Arrêt de la cour d?appel d?Anvers dd. 06.01.2015 (2013/AR/2796)
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Location immobilière exemptée ? Mise à disposition d?emplacements pour l?entreposage de biens ? Charge de la preuve ? Amende fiscale ? Intérêts moratoires ? Restitutions ? Suspension du délai de
Originele tekst :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 06.01.2015 (2013/AR/2796)
Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 06.01.2015 (2013/AR/2796)
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 06.01.2015 (2013/AR/2796) Tax year : 2015 Document date : 06/01/2015 Decision : favorable Document language : FR Name : Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 06.01.2015 (2013/AR/2796) Version : 1 Court : appeal/Antwerpen_appeal
Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 06.01.2015 (2013/AR/2796)
Location immobilière exemptée – Mise à disposition d’emplacements pour l’entreposage de biens – Charge de la preuve – Amende fiscale – Intérêts moratoires – Restitutions – Suspension du délai de prescription – Principe de neutralité
Législation
Article 2, premier alinéa, article 18, § 1er, 2ème alinéa, 9°, article 44, § 3, 2°, article 70, § 1er bis, article 77, § 1er, article 82bis, article 83, § 1er, article 84bis et article 91, §§ 1 et 2 du Code de la TVA
Synthèse
Selon l’administration, l’assujetti a, sur la base du critère de la location immobilière exemptée, déduit à tort la TVA grevant la construction de bâtiments. L’assujetti invoque cependant qu’il effectue des prestations de services qu’il qualifie de mise à disposition d’emplacements pour l’entreposage de biens et qui sont dès lors effectivement soumises à la taxe. Il revient à l’assujetti de prouver cette qualification en accord avec le principe général de droit selon lequel toute allégation doit être prouvée. La notion de location immobilière doit être interprétée de manière restrictive : une opération exemptée constitue en effet une exception au principe qui veut que toute opération effectuée par un assujetti soit soumise à la TVA. Il y a location immobilière lorsqu’un bailleur confère à un preneur, pour une durée convenue et contre rémunération, le droit d'occuper un immeuble comme s'il en était propriétaire et d'exclure toute autre personne du bénéfice d'un tel droit (C.J.U.E., 18 novembre 2004, C-284/03, point 19). Il ressort en l’espèce du procès-verbal que les conventions avec les preneurs doivent être qualifiées de contrats de location. Il résulte par ailleurs des factures que le loyer des bureaux est supérieur au prix dû pour les entrepôts. La cour considère qu’il découle de ces informations que le bien immobilier concerné ne peut pas être considéré comme ayant été principalement mis à disposition d’emplacement pour l’entreposage de biens. C’est à raison que le premier juge a estimé qu’en cette affaire il s’agissait d’une location immobilière (article 44, § 3, 2°, du Code de la TVA) et la cour d’appel confirme cette décision. La cour constate par ailleurs que l’amende, qui en principe aurait dû être égale à deux fois la taxe due, a été réduite à 10% par l’administration. Elle considère que l’amende ainsi réduite est proportionnelle à l’infraction commise. Conformément à l’article 84bis du Code de la TVA, c’est le directeur régional qui accorde l’exonération de tout ou partie des intérêts. Les tribunaux et les cours ne disposent pas à cet égard d’un droit de contrôle complet ou de pleine juridiction. L’assujetti estime qu’il a le droit d’obtenir la restitution de la TVA qui a été demandée à tort aux preneurs et qui entre-temps a été versée à l’Etat belge. Cette demande en restitution est cependant prescrite. La cour considère que la demande, introduite par l’assujetti en cette affaire, ne produit pas un effet suspensif en ce qui concerne le délai de prescription, car cette demande n’est en effet pas relative à la demande en restitution de la TVA payée par les locataires mais concerne le recouvrement d’une TVA qui a été déduite à tort (objet et cause). L’assujetti prétend que le principe de neutralité est ainsi violé parce que la TVA qui a été versée ne peut pas être déduite. Lorsque l'émetteur de la facture a, en temps utile, éliminé complètement le risque de perte de recettes fiscales, le principe de neutralité de la TVA exige que la TVA indûment facturée puisse être corrigée (C.J.U.E., 11 avril 2013, C-138/12, considérant 27). En l’espèce, l’assujetti avait la possibilité de préserver son droit d’obtenir la restitution de la TVA trop perçue en introduisant une demande en restitution à temps mais cela n’a pas été fait. Dans cette affaire, la cour estime que l’assujetti n’a pas éliminé à temps le danger de la perte de ressources fiscales. Le droit de l’Union européenne autorise les Etats membres à déterminer les délais de prescription. L’usage de tels délais, établis en accord avec le droit de l’Union européenne, ne doit pas rendre l’exercice des droits accordés impossible ou difficile.
Texte intégral
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Antwerpen 06.01.2015 2013/AR/2796
NV I. met maatschappelijke zetel te…, en geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige met het nummer … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr.G.S., advocaat te … tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 14 december 2012 tegen DE BELGISCHE STAAT, federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de BTW te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur, rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr.V.L.J., advocaat …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 14 december 2012, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 8 oktober 2013, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
De betwisting betreft de vraag of N.V. I. terecht het recht op aftrek van de voorbelasting inzake BTW heeft uitgeoefend.
De NV I. werd opgericht op … en heeft volgens artikel 3 van haar statuten (stuk 5 administratie) tot doel onder meer “de aankoop, verkoop, huur en verhuring, het verkavelen, het doen bouwen en doen verbouwen, het beheer in de ruimste zin, van alle, al dan niet bebouwde onroerende goederen in België en in het buitenland". De vennootschap is sinds 1 juli 2000 als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de aan- en verkoop van onroerende goederen, de opbouwen verhuring van onroerende goederen en terreinen.
Zij heeft magazijnen met kantoorruimten opgericht, genaamd "Singel Noord semi industrieel" en kantoren met parkings, zijnde het project "A.R.C.".
In verband met het project "A.R.C." werd er een controle gevoerd inzake de BTW, hetgeen uiteindelijk leidde tot een rechtszaak die eindigde met een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 december 2012 (zaak 20l2/AR/69). Onderhavig geschil betreft het project "S.N.s.i.".
N.V. I. heeft de BTW die zij betaald heeft in het kader van de oprichting van het betrokken onroerend goed integraal en onmiddellijk in aftrek gebracht. Zij stelt dat zij deze gebouwen heeft opgericht en gebruikt om ze ter beschikking te stellen als bergruimte voor de opslag van goederen, hetgeen een belastbare activiteit is.
1.2. Onderzoek, proces verbaal en dwangbevel.
Op 27 juli 2004 vatte de AOIF een onderzoek aan inzake directe belastingen en BTW voor wat betreft de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002. Hiervan werden processen verbaal opgemaakt op 9 december 2004 (voor 2001) en 21 december 2005 (voor 2002) (stukken B.1.a en B.1.b administratie). Deze processen verbaal werden ter kennis gebracht aan de belastingplichtige bij brieven van 16 december 2004 en 22 december 2005 (stukken B.2.a en B.2.b administratie). De administratie begaf zich op 27 juli 2004 ter plaatse en vroeg voorlegging van de boeken en stukken overeenkomstig artikel 61, §1 W.BTW. De contraeten van de verhuur van de bedrijfsruimten, andere dan deze waarbij uitsluitend kantoren werden verhuurd werden onderzocht (verder benoemd als contracten van "semi-industriële verhuur"). Er werden vaststellingen ter plaatse gedaan aan de Noordersingel bij negen huurders van deze industriehallen. Deze huurders bevestigden hun exclusieve toegang tot de door hen gehuurde units. De gehuurde units werden voor diverse doeleinden gebruikt (kantoorruimte, opslagruimte voor voorraad, onderdelen of materiaal, werkplaats voor herstellingen, kleinhandel). Volgens de verbalisanten werd geen enkele verhuurde industriehal uitsluitend ingericht als bergruimte voor de opslag van goederen, noch als zodanig gebruikt door de huurder voor het opslaan van zijn eigen goederen.
De verbalisanten besloten dat uit de inhoud van de contraeten en de vaststellingen ter plaatse niet bleek dat het ging om diensten van terbeschikkingstelling van bedrijfsruimte voor het opslaan van goederen, zodat artikel 44, §3, 2,a W.BTW niet van toepassing was. Het betrof derhalve volgens de administratie onroerende verhuur, vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, §3, 2° W.BTW. Bijgevolg kon volgens de verbalisanten geen recht op aftrek worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW.
Voor wat 2001 betreft was volgens de administratie aldus verschuldigd (zie proces verbaal van 9 december 2004, voormeld) : - als BTW: 562.551,43 EUR - als geldboete, overeenkomstig artikel 70, §1 en §1bis W.BTW : 1.125.102,80 EUR, verminderd en afgerond naar 56.250,00 EUR - als interesten: pro memorie.
Voor wat 2002 betreft was volgens de administratie aldus verschuldigd (zie proces verbaal van 21 december 2005, voormeld) : - als BTW: 305.670,98 EUR - als geldboete, overeenkomstig artikel 70, §1 en §lbis W.BTW : 611.341,96 EUR; - verminderd en afgerond naar 30.560,00 EUR - als interesten: pro memorie.
Vermits de gevraagde bedragen niet werden voldaan werden dwangbevelen uitgevaardigd op 15 december 2004 (voor 2001 : RCIV…) en op 22 december 2005 (voor 2002 : RCIV…) (stukken A.1.a en A.1.b administratie), waarvan kennis werd gegeven op 20 december 2004 en 22 december 2005 (stukken A.2.a en A.2.b administratie).
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 2 maart 2005 tekende N.V. I. verzet aan tegen het dwangbevel van 15 december 2004. Deze zaak was gekend onder AR 05/1543/ A.
Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 19 juli 2006 tekende N.V. I. verzet aan tegen het dwangbevel van 22 december 2005. Deze zaak was gekend onder AR 06/4673/A.
Elk van de zaken werd weggelaten van de rol en er later terug op geplaatst met de rolnummers 12/1927/A en 11/4967/A.
De eerste rechter voegde beide zaken samen wegens samenhang.
De eerste rechter oordeelde dat uit geen enkelobjectief gegeven bleek dat de vennootschap bij de oprichting van het gebouwencomplex werkelijk de intentie had om dit complex als nieuw gebouw te verkopen, zodat het stelsel van de onttrekking in de zin van artikel 12 W.BTW dan ook niet diende te worden toegepast. Hij oordeelde verder dat ontegensprekelijk vaststond dat het gebouwencomplex bij aanvang van de oprichting hoofdzakelijk bestemd was voor de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, zodat de aftrek van BTW terecht en juist werd uitgeoefend. Bij de latere bestemmingswijziging in 2001 werd volgens de eerste rechter terecht het stelsel van de herziening in de zin van artikel 48, §2 W.BTW toegepast. De vennootschap bewees geen fouten in de berekening van de herziening. Voor wat de vraag betreft of het ging om vrijgestelde onroerende verhuur, dan wel belastbare terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, oordeelde de eerste rechter dat dit niet afhing van de kwalificatie, door partijen gegeven aan de overeenkomsten, maar van de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen. Uit de gegevens van het dossier bleek dat het genot van de gehuurde ruimten het essentiële voorwerp was van de overeen-komsten, zodat de handelingen van N.V. I. bestonden uit vrijgestelde onroerende verhuur. Bijgevolg was het gebouwencomplex bij aanvang van de oprichting hoofdzakelijk bestemd voor de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, doch werd dit later gewijzigd naar onroerende verhuur. Er werd ook niet aangetoond dat deze kosten werden doorgerekend, zodat de aftrek van de voorbelasting ook om die reden niet kon worden toegestaan. De geldboeten waren volgens de eerste rechter wettelijk, voldoende gemotiveerd en ze stonden in een redelijke verhouding met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.
De vordering van de belastingplichtige werd afgewezen als toelaatbaar, doch ongegrond en N.V. I. werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 16.500,00 EUR voor beide zaken samen.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 8 oktober 2013, heeft de NV I. hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
N.V. l. vordert om het bestreden vonnis teniet te doen en om: - in hoofdorde : haar vordering ontvankelijk en deels gegrond te verklaren omwille van het feit dat er tussen partijen een rechtsgeldig akkoord bestaat dat dient uitgevoerd te worden. Ze vordert om dienvolgens de dwangbevelen, uitgevaardigd op 15 december 2004 en op 22 december 2005 te vernietigen in de volgende mate: ontheffing van BTW in hoofdsom voor 384.512,37 EUR en voor 209.262,35 EUR, vermindering van de boetes met 50% en berekening van de nalatigheidsinteresten met ingang van 21 januari 2005. Ze vordert derhalve om teruggave te horen bevelen van de ten onrechte betaalde en/of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding. - in ondergeschikte orde, voor zover het hof zou oordelen dat er geen uitvoerbare overeenkomst voorhanden is : de dwangbevelen van 15 december 2004 en 22 december 2005 te vernietigen, c.q. van nul en generlei waarde te horen verklaren en minstens de verjaring te horen uitspreken van de nagevorderde BTW over de jaren 1999 en 2000 waarvoor het recht op aftrek werd uitgeoefend. - in uiterst ondergeschikte orde: de administratieve geldboetes minstens ten belope van de helft van het bedrag kwijt te schelden, te zeggen voor recht dat slechts nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn op de BTW-navordering met ingang van 21 januari 2005 en te zeggen voor recht dat de ten onrechte door de vennootschap aan haar klanten gefactureerde BTW in de eerstvolgende BTW-aangifte nadat het arrest in kracht van gewijsde is gegaan, mag worden teruggevraagd door N.V. I. N.V. I. vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 16.500,00 EUR per aanleg.
De Belgische Staat vordert om het hoger beroep van NV I. ongegrond te verklaren, haar ervan af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen, met veroordeling van N.V. I. tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 16.500,00 EUR.
2. Bespreking.
2.1. Akkoord tussen partijen.
Volgens N.V. I. werd een akkoord bereikt over een aantal bedragen. De vennootschap verwijst hiervoor naar het ontwerp van dading (stuk 1 belastingplichtige) en de berekening gemaakt door de administratie in haar brief van 29 juli 2009 (stuk 2 belastingplichtige). Ze verwijst ook naar het feit dat ze in haar jaarrekening voor boekjaar 2010 een schuldvordering ten aanzien van de BTW-administratie heeft opgenomen voor een bedrag van 2.855.881,82 EUR.
De administratie van haar kant stelt dat voormelde stukken deel uitmaken van gevoerde onderhandelingen, dat geen akkoord tot stand kwam en dat de betwisting derhalve nog volledig gevoerd moet worden. Het akkoord kwam trouwens niet aan bod naar aanleiding van de eerdere betwisting in verband met het project “A.R.C”., die leidde tot het arrest van 4 december 2012 en evenmin bij de behandeling van onderhavig dossier voor de rechtbank van eerste aanleg. Er is volgens de administratie een schending van het vertrouwelijk karakter van de onderhandelingen.
Stuk 1 van de belastingplichtige betreft een 'ontwerp van dading', waarbij naast de FOD Financiën, administratie van de AOIF, sector BTW eveneens drie vennootschappen betrokken waren, met name N.V. l., N.V. V. en N.V. C.. In dit ontwerp van dading werd onder meer bepaald dat de administratie het principe van de aftrekbaarheid van de voorbelasting, geheven bij de oprichting van het semi-industrieel gebouw door N.V. I. aanvaardde, met uitzondering van de aftrek die betrekking had op de niet belastbare verhuur van afzonderlijke kantoorruimtes ingevolge BTW-beslissingen ET 108.597 van 13 januari 2005 en ET 84.364 van 29 september 1995 inzake gelijktijdige verhuur van kantoor- en bergruimten. De aftrek van de BTW, geheven bij de oprichting van de gebouwen zou bijgevolg bepaald worden op basis van de oppervlakte waarvoor BTW werd aangerekend (gemiddeld 68, 46%) ten opzichte van de oppervlakte waarvoor geen BTW werd aangerekend (gemiddeld 31,54%). De vorderingen RCIV … en RCIV … zouden overeenkomstig deze verhouding worden verminderd.
In de punten 10 en 11 van het ontwerp van dading werd bepaald: “10) De Belastingplichtigen zullen de door hen, overeenkomstig de hoger vermelde principes, verschuldigde belasting, boetes en interesten, betalen (inclusief toerekening van belasting-kredieten) op het eerste verzoek en volgens de modaliteiten opgegeven door de heer D., e.a. Inspecteur van het 2de BTW-Ontvangkantoor van Antwerpen.
11) Belastingplichtigen verklaren zich akkoord afstand te doen van de lopende gedingen voor het Hof van Beroep en de Rechtbank van eerste aanleg zodat beide partijen in gemeen overleg en d.b.v. hun raadslieden na ondertekening van huidige dading de nodige stappen zullen zetten met het oog op de doorhaling van het geding.
Dit ontwerp van dading werd opgemaakt in 2008 doch door geen der partijen ondertekend.
Op 29 juli 2009 stuurde de directeur a.i. van de AOIF een brief naar de toenmalige raadsman van N.V. I. (stuk 2 belastingplichtige). Daarin werd verwezen naar een vergadering van 18 juni 2009 waarin blijkbaar werd afgesproken dat aan de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvang-kantoor Antwerpen 2 opgedragen werd om voor een aantal schulden van de N.V. I. bij de BTW-administratie een herberekening te maken. Het betrof onder meer de vorderingen RCIV …en RCIV …. In een bij de brief gevoegde tabel werd een chronologische toerekening gemaakt, uitgaande van de BTW-bedragen waarover een akkoord werd bereikt, een voorwaardelijke boetevermindering tot 5% van de verschuldigde BTW en interesten berekend vanaf 21 januari 2005. De directeur vervolgde: "Een dading met de BTW-administratie op basis van voormelde verschuldigde BTW en uitgaande van de hiervoor beschreven premisse inzake boete en intresten, zou de NV I., ongeacht de wettelijk verschuldigde intresten op het tegoed, aldus - grosso modo - een vermindering opleveren van 1.383.601,65 EUR BTW, 381.129,77 EUR boete en 1.091.150,40 EUR intresten, hetzij in totaal 2.855.881,82 EUR. De berekening van het voormelde bedrag vindt u in de bijgevoegde tabel 2. "
Op de balans van N.V. I. voor boekjaar 2010 werd onder de rekening 411600 'Bijzondere BTW rekening' een debetsaldo geboekt van 2.855.881,82 EUR.
Het hof oordeelt dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat voormelde stukken niet aantonen dat een akkoord tot stand gekomen is, doch dat deze stukken enkel kaderen in de tussen partijen gevoerde onderhandelingen: - Stuk 1 betreft slechts een 'ontwerp van dading'. - Dit stuk werd niet gedateerd of ondertekend. - Uit de brief van 29 juli 2009, voormeld blijkt dat er op dat moment nog geen akkoord tot stand gekomen was. De herberekening die werd gemaakt kaderde in de lopende onderhandelingen tussen partijen en er wordt duidelijk vermeld dat een dading in die zin de N.V. I. een vermindering ZOU opleveren van 2.855.881,82 EUR. Dat met deze brief geen akkoord met het ontwerp van dading werd beoogd, werd bevestigd in de mails die door de directie werden gestuurd naar de bedrijfsrevisor in juli 2011 (stuk 65 administratief dossier). - Na de brief van 29 juli 2009 werd geen definitief stuk opgemaakt dat als dading zou gelden, hetgeen zeer vreemd is, gelet op de omvang van de betwisting en het feit dat er eerder wel een ontwerp op papier werd gezet. - De enkele boeking van een schuldvordering voor een bedrag van 2.855.881,82 EUR op de balans van de vennootschap levert niet het bewijs op van het feit dat een akkoord tot stand zou zijn gekomen. Het betreft een intern stuk van de belastingplichtige, waar de administratie niet bij betrokken was; - Bovendien werd de vermeende schuldvordering pas in boekjaar 2010 geboekt, daar waar de dading volgens de belastingplichtige reeds tot stand kwam in 2009. - Er is geen enkele BTW-aangifte waaruit blijkt dat de dading zou zijn uitgevoerd. - In het verslag van de commissaris over het boekjaar, afgesloten op 31 december 2011 en gericht aan de algemene vergadering van aandeelhouders (stuk 7 belastingplichtige) wordt opgemerkt dat de vordering van 2.885.881,82 EUR op de BTW-administratie het voorwerp uitmaakt van betwistingen en besprekingen : "De uitkomst van deze betwistingen en besprekingen is op het ogenblik van het afleveren van ons verslag geheel onzeker en geheel onbekend". - Onderhavige procedure in verband met de vorderingen RCIV …en RCIV …werd in de loop van 2005 en 2006 ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg, doch tijdelijk stilgelegd gelet op de gevoerde onderhandelingen. De zaken werden ambtshalve weggelaten van de algemene rol in de loop van 2011, wat op zich al in strijd is met de bewoordingen van het ontwerp van dading, volgens dewelke ingevolge de dading doorhaling zou worden gevraagd van de hangende gedingen. - Toen de Belgische Staat in maart 2012 verzocht om de zaken opnieuw op de rol te brengen, heeft de belastingplichtige hiertegen niet geprotesteerd, hetgeen vreemd mag genoemd worden indien er intussen een dading zou zijn tussengekomen. - In de loop van het geding voor de eerste rechter werd met geen woord gerept over de zogenaamde dading. Dat de vennootschap of haar toenmalige advocaten een dergelijk belangrijk akkoord 'over het hoofd hebben gezien' is bijzonder onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig. - In het kader van de eerder gevoerde procedure, in verband met het project "A.R.C." werd de betrokken dading evenmin ter sprake gebracht, hoewel ook de BTW, die bij dit project afgetrokken was in de onderhandelingen was betrokken en in het ontwerp van dading werd opgenomen.
Vermits geen akkoord tot stand kwam kan de belastingplichtige zich in deze dan ook niet beroepen op het vertrouwensbeginsel.
2.2. Ten gronde: wel of geen recht op aftrek.
Volgens de administratie heeft eiseres in hoger beroep ten onrechte de BTW die zij betaald heeft in het kader van de oprichting van voormelde gebouwen integraal en onmiddellijk in aftrek gebracht. Eiseres in hoger beroep stelt dat zij zich bezighield met de activiteit van het 'ter beschikkingstellen van bergruimten voor het opslaan van goederen' in de zin van artikel 18, §1, 9° W.BTW en dus met een belastbare activiteit, zodat zij de voorbelasting wel in aftrek kon brengen. Indien men van mening zou zijn dat er sprake is van gemengd gebruik, dan dient de bijzaak de hoofdzaak te volgen en is er dus wel recht op aftrek. Het is aan de belastingplichtige vennootschap, die het recht op aftrek wil uitoefenen om te bewijzen dat zij voldoet aan de voorwaarden daarvan. Dit is een toepassing van het algemeen principe dat wie iets beweert, het ook moet bewijzen ('actori incumbat probatio')(A.Bellens, 'De problematiek van het bewijs inzake BTW', in BTW-Handboek, Editie 2014, (H.Vandebergh, ed.), Larcier, Gent, 2014, Volume II, Deel XVIII, p.1432, nr.2639). Het feit dat het begrip onroerende verhuur strikt moet worden geïnterpreteerd doet hieraan geen afbreuk.
Een handeling, gesteld door een belastingplichtige in het kader van de economische activiteit kwalificeert in principe als een levering van een goed of als een dienstprestatie, waarbij als dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van goederen is (cfr. artikel 18, § 1 W.BTW).
Er bestaat geen betwisting dat het hier gaat om diensten en geen leveringen.
Sommige diensten worden evenwel van BTW vrijgesteld, zoals de onroerende verhuur (artikel 44, §3, 2° W.BTW). Het begrip onroerende verhuur dient restrictief geïnterpreteerd te worden, vermits het als vrijgestelde handeling een uitzondering betreft op het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven op elke dienst die door een belastingplichtige wordt verricht (H.v.J., 12 september 2000, Commissie/Ierland, Jur., p,l-6301, punt 52; H.v.J., 18 november 2004, BelgischeStaat/Temco Europe SA,T.F.R., 2005, nr.275, p.87, punt 17).
De onroerende verhuur is een communautair rechtsbegrip dat een communautaire definitie dient te krijgen. Aldus is er sprake van de verhuur van onroerende goederen wanneer een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent om een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (zie voormeld arrest H.v.J., 18 november 2004, punt 19 en de vorige arresten waarnaar in dit arrest wordt verwezen).
Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie gaat het om een betrekkelijk passieve activiteit die enkel verband houdt met het tijdsverloop en die geen toegevoegde waarde van betekenis overlevert.
Op de uitzondering dat onroerende verhuur vrijgesteld is van BTW, bestaan een aantal uitzonderingen. Zo is de dienst, die bestaat in de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen een belastbare dienst (artikel 44, §3, 2° W.BTW).
Het hof oordeelt dat de vraag of het gaat om de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van de goederen een feitenkwestie is, die eerder aan de hand van de werkelijke bedoeling van de partijen en de concrete omstandigheden dan aan de hand van de bewoordingen van een contract moeten worden beoordeeld.
Doorgaans vereist de administratie dat het bij deze dienst gaat om een afzonderlijk gebouw en wordt voorgehouden dat bij een terbeschikkingstelling van eenzelfde gebouw dat zowel wordt gebruikt als opslagruimte als voor de verkoop van de erin opgeslagen goederen of als kantoorruimte, de BTW-vrijstelling voor onroerende verhuur op het geheel van toepassing is. De administratie voorziet enkel een uitzondering wanneer het kantoor of de plaats die in de bergruimten is voorzien voor de personen, belast met het beheer van de opgeslagen goederen, voor zover de oppervlakte van dat kantoor of die plaats niet meer bedraagt dan 10% van de totale oppervlakte van dat gebouw (Beslissing, 29 september 1995, nr.ET 84.364, bevestigd in Beslissing, 13 januari 2005, nr.ET 108.597, www.fisconet.fgov.be). De rechtspraak is verdeeld over deze kwestie.
Wanneer de betrokken ruimte niet specifiek is ingericht of ontworpen als bergruimte voor het opslaan van goederen, moet gekeken worden naar het werkelijke gebruik waartoe het wordt aangewend (zie S. Clocheret, BTW-Handboek, Editie 2014, (H.Vandebergh, ed.), Larcier, Gent, 2014, Volume II, Deel XVII, p.1366, nr.2570).
De verbalisanten hadden naar aanleiding van hun bezoek ter plaatse op 17 november 2004 de volgende vaststellingen gedaan (zie processen verbaal van 9 december 2004 en 21 december 2005, voormeld) : "Het gebouwencomplex bestaat uit één gebouw, onderverdeeld in units, welke door tussenwanden worden gescheiden. Elke huurder kan één of meer units huren, welke met elkaar kunnen worden verbonden door het verwijderen van binnenmuren. Elke huurder behoudt de exclusieve toegang tot de gehuurde bedrijfsruimte. Ter bevestiging hebben wij alle bezochte huurders de vraag gesteld naar de exclusieve toegang en het exclusieve genot van de door hen gehuurde ruimten; allen hebben hierop bevestigend geantwoord.
Verder hebben wij vastgesteld dat: - het merendeel van de huurders zowel hun maatschappelijke en of administratieve zetel aldaar gevestigd hebben en hiervoor gebruik maken van de aldaar gelegen kantoren; twee van de bezochte firma's huren uitsluitend kantoorruimten; - sommige bedrijven er in een deel van de gehuurde bedrijfsruimte hun voorraad; onderdelen of materiaal onderbrengen; - sommige bedrijven er een werkplaats voor herstellingen hadden ingericht; - er een kleinhandel in dierenvoeding en verkoop van jonge dieren is gevestigd; - geen enkele verhuurde industriehol uitsluitend werd ingericht als bergruimte voor de opslag van goederen, noch als zodanig werd gebruikt door de huurder voor het opslaan van zijn eigen goederen".
De verbalisanten hadden ook de contracten van N.V. I. met de gebruikers van de goederen opgevraagd voor de onderzochte periode.
Uit deze contracten bleek dat ze bestempeld werden als 'huurcontracten', met aanduiding van N.V. I. als verhuurder en de gebruiker als de huurder en met gebruik van de term 'huur' in het contract. Voor de volledigheid merkt het hof op dat alle contracten betrekking hadden op de periode 2001 en/of 2002, behalve het contract met B.V.B.A. M.P.F., dat werd afgesloten op 23 mei 2003 (stuk 21 administratie). In het modelcontract (stuk 7 administratie) werd niet bepaald waarvoor de verhuurde ruimten bestemd waren. In de concrete contracten (stukken 10 tem 21 administratie) werd als bestemming vermeld: 'stockage van goederen', 'opslag goederen/distributie kranten', 'magazijn/atelier en kantoor', 'opslag voor meubels en eigen transportmaterieel', 'opslagplaats, werkplaats en kantoren', 'kantoor en opslagruimte' en 'opslagruimte'. Uit de vaststellingen van de verbalisanten bleek dat geen enkel goed exclusief werd ingericht of gebruikt als bergruimte.
Uit de bijgevoegde facturen blijkt ook dat de kantoren meestal een kleinere oppervlakte bestrijken dan de magazijnen, doch dat het deel van de huurprijs voor de kantoren doorgaans groter is dan dat, verschuldigd voor de magazijnen. In de meeste gevallen wordt op de factuur een opsplitsing gemaakt tussen de kantoren en de magazijnen en in elk geval blijkt dat de kantoren een substantieel aandeel uitmaken van de huurovereenkomst. Het gaat derhalve niet om een loutere bijkomstige ruimte.
De vaststellingen van de verbalisanten vallen onder toepassing van artikel59, §1, tweede lid W.BTW en leveren derhalve bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
De bevindingen van de verbalisanten worden bevestigd door de publiciteit die N.V. I. zelf gevoerd heeft in verband met het complex. Het complex 'S.N.s.i.' wordt daar omschreven als een complex van semi-industriële hallen met kantoren. Het complex omvat volgens deze berichtgeving units, opsplitsbaar naar de wens van de klant en kantoren met of zonder verbinding naar de hallen (stuk 26 administratie). Het complex werd ook te huur aangeboden als 'kantoren' (stuk 27 administratie).
Het hof oordeelt dat uit bovenstaande gegevens blijkt dat het betrokken onroerend goed niet hoofdzakelijk ter beschikking wordt gesteld als bergruimte voor de opslag van goederen.
De belastingplichtige toont evenmin aan dat de opslag van goederen de hoofdbestemming zou zijn van het complex: - I.C.: de bedrijfsruimte bevat naast de kantoren, een magazijn voor opslag van een beperkte voorraad van goederen en benodigdheden. Er was ook nog een interim werkkracht voor telemarketing aanwezig. - N.V. V. : huurt blijkens het contract 405m2 industriehal en 386 m2 kantoorruimte, verspreid over drie verdiepingen; later werd er nog 405m2 industriehal bijgehuurd. N.V. V. is een koerierbedrijf, hetgeen impliceert dat de goederen er niet lang opgeslagen liggen. - N.V. E. : de bedrijfsruimte bevat kantoren voor 23 administratieve medewerkers. In het magazijn worden geen goederen van de klanten opgeslagen, maar enkel eigen goederen. Het betreft eveneens een snelkoerierdienst. - D.M. huurde het onroerend goed voor opslag goederen en distributie van kranten; het bedrijf houdt zich bezig met de dagelijkse levering van 150.000 kranten en de verdeling van jaarlijks meer dan 200 miljoen stuks reclamedrukwerk en magazines. - CNS N.V. gebruikt de ruimte als magazijn/atelier en kantoor. Het betreft eveneens een koerierbedrijf. - B.V.B.A. C.S.: de bedrijfsruimte bevat kantoren voor drie verkopers, twee bedienden, bevoegd voor administratie en facturatie. Het magazijn bevat een voorraad handelsgoederen en een werkplaats voor herstellingen. - N.V. A. : volgens het contract gebruikt het bedrijf de ruimte voor opslag van meubels en eigen transportmaterieel. Blijkens de factuur bedroeg de huur voor het kantoor 160.935,00 EURen die voor het magazijn 314.065,00 EUR, beiden excl.BTW. - E.T.UK : volgens het huurcontract worden de lokalen gehuurd voor de stockage van goederen. Er konden geen vaststellingen worden gedaan. - N.V. S. : zowel de volledige ruimte van de eerste verdieping als een deel van het gelijkvloers zijn ingericht als kantoren voor de verkoop, de administratie, de logistiek en directie. De voorraad van de handelsgoederen wordt bewaard in het magazijn op de gelijkvloers en bevindt zich achter de karttoren op het gelijkvloers. - N.V. E.B.: de bedrijfsruimte bevat kantoren voor ongeveer een 35-tal administratieve werknemers en verkopers. Op het gelijkvloers bevinden zich een receptie, een grote kantine en een groot magazijn voor de receptie en stockage van toestellen en onderdelen voor de plaatsing en herstelling aan boord van schepen. Op de eerste en tweede verdieping bevinden zich uitsluitend kantoren. - N.V.D.C.: de bedrijfsruimte bestaat uit kantoren gelijkvloers en een magazijn gelijkvloers voor opslag van onderdelen en vervangonderdelen, alsmede een kleine werkplaats. - B.V.B.A. M.P.F.: de bedrijfsruimte is volledig ingericht als winkel voor allerlei benodigdheden en voeding voor dieren. Men kan er zelfs kleine hondjes kiezen en kopen.
Gelet op het substantieel aandeel van de kantoren, op de mogelijkheid om aan de hallen een andere bestemming te geven dan die van opslagruimte en op het veelal effectief gebruik daarvan voor een andere bestemming dan als opslagruimte, kan niet aangenomen worden dat de opslag van goederen de hoofdzaak betrof en dat de rest (kantoren, gebruik als maatschappelijke zetel, werkruimte, commerciële ruimte, distributieruimte voor pakjes en drukwerk) slechts bijzaak zou zijn. Het hof oordeelt dan ook dat de belastbare activiteit van de terbeschikkingstelling als bergruimte niet de hoofdzaak uitmaakt, doch wel het passief ter beschikking stellen van een onroerend goed, en dus de vrijgestelde verhuur in de zin van artikel44, §3, 2° W.BTW.
Vermits er ook geen duidelijke afsplitsing is van de activiteit van opslag en deze kadert binnen de onderneming van de gebruikers van de gehuurde ruimtes, kan er in deze evenmin toepassing gemaakt worden van de regel van het 'werkelijk gebruik'. Er kan de administratie in deze geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verweten worden, vermits de onderhandelingen met de fiscale administratie niet hebben geleid tot een akkoord (zie boven).
Het hof oordeelt dan ook dat de administratie en de eerste rechter terecht hebben geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van het onroerend goed een onroerende verhuur betrof, die vrijgesteld is overeenkomstig artikel 44, §3, 2° W.BTW.
2.3. Verjaring.
De belastingplichtige argumenteert dat de vordering minstens verjaard is voor wat 2001 betreft. Er is volgens de belastingplichtige immers nooit een wijziging van de bestemming geweest: de goederen zouden van bij de aanvang bestemd geweest zijn om te dienen voor terbeschikking-stelling als bergruimte voor het opslaan van goederen. De vordering verjaarde bijgevolg na het verstrijken van het derde jaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting zich heeft voorgedaan. Het deel van de vordering dat betrekking heeft op 2001 is bijgevolg verjaard. In elk geval deed de vermeende bestemmingswijziging zich volgens de belastingplichtige trouwens reeds voor in 2000, hetgeen blijkt uit het huurcontract, op 17 oktober 2000 afgesloten met N.V. S. (stuk 18 administratief dossier), zodat de verjaring voor 2001 in elk geval was ingetreden.
De administratie daarentegen stelt dat er wel een bestemmingswijziging is geweest : de gebouwen die aanvankelijk bestemd waren voor de terbeschikkingstelling als bergruimte werden later bestemd voor gewone verhuur. De verjaring begon derhalve pas te lopen vanaf de datum waarop de verplichting tot herziening ontstond, hetzij de uiterste indieningsdatum van de BTW-aangifte waarin de herziening moest gebeurd zijn. Volgens de administratie deed de bestemmingswijziging zich pas voor in de loop van 2001, vermits de onroerende goederen pas vanaf dan effectief in gebruik werden genomen.
Over de vraag welke de initiële bestemming was van N.V. I. bij de oprichting van het project “S.N.s.i.” bestaat in wezen geen discussie. Partijen zijn het erover eens dat de vennootschap bij de oprichting van de gebouwen geen intentie had om ze te verkopen. N.V. I. wenste zich ten aanzien van dit project derhalve niet te profileren als 'beroepsoprichter van gebouwen'. Anderzijds lag van bij de aanvang van het project de bedoeling voor om deze voor te behouden voor een bestemming 'terbeschikkingstelling als bergruimte'. Discussie stelt zich wel over de vraag of zich in de loop van 2001 een bestemmingswijziging heeft voorgedaan, in die zin dat de gebouwen, aanvankelijk bestemd voor de belastbare activiteit 'terbeschikkingstelling als bergruimte' vanaf dan werden bestemd voor de vrijgestelde activiteit van de onroerende verhuur.
Indien dit het geval zou zijn, dan is er sprake van een herziening van een initieel terecht toegepaste aftrek. In dat geval moet de belastingplichtige tot herziening overgaan in de BTW-aangifte van de maand volgend op de maand waarin de bestemmingswijziging heeft plaatsge-vonden (voor belastingplichtigen die maandelijkse aangiften indienen). De verjaringstermijn begint in dat geval pas te lopen vanaf de datum waarop de verplichting tot herziening ontstaat. In dat geval is de navordering, die dateert van 2004 (voor 2001) en 2005 (voor 2002) tijdig.
Indien er geen sprake is van een bestemmingswijziging, moet worden vastgesteld dat de aftrek van bij de aanvang ten onrechte werd toegepast en zal de verjaring van het recht op invordering van de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW intreden na het verstrijken van het derde jaar, volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en boeten zich heeft voorgedaan (artikel 81bis, §1 W.BTW).
Het hof stelt vast dat uit de voorgelegde huurcontracten blijkt dat de onroerende goederen gedeeltelijk met toepassing van de BTW en gedeeltelijk zonder BTW werden verhuurd: - Voor de klanten I.C., N.V.V., N.V. E., N.V.CNS, C.S. N.V., A. N.V., N.V. S. en N.V. E.B. werd een opsplitsing gemaakt tussen het kantoor en het magazijn, waarbij het eerste zonder BTW en het tweede met BTW werd verhuurd (stukken 10, 11,12,14, 15, 16, 18 en 19 administratie); - Voor wat betreft de klanten N.V. D.C. en B.V.B.A. M.P.F. werden geen facturen voorgelegd, doch werd in de huurovereenkomsten wel bepaald dat het basishuurbedrag en de kosten onder het BTW-stelsel vielen (stukken 20 en 21 administratie); - Voor de klanten D.M., E.T.U. LTD werd het geheel verhuurd met toepassing van de BTW (stukken 13, 17 administratie).
Het hof stelt vast dat er aldus wel degelijk, minstens voor een deel sprake is van een bestemmingswijziging van de onroerende goederen. Door deze goederen deels te verhuren zonder toepassing van de BTW gaf de belastingplichtige immers zelf aan dat ze deze goederen minstens deels bestemde voor een van de BTW vrijgestelde activiteit (onroerende verhuur).
De belastingplichtige stelt ten onrechte dat de bestemmingswijziging zich reeds voordeed in 2000. Het contract tussen N.V. I. en N.V. S., dat betrekking heeft op de verhuur van magazijnen/atelier en kantoren dateert weliswaar van 17 oktober 2000, doch in artikel 3 van het contract werd uitdrukkelijk gestipuleerd dat het contract slechts een aanvang nam op 1 januari 2001 en er werd pas een eerste factuur opgesteld op 23 mei 2001.
De administratie en de eerste rechter zijn dan ook terecht tot het besluit gekomen dat de verjaringstermijn nog niet verstreken was voor de jaren 2001 en 2002.
2.4. De boete.
De boete moet volgens de belastingplichtige worden kwijtgescholden, minstens met 50% worden verminderd ingevolge het tussengekomen akkoord.
Het hof stelt vast dat de boetes, die volgens de wet (artikel 70, §1 en §1bis W.BTW) in principe het dubbele bedragen van de verschuldigde belasting, reeds verminderd werden tot 10% en afgerond naar de lagere 10 EUR. Het hof oordeelt dat de aldus verlaagde boete in een redelijke verhouding staat tot de gepleegde inbreuk. Ten onrechte beroept de belastingplichtige zich eveneens op 'het akkoord' om een verdere verlaging van de boete te bekomen. Zoals hierboven reeds werd geoordeeld, kwam geen akkoord of dading tot stand.
2.5. Nalatigheidsinteresten.
Volgens de belastingplichtige had de administratie de nalatigheidsinteresten moeten kwijtschelden.
Overeenkomstig artikel 84bis W.BTW is het de gewestelijke directeur van de BTW die in bijzondere gevallen en onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling kan verlenen voor het geheel of een deel van de interesten. De rechtbanken en hoven hebben ter zake geen rechtsmacht.
Een akkoord om de interesten slechts te laten lopen vanaf 21 januari 2005 kwam niet tot stand (zie boven).
De belastingplichtige verzocht de gewestelijke directeur om een (gedeeltelijke) vrijstelling van nalatigheidsinteresten te willen verlenen (stukken 4 en 5 belastingplichtige). De gewestelijke directeur beantwoordde deze verzoeken bij brief van 5 mei 2014. Hij schreef dat een beslissing inzake vrijstelling van interesten uitgesteld werd tot na de uitspraak van de rechtbank in de onderhavige zaken (stuk 6 belastingplichtige).
Het hof stelt dan ook vast dat de gewestelijke directeur ter zake nog geen beslissing heeft genomen, zodat het hof een dergelijke beslissing in deze dan ook niet kan toetsen.
2.6. Neutraliteitsbeginsel.
De belastingplichtige argumenteert dat zij minstens recht heeft op teruggave van de BTW die zij ten onrechte heeft aangerekend aan de huurders van het onroerend goed en die zij heeft doorgestort aan de Belgische Staat. Het neutraliteitsbeginsel vereist dat er geen BTW kan verschuldigd zijn, wanneer de aftrek van de voorbelasting werd verworpen omdat het goed werd aangewend voor vrijgestelde handelingen. De verjaring van de vordering tot teruggave werd volgens de belastingplichtige geschorst door het verzet dat door de belastingplichtige tegen de betwiste dwangbevelen werd ingesteld. Deze schorsing duurt zolang het rechtsgeding hangende is.
Volgens de Belgische Staat was de BTW op de facturen die door N.V. I. werden uitgereikt verschuldigd, gelet op artikel 51, §1 W.BTW. Bovendien is de vordering tot teruggave verjaard en werd de verjaringstermijn niet geschorst.
Overeenkomstig artikel 82bis W.BTW verjaart de vordering tot teruggaaf van de belasting, de interesten en de boeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar, volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en geldboete zich heeft voorgedaan. Tot 7 juli 2003 bedroeg de verjaringstermijn vijf jaar.
Er bestaat geen betwisting over het feit dat de oorzaak van de teruggaaf zich in geval de BTW het bedrag te boven gaat die wettelijk verschuldigd is (artikel 77, §1 W.BTW) voordoet op de datum van betaling (artikel 14 K.B.nr 4 van 29 december 1969), met als gevolg dat de verjaringstermijn reeds verstreken was op het moment dat de belastingplichtige een verzoek tot teruggave formuleerde in zijn besluiten van 15 september 2014.
Volgens de belastingplichtige werd de verjaringstermijn evenwel geschorst door het geding, dat door de belastingplichtige aanhangig gemaakt werd op 2 maart 2005 en 19 juli 2006.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van het W.BTW, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring (artikel 83, §1, tweede lid W.BTW).
Het hof oordeelt evenwel dat de vordering die in deze werd ingesteld door de belastingplichtige in verzet tegen de dwangbevelen van 15 december 2004 en 22 december 2005 in deze niet schorsend konden werken ten aanzien van de verjaringstermijn. Deze vorderingen betroffen immers niet de BTW die door N.V. I. was gevorderd van haar klanten (huurders), doch wel de navordering van de BTW die N.V. I. had afgetrokken naar aanleiding van het tot stand brengen van het gebouw.
De belastingplichtige stelt dat aldus het neutraliteitsprincipe werd geschonden doordat BTW werd afgedragen, terwijl de desbetreffende voorbelasting niet in aftrek kon worden gebracht.
Voor wat betreft de teruggaaf van bij vergissing gefactureerde BTW, bepaalt de richtlijn geen enkele bepaling over de herziening van de ten onrechte gefactureerde BTW door de opsteller van de factuur. Het is in dat geval aan de lidstaten om te bepalen onder welke voorwaarden de ten onrechte gefactureerde BTW kan worden herzien. Het is dan aan de lidstaten om ter waarborging van de neutraliteit van de BTW in hun nationale recht de mogelijkheid op te nemen om, wanneer de opsteller van de factuur aantoont dat hij te goeder trouw is, alle ten onrechte gefactureerde belasting te herzien. Wanneer de opsteller van een factuur tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld, verlangt het beginsel van neutraliteit van de BTW dat de ten onrechte gefactureerde BTW kan worden herzien zonder dat deze herziening door de lidstaten afhankelijk kan worden gesteld van de goede trouw van de opsteller van die factuur. De herziening van de BTW kan niet afhangen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de belastingdienst (H.v.J., 11 april 2013, C-138/12, Rusedespred OOD, overweging 27).
In deze stelt het hof vast dat de belastingplichtige niet tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten heeft uitgeschakeld. De vennootschap heeft immers niet tijdig een vordering tot teruggaaf ingesteld, en de formaliteiten dienaangaande nageleefd, zodat de fiscale administratie de ten onrechte door de huurders van het onroerend goed afgetrokken BTW niet meer kan recupereren. De belastingplichtige had de mogelijkheid om teruggave van de teveel betaalde belasting te vragen kunnen vrijwaren door tijdig een vordering tot teruggave in te stellen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het is trouwens naar Gemeenschapsrecht aan de lidstaten toegelaten om verjaringstermijnen in te stellen, en dergelijke termijnen maken de uitoefening van de door het Gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk (cfr.Gent, 27 juni 2006, T.F.R., 2007, nr.322, p.436, met noot K.Heyrman). Het Hof van Justitie heeft reeds geoordeeld dat het beginsel van de fiscale neutraliteit niet wordt gehanteerd om uit te maken of het recht van de Unie in de weg staat aan een nationale regeling die voorziet in verjaringstermijnen voor de vordering tot teruggaaf van BTW (H.v.J., 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer en H.v,J., 21 januari 2010, C-472/08, Alstom Power Hydro).
Er ligt dan ook kennelijk geen schending van het neutraliteitsprincipe voor.
3. Beslissing.
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak. De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken. Het hof verklaart het hoger beroep van de NV I. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis. Het hof veroordeelt de NV IMOBE tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op € 16.500,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 06 januari 2015 door
D. W. Voorzitter M. G. Raadsheer C. P. Raadsheer L. K. Griffier
|
|||||||