven, wiens burelen gevestigd zijn te ..., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr B. loco J. H., advocaat, (...) Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : De Processtukken Een verzoekschrift strekkend tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 03 mei 2002. Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op tegenspraak geveld op 12 april 2002 Er wordt door de partijen geen akte van betekening neergelegd. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het voorwerp van het geschil voor de eerste rechter en diens beslissing. De vordering is erop gericht de aanslagen ingekohierd in de personenbelasting onder de artikels ..., ..., ... en ..., van de aanslagjaren 1995, 1996, 1997 en 1998 te horen vernietigen in de mate dat de belasting werd gevestigd op een belastbare basis die werd bepaald zonder rekening te houden met de intresten betaal door de heer W., zijnde 2.301.370 fr in 1994, en telkens 3.735000 fr in 1995, 1996 en 1997, op de lening van 44.979.920 Fr hem toegestaan door de NV B. I. op het ogenblik van de verkoop van de aandelen van de NV B.- I. voor het bedrag van de verkoopprijs van de aandelen. De eerste rechter heeft de vordering verworpen omdat , volgens hem bij de overeenkomst van 20 mei 1994 door de verkoper aan de koper uitstel van betaling werd toegestaan en deze modaliteit van betaling van de prijs deel uitmaakt van de overeenkomst waardoor niet voldaan werd aan de voorwaarde van aftrekbaarheid voorzien door artikel 52, 11° WIB/92 Het hoger beroep Appellant herhaalt in hoger beroep de door hem voor de eerste rechter ingestelde vordering. De feiten De heer G. W. is bestuurder en gedelegeerd bestuurder van de NV B.- I. . Het kapitaal van deze vennootschap wordt vertegenwoordigd door 1.500 aandelen, waarvan 1494 aandelen in handen waren van NV B. I. . De overige 6 aandelen waren in handen van de heer G. W. . Op 20 mei 1994 sluit de NV B. I. met de heer G. W. een overeenkomst waarbij zij 1.344 van de aandelen die zij bezit in de NV B.- I. verkoopt aan de heer G. W. . De overige aandelen (150) worden verkocht aan de heer J. V.G.(stukken 120-122 in het administratief dossier). In diezelfde overeenkomst staat de NV B. I. aan de heer G. W. een lening toe voor het bedrag van de verkoopprijs, tegen betaling van een intrest van 8,3 % (stukken 120-122 in het administratief dossier). De heer W. brengt de door hem betaalde intresten als beroepskost in aftrek (stukken 101-112, 131-142, 197-208 en 234-245 in het administratief dossier). In zijn Berichten van Wijziging van 16 september 1997 (aanslagjaren 1995 en 1996) en 19 januari 1998 (aanslagjaar 1997) verwerpt de taxatieambtenaar de door de heer G. W. betaalde intresten op grond van artikel 52, 11° W.I.B./92 omdat de vennootschap die de lening heeft toegestaan, namelijk de NV B. I., ook de verkoper is van de aandelen (stukken 42-46, 179-183 en 217-219 in het administratief dossier). In zijn Bericht van Wijziging van 21 mei 1999 (aanslagjaar 1998) verwerpt de taxatieambtenaar de door de heer G. W. betaalde intresten op grond van artikel 344 W.I.B./92 omdat deze intresten door de NV B. I. zouden doorgestort zijn aan een Luxemburgse vennootschap m.n. de SA O. (stukken 267-270 in het administratief dossier). In zijn beslissing van 22 februari 2001 is ook de Gewestelijke Directeur te Leuven van oordeel dat de door de heer W. betaalde interesten niet aftrekbaar zijn op grond van artikel 52, 11° W.I.B./92 gelet op het feit dat tot op de datum van de verkoop van de aandelen van de NV B.- I. door de NV B. I. deze laatste meerderheidsaandeelhouder was van de NV B.- I. (stuk 1 in het administratief dossier). Vermits appellanten het niet eens zijn met deze administratieve beslissing, leggen zij op 20 april 2001 een verzoekschrift overeenkomst artikel 1385decies Ger.W. neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. Op 12 april 2002 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven de vordering van appellanten ontvankelijk doch ongegrond. Op 3 mei 2002 hebben appellanten een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof. De discussie Verzoeker maakt aanspraak op de mogelijkheid om de intresten af te trekken die verschuldigd zijn aan de verkoper van de aandelen ingevolge het uitstel van betaling, van de koopprijs van de aandelen tegen betaling van een intrest, uitstel dat door de verkoper werd toegestaan op het ogenblik van de verkoop van de aandelen. Volgens de administratie en de eerste rechter kan art 52,11° van het WIB/92 niet toegepast worden omdat de verkoper op het ogenblik van de verkoop, ogenblik waarop hij het uitstel van betaling tegen intrest toestond, meerderheidsaandeelhouder was van de NV "B.- I.", en bijgevolg geen derde is in de zin van de wet. Volgens verzoekers verbiedt niets deze aftrek omdat de afbetalingsovereenkomst dient geanalyseerd te worden als een leningsovereenkomst die werd afgesloten tussen de koper en de verkoper, nadat de verkoop was tot stand gekomen en de verkoper dus als een derde moet beschouwd worden. Het algemeen principe wordt vastgelegd door de wetgever in artikel 53 18° van het WIB/92 dat stelt dat niet als beroepskosten worden aangemerkt de schulden aangegaan voor het verwerven van aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap. Uitzondering op dit principe is artikel 52.11° van WIB/92. Deze uitzondering op de algemene regel moet dus beperkend worden uitgelegd. Volgens artikel 52, in de lezing van de gegevens die deze betwisting aangaan, is slechts de schuld aangegaan bij derden voor het verkrijgen van aandelen aftrekbaar. Daarbij wordt in het artikel verduidelijkt dat niet als derde worden aangemerkt de vennootschap zelf zomede als elke onderneming waarvan die vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van ondergeschiktheid bevindt. Op het ogenblik dat het uitstel van betaling van de koopprijs werd bedongen was de NV B. I. nog eigenares van het volledig aandelenpakket, op enkele aandelen na, van de NV "B.- I.". Het uitstel van betaling, de bedongen intrest en het in pand geven van de aandelen aan de verkoper maken onlosmakelijk deel uit van het geheel dat gevormd wordt door de verkoop met uitstel van betaling van de koopprijs tegen betaling van een intrest, geformaliseerd in een verkoopovereenkomst en een leningsovereenkomst opgetekend in hetzelfde instrumentum. De lening en de verkoop kunnen onmogelijk los van elkaar beschouwd worden. De overeenkomst over de bepalingen in de leningsovereenkomst en de overeenkomst over de bepalingen in de verkoopovereenkomst zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden en de wilsovereenstemming die erover werd bereikt werd noodzakelijk bereikt op het ogenblik dat de NV "B. I." absolute meerderheidsaandeelhouder was van de aandelen van de NV "B.- I. ." Op het ogenblik dat de lening, essentieel onderdeel van de verkoop, want de verkoopprijs en zijn betaling bepalend, werd toegestaan was de NV "B. I." dan ook geen derde in de zin van art 52 11° WIB/92, omdat de NV "B.- I." waarvan zij bijna al de aandelen bezat zich in een band van afhankelijkheid bevond tegenover de verkoper. De tekst van artikel 52, 11° WIB/92 is duidelijk. Het artikel stelt "schulden aangegaan bij derden". Hieruit volgt zonder twijfel dat om na te gaan of de schuldeiser een derde is men zich op het ogenblik van het tot stand komen van de overeenkomst dient te plaatsen. Op het ogenblik van het tot stand komen van de overeenkomst was de NV "B. I." geen derde. Tevergeefs stelt appellant dat hij door het administratief commentaar zou misleid zijn omdat in dit commentaar onder het nummer 52/173 de aftrek van intresten betaald aan de verkoper omwille van een door de verkoper toegestaan uitstel van betaling als aftrekbaar wordt voorzien. Zoals de eerste rechter terecht stelde is dit onderdeel van het commentaar door appellant uit zijn verband gerukt en kon appellant door dit commentaar niet in de war gebracht zijn omdat het geen enkele betrekking heeft op de band van wederzijdse afhankelijkheid. De administratie stelt alleen dat ook de schuld te betalen wegens uitstel van betaling toegestaan door de verkoper aftrekbaar is. Uiteraard is dit mogelijk voor zover de vennootschap waarvan de aandelen worden gekocht zich niet rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van afhankelijkheid bevindt ten opzichte van de verkoper. Duidelijk gesteld en toegepast op het door het hof te beoordelen geval zou de intrest aftrekbaar geweest zijn zo de NV B. I. slechts - neem als voorbeeld - 200 aandelen zou bezeten hebben van de 1500 van de NV "B.- I." en zij dit aandelenpakket zou hebben verkocht aan verzoeker in dezelfde omstandigheden voor zover zou zijn aangetoond dat er ingevolge het bezitten van deze 200 aandelen of op enigerlei andere wijze geen band van wederzijdse afhankelijkheid bestond op het ogenblik van de verkoop met uitstel van betaling, tussen de beide vennootschappen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt appelanten tot de kosten, vereffend in graad van beroep op 475,96 EUR voor appelanten en op 475,96 EUR voor geïntimeerde. Aldus gevonnist door :
en, gezien de wettelijke verhindering van de Mevrouw H. D.B., plaatsvervangend raadsheer, uitgesproken in openbare terechtzitting van dezelfde kamer op 27-04-2006 overeenkomstig de beschikking van de heer Eerste Voorzitter van 27-04-2006 en dit bij toepassing van art 779 van het Gerechtelijk Wetboek, waar aanwezig waren :
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||