Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 04.09.1997
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Taxation office,Taxation arbitraire,Décision nulle
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 04.09.1997
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 04.09.1997 Tax year : 2005 Document date : 04/09/1997 Document language : FR Name : G 97/16 Version : 1 Court : appeal
ARRET G 97/16 Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 04.09.1997 Taxation office - Taxation arbitraire - Décision nulle Les taxations d'office sont considérées comme arbitraires lorsqu'elles reposent sur des éléments erronés. Comme le directeur a constaté l'inexactitude de la cotisation établie, la taxation arbitraire est totalement illégale. Aussi ne doit-elle pas être réduite mais bien annulée dans sa totalité. 11e Kamer Voorzitter: N. Van Isterdael Raadsheren: G. Van Eygen, A. De Meue Advocaten: mr. J. Vansteenbergen loco mr. F. Marck, mr. D. De Keyzer loco mr. E. Van Acker Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Brussel II van 12 juli 1993 waarbij het bezwaar tegen de op zijn naam gevestigde aanslag in de belasting der niet-verblijfhouders voor het aanslagjaar 1986 (kohierartikel 8704463) slechts gedeeltelijk werd ingewilligd; Overwegende dat de bedoelde aanslag werd gevestigd nadat door de administratie een kennisgeving van aanslag van ambtswege werd verstuurd om reden dat de eiser een laattijdige aangifte had ingediend; Overwegende dat in deze kennisgeving van aanslag van ambtswege aan de eiser werd medegedeeld dat de door hem in 1985 ontvangen opzegvergoeding van zijn vroegere werkgever ten bedrage van 1.879.391 frank onder afhouding van een bedrijfsvoorheffing van 789.344 frank zou worden belast aan een gemiddelde aanslagvoet van 40,4%; Overwegende dat de volmachtdrager van de eiser liet weten daarmede niet akkoord te gaan; Overwegende dat de taxatieambtenaar naderhand deze aanslagvoet heeft herleid op 38,1%, omdat ten onrechte, bij de berekening, rekening werd gehouden met de gemeentebelasting; dat de betwiste aanslag op deze basis dan ook werd gevestigd; Overwegende dat in het bezwaar de gevolmachtigde van de eiser aanvoerde dat, op grond van artikel 93 § 1, 3° a van het Wetboek van Inkomstenbelastingen/oud, er geen belasting verschuldigd was op de in 1985 ontvangen opzeggingsvergoeding zodat de bedrijfsvoorheffing diende terugbetaald te worden; dat verder werd staande gehouden dat nu de eiser in het betrokken laatste vorige jaar (referentiejaar 1984) in België geen belastbare inkomsten heeft behaald, daar hij in 1984 uitsluitend in ZuidAfrika heeft gewoond en gewerkt en aldaar belastingen heeft betaald, de gemiddelde aanslagvoet dan ook gelijk was aan nul; dat in subsidiaire orde werd gesteld dat de gemiddelde aanslagvoet maximum 26,40% kon bedragen; dat de gevolmachtigde van de eiser aldus impliciet de willekeurigheid van de aanslag heeft ingeroepen; Overwegende dat in de directoriale beslissing werd beslist dat de opzeggingsvergoeding wel aan de Belgische belasting moet worden onderworpen en dat de gemiddelde aanslagvoet geenszins nul kon zijn; dat de directeur ervan uitging dat voor de belastingplichtige die voor het referentiejaar, ten deze 1984, uitsluitend bedrijfsinkomsten behaald heeft waarop de personenbelasting niet van toepassing is, een fictieve aanslagvoet moet worden berekend op de aanslagbasis die, met inachtneming van de bijzondere regels die ter zake van toepassing zijn, vastgesteld moet worden; dat hij echter de aanslagvoet, zoals weerhouden door de taxatieambtenaar op 38,1%, heeft verminderd tot 32,81% en dientengevolge een ontlasting werd verleend van 98.619 frank; Overwegende dat in de voorziening de eiser niet verder betwist dat de bedoelde opzeggingsvergoeding in België belastbaar is doch dat hij zijn grief betreffende het tarief van de aanslagvoet gestand houdt; Overwegende dat de betwiste aanslag werd gevestigd bij wijze van ambtshalve aanslag en dat de aanslagprocedure niet wordt betwist; Overwegende dat nu de directeur het bezwaarschrift gedeeltelijk heeft ingewilligd door de aanslagvoet te verminderen van 38,1 naar 32,81% de onjuistheid van de aanslag vaststaat; Overwegende dat aanslagen van ambtswege willekeurig zijn wanneer zij steunen op onjuiste gegevens; dat waar de directeur ten deze de onjuistheid van de gevestigde aanslag heeft vastgesteld, de willekeurige aanslag helemaal onwettig is, zodat hij niet verminderd doch in zijn geheel vernietigd moet worden; Overwegende dat de directeur de bedoelde aanslag dan ook niet kon verbeteren maar ze diende te vernietigen; Overwegende dat, nu de aanslag om deze reden door het Hof moet worden vernietigd voor het geheel, het niet nuttig is de overige grieven tegen deze aanslag te onderzoeken; OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op het artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935. Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Gisèle Van Eygen en de partijen in hun middelen en conclusies. Ontvangt de voorziening en verklaart ze gegrond. Doet de bestreden aanslag teniet en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds erop geïnde, meer de moratoriumintresten. Verwijst de Belgische Staat in de kosten, begroot op 304 frank. |
|||||||