Arrêt de la Cour d?Appel de Bruxelles du 21.01.2010

Datum :
21-01-2010
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Point de départ du délai d?appe

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d’Appel de Bruxelles du 21.01.2010
Arrêt de la Cour d’Appel de Bruxelles du 21.01.2010
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d’Appel de Bruxelles du 21.01.2010
Document date : 21/01/2010
Keywords : délai d'appel
Decision : Favorable
Document language : FR
Name : Arrêt de la Cour d’Appel de Bruxelles du 21.01.2010
Version : 1
Court : appeal/BruxBrus_appeal

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 21.01.2010

Point de départ du délai d'appel

EE/ 99.363

Conformément à l'art. 57 C. jud., le point de départ du délai d'appel est en principe la signification du jugement.

Le dossier contient une copie de l'exploit d'huissier du 1er septembre 2005 reprenant la signification du jugement contesté.

Cet acte authentique émanant de l'huissier mentionne expressément qu'il a signifié le jugement le 1er septembre 2005 et précise : « Et pour que la partie signifiée n'en soit pas ignorante, j'ai laissé (…) une copie du présent exploit, ainsi que le jugement qui y est mentionné, si nécessaire sous enveloppe fermée, conformément à la Loi ».

Les mentions de la signification et le dépôt de la copie de l'exploit bénéficient de la force probante particulière qui est attribuée légalement aux actes authentiques (art. 1319 C. civ.). Cette force probante ne peut être contestée que via une procédure d'inscription en faux des actes publics. L'appelante n'a pas initié une telle procédure et a déclaré en audience qu'elle n'avait pas l'intention de le faire.

La Cour peut en conclure que le jugement a bien été signifié le 1er septembre 2005. Aucune exception  reprise à l'article 57 C. jud. n'est d'application.

La requête en appel a été déposée le 4 octobre 2005 et elle était par conséquent tardive.

L'appel est déclaré irrecevable car tardif.

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2005/AR/2569

Openbare terechtzitting van 21.01.2010

IN ZAKE VAN :

De BVBA B. G., met maatschappelijke zetel te T., met ondernemingsnummer …,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester J. E., advocaat te H.,

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Regentschapstraat 54,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd  door Meester B., loco Meester  J. H., advocaat te H.,

***

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 24 juni 2005 (A.R. nr. 2001/2244/A).

R. 2010/547 EINDARREST - onontvankelijk

Tegen dit vonnis werd volgens appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 4 oktober 2005. Dit wordt evenwel in twijfel getrokken door geïntimeerde, die aldus de ontvankelijkheid van het hoger beroep betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.

Deze vordering strekte tot de terugbetaling van 8.586,00 EUR betaalde registratierechten, vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf datum dagvaarding.

I. DE FEITEN

Op 1 juni 2001 kocht appellante, bij een openbare verkoop gehouden voor notaris G. S. te T., een garagegebouw met aanhorigheden voor de prijs van 210.709,50 EUR (8.500.000 BEF).

Deze openbare verkoop was het gevolg van het faillissement van de NV V. R. & Z., en het onroerend goed in kwestie werd verkocht op verzoek van de curator van dit faillissement.

Het door O. afgeleverde bodemattest vermeldde dat het onroerend goed in kwestie opgenomen was in het register van verontreinigde gronden. Op basis van het beschrijvend bodemonderzoek, dat werd uitgevoerd, besloot O. dat op het betrokken perceel een bodemsaneringsproject diende te worden opgesteld. Door de curator werd een bodemsaneringsproject voorgelegd aan O.

De verkoopsvoorwaarden bepaalden dat de koper alle verplichtingen, die de overdrager ingevolge het bodemsaneringdecreet moet vervullen om tot overdracht over te gaan, op zich neemt en op eigen kosten zal uitvoeren. Deze kosten werden in het bodemsaneringsproject op 66.187,57 EUR (2,670.000 BEF) geraamd. De registratierechten werden ook geheven op dit bedrag van 66.187,57 EUR (2.670.000 BEF).

Op 2 oktober 2001 ging appellante over tot dagvaarding. Appellante vorderde de terugbetaling van 8.586,00 EUR (346.358 BEF) betaalde registratierechten, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding.

In het bestreden vonnis van 24 juni 2005 wees de rechtbank te L. de vordering van appellante af. De eerste rechter oordeelde dat de verplichting voor de koper om de bodemsaneringswerken uit te voeren een last uitmaakt die door de overeenkomst aan de koper boven de prijs werd opgelegd en dat deze last samen met de prijs de contractuele tegenprestatie van het verkochte goed vertegenwoordigt. Welnu, overeenkomstig art. 45 W. Reg. wordt het recht voor de verkopingen vereffend op het bedrag van de bedongen prijs en lasten.

II . DISCUSSIE

a ) Wat de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft

Geïntimeerde roept in dat het bestreden vonnis op zijn verzoek werd betekend op 1 september 2005. In deze werd het verzoekschrift tot hoger beroep pas op 4 oktober 2005 neergelegd, dus naar zijn oordeel laattijdig.

Van haar kant wijst appellante erop dat de handelende gerechtsdeurwaarder het exploot van betekening aan haar heeft overgemaakt per aangetekend post van vrijdag 2 september 2005, zodat de afgifte aan haar ten vroegste op maandag 5 september 2005 heeft kunnen plaatsvinden. Terzake verwijst appellante naar art. 57 Ger. W., dat stelt dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen begint te lopen vanaf de betekening van het vonnis of, in voorkomend geval, vanaf de afgifte of het achterlaten van het afschrift. Appellante meent dan ook dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen is aangevangen op 5 september 2005, om te verstrijken op 4 oktober 2005, dag waarop het verzoekschrift werd neergelegd. Ondergeschikt houdt zij voor dat er minstens sprake is van overmacht in haren hoofde, nu zij er naar eigen zeggen op mocht vertrouwen dat haar raadsman in kennis werd gesteld van de betekening van het vonnis, hetgeen evenwel niet is gebeurd.

***

Overeenkomstig art. 57 Ger. W. is het aanvangspunt van de beroepstermijn in beginsel de betekening van het vonnis.

In deze bevat het dossier van geïntimeerde een kopie van het exploot van gerechtsdeurwaarder M. T. te D. van 1 september 2005 houdende betekening van het bestreden vonnis (zie stuk A, 3. van geïntimeerde).

Deze authentieke akte uitgaande van voornoemde gerechtsdeurwaarder vermeldt uitdrukkelijk dat deze op 1 september 2005 het vonnis heeft betekend en preciseert verder het volgende ; "En opdat betekende partij hiervan niet onwetend zou zijn, zo heb ik haar gelaten (...) een afschrift van mijn huidig exploot, alsmede van de uitspraak erin vermeld, indien nodig onder gesloten omslag, overeenkomstig de Wet".

Deze vermeldingen van betekening en van het laten van een afschrift van het exploot genieten de bijzondere bewijskracht die wettelijk wordt toegeschreven aan authentieke akten (art. 1319 B.W.). Deze bewijskracht kan maar worden aangevochten via een procedure van inschrijving wegens valsheid in openbare geschriften. Ter zitting van het hof van 22 oktober 2009 verklaarde appellante een dergelijke valsheidprocedure niet te hebben ingesteld en evenmin de bedoeling te hebben deze procedure in te stellen. Derhalve mag het hof ervan uitgaan dat het vonnis inderdaad op 1 september 2005 werd betekend, betekening die de beroepstermijn heeft doen lopen.

Voormeld art. 57 Ger. W. voorziet in sommige gevallen als vertrekpunt van de beroepstermijn de dag van de kennisgeving van het vonnis, maar de beoogde gevallen zijn gevallen waarin niet tot betekening van het vonnis werd overgegaan.

Van haar bewering dat haar raadsman op 3 september 2005 zijn tussenkomst meldde aan de raadsman van geïntimeerde, in opvolging van haar vorige raadsman, met uitdrukkelijk verzoek geen kosten van betekening te maken, legt appellante niet het minste bewijs voor. Derhalve kan zij zich niet beroepen op overmacht uit hoofde van het niet-mededelen door de raadsman van geïntimeerde van de inmiddels tussengekomen betekening;

Derhalve dient het hoger beroep onontvankelijk te worden verklaard, wegens laattijdigheid.

b ) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare zitting van het hof van 22 oktober 2009 verklaarde appellante het bedrag van de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep te begroten op het minimumbedrag van 500 EUR, terwijl geïntimeerde het basisbedrag van 900 EUR vorderde.

In deze ziet het hof geen enkele valabele reden om af te wijken van het basisbedrag.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellante onontvankelijk;

Veroordeelt appellante tot de beroepskosten, begroot op 900,00 EUR voor appellante en op 900,00 EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 21.01.10

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

(…)