Arrêt de la Cour d?Appel de Gand dd. 13.06.2006, Cause 2002/AR/1211

Datum :
13-06-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

impôt des sociétés;impôt des non-résidents personnes physiques;revenu belge;précompte professionnel;société étrangère;sportif;sportif étranger;régime fiscal d'un sportif;régime fiscal d'un sportif étranger;convention préventive de la double imposition;Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord;Pays-Bas;Suède;Finlande;Afrique du

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d’Appel de Gand dd. 13.06.2006, Cause 2002/AR/1211
Arrêt de la Cour d’Appel de Gand dd. 13.06.2006, Cause 2002/AR/1211
Document
Content exists in : fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d’Appel de Gand dd. 13.06.2006, Cause 2002/AR/1211
Document date : 13/06/2006
Keywords : impôt des sociétés / impôt des non-résidents personnes physiques / revenu belge / précompte professionnel / société étrangère / sportif / sportif étranger / régime fiscal d'un sportif / régime fiscal d'un sportif étranger / convention préventive de la double imposition / Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord / Pays-Bas / Suède / Finlande / Afrique du Sud / Allemagne / Etats-Unis d'Amérique
Decision : Favorable
Document language : FR
Name : Arrêt de la Cour d’Appel de Gand dd. 13.06.2006, Cause 2002/AR/1211
Version : 1
Court : appeal

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand dd. 13.06.2006, Cause2002/AR/1211

 

Impôtdes sociétés.

Impôt des non-résidents personnesphysiques.

Revenu belge.

Précompteprofessionnel.

Sociétéétrangère.

Sportif.

Sportifétranger.

Régimefiscal d'un sportif.

Régimefiscal d'un sportif étranger.

Conventionpréventive de la double imposition.

Royaume-Unide Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord.

Pays-Bas.

Suède.

Finlande.

Afriquedu Sud.

Allemagne.

Etats-Unisd'Amérique.

 

 

Résumé

 

Selonles articles 228, §1 et §2, 8° du C.I.R. 1992 sontimposables en Belgique les revenus, quelle qu'en soit laqualification, de l'activité exercée personnellementen Belgique par un artiste du spectacle ou un sportif, en leurqualité d'artiste ou de sportif, et ce, mêmelorsque ces revenus sont attribués non pas àl'artiste ou au sportif lui-même, mais à une autrepersonne physique ou morale. Le but de cette disposition est decontrecarrer la manœuvre d'évasion fiscale quiconsisterait à exercer ce type d'activité sousle couvert d'une sociétéétrangère ne disposant pas d'unétablissement stable en Belgique. Conformémentà cette disposition, en l'espèce, les revenuslitigieux sont taxables en Belgique, même s'ils ontété payés via un « ProCircuit » établi en Grèce.

 

C'e stdonc à tort que l'appelante prétend que,puisque les pilotes ont un contrat fixe avec Pro Circuit etqu'ils sont systématiquement payés enGrèce ou ailleurs à l'étranger, leursrevenus ne peuvent être considérés commeperçus en Belgique. En effet, la prestation de ces pilotesest effectuée en Belgique, et c'est cette prestationqui leur donne le droit à leur rémunération.Celle-ci, par conséquent, doit bien êtreconsidérée comme perçue enBelgique.

 

 

Texteintégral

 

Hof vanberoep

teGent

 

5bekamer

 

terechtzitting

van

13-06-2006

 

BELASTINGEN

 

Nr.2002/AR/1211

 

in dezaak van:

 

I.S.P. N.V.,in vereffening, met maatschappelijke zetel te …,ingeschreven in het handelsregister te …onder het nummer…, vertegenwoordigd door haar vereffenaar, de heer V.G.,wonende te …,

 

appellante,

terterechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.M. S. loco mr. B.F.,advocaat te …,

 

tegen:

 

 

DEBELGISCHE STAAT, FODFinanciën, in de persoon van de Gewestelijke Directeur derdirecte belastingen te Gent, Taxatie, wiens kantoor gevestigd is te9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 postbus 604,

 

geïntimeerde,

terterechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. G. loco mr. V.A. E.,advocaat te …, …< /span>

 

 

spreekthet Hof het volgend arrest uit:

 

 

1.

Bij fiscaalverzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eersteaanleg te Gent op 1.3.2000 bestreed de appellante de beslissing van10.1.2000 van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijkedirecteur der directe belastingen te Gent-Taxatie, waarbij hetbezwaar van de appellante tegen de aanslag in debedrijfsvoorheffing voor het aanslagjaar 1994 (kohierartikel540047) ongegrond werd verklaard.

 

De appellantevorderde voor de rechtbank van eerste aanleg dat de bestredenbeslissing teniet zou worden gedaan, haar bezwaarschrift zou wordentoegestaan als ontvankelijk en gegrond, zou gezegd worden voorrecht dat geen bedrijfsvoorheffing diende te worden ingehouden doorde appellante en de bestreden aanslag derhalve nietigis.

 

Bij vonnis van28.3.2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer,werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd deappellante veroordeeld tot de kosten.

 

Bijverzoekschrift neergelegd ter griffe van het Hof van beroep te Gentop 29.05.2002 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen hetvermelde vonnis.

 

Het blijktniet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zouhebben berust.

 

Met haar hogerberoep streeft de appellante de vernietiging van het vermeldevonnis na, en vordert zij dat haar oorspronkelijke vorderingontvankelijk, toelaatbaar en gegrond zou wordenverklaard.

 

Degeïntimeerde van zijn kant vordert dat het hoger beroepongegrond zou worden verklaard.

 

 

2.

Hetstaat niet ter betwisting:

 

• dat op17.12.1994 en 18.12.1994 in de hallen van Flanders Expo eenmotorcross-  evenement plaatsgreep;

• dat dein de conclusies van beide partijen met naam opgesomde buitenlandsemotorrijders     persoonlijk aan dit evenementdeelnamen en hiervoor een vergoeding kregen,

 

Dezevergoedingen werden, althans volgens de factuur van …(stuk2/6 van de geïntimeerde) en de er op voorkomende vermeldingen,globaal betaald door de appellante aan … op basis van dezefactuur.

 

Over debedragen van de aan de piloten individueel toegekomen vergoedingenbestaat geen betwisting (zie trouwens ook de brief van de raadsmanvan de appellante, stuk 12/11-14 van de geïntimeerde, waarindie bedragen worden gehanteerd).

 

3

De motorrijderW. E. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van 285.000 BEF(7.064,97 EUR), en de motorrijder N.S. een vergoeding van 24.500BEF (607,34 EUR). Er is geen betwisting over dat beiden inwonerszijn van Groot-Brittannië, wat trouwens impliciet blijkt uithet feit dat beide partijen de toepassing van artikel 17 van hetBelgisch-Brits dubbelbelastingverdrag nastreven.

 

HetBelgisch-Brits dubbelbelastingverdrag (de overeenkomst van 1.6.1987tussen de Regering van het Verenigd Koninkrijk vanGroot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van hetKoninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting entot liet voorkomen van het ontstaan van belasting naar inkomen ennaar vermogenswinsten, ondertekend te Brussel) voorziet in zijnartikel 17 §1:

 

" Niettegenstaandede bepalingen van de artikelen 14 en 15 van deze Overeenkomst mogeninkomsten die een inwoner van een overeenkomstsluitende Staatverkrijgt uit zijn persoonlijke werkzaamheden die hij in de andereovereenkomstsluitende Staat verricht in de hoedanigheid vanartiest, zoals toneelspeler, film-, radio- of televisieartiest, ofmusicus, of in de hoedanigheid van sportbeoefenaar, in die andereStaat worden belast. "

 

Hetartikel 17 § 2 van zelfde dubbelbelastingverdragbepaalt:

 

" Indieninkomsten uit werkzaamheden die een artiest of een sportbeoefenaarpersoonlijk en als zodanig verricht, niet worden toegekend aan deartiest of aan de sportbeoefenaar zelf maar aan een andere persoon,mogen die inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van deartikelen 7, 14 en 15 van deze Overeenkomst worden belast in deovereenkomstsluitende Staat waar de werkzaamheden van de artiest ofde sportbeoefenaar worden verricht. "

 

Deprestaties werden te dezen in Flanders Expo in Belgiëgeleverd, zodat krachtens de vermelde verdragsbepaling Belgiëbevoegd was om de vergoedingen van de vernielde Britse motorrijdersvoor die prestaties te belasten. De omstandigheid dat de appellantestelt dat zij krachtens een overeenkomst met …, die tot taakzou hebben gehad buitenlandse piloten aan te stellen voor hetmotorcross-evenement en hen te betalen voor hun deelname, enkel eenéénmalig gefactureerd bedrag van 1.848.500 BEF(45.823,12 EUR) betaalde, en niets betaalde aan de motorrijderszelf, met wie zij geen overeenkomst had, heeft gelet op lietbepaalde in vermeld artikel 17 § 2 geen invloed op debelastbaarheid in België.

 

Krachtens deartikelen 228 § 1 en § 2, 8° WIB/1992 wordt debelasting geheven van inkomsten van welke aard ook, uit een inBelgië door een podiumkunstenaar of een sportbeoefenaarpersoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheid, zelfs indien deinkomsten niet worden toegekend aan de podiumkunstenaar of aan desportbeoefenaar zelf, maar aan een andere natuurlijke persoon ofrechtspersoon. Bedoeling van die bepaling is de belastingontwijkingtegen te gaan die erin bestaat te handelen via een buitenlandsevennootschap zonder vaste inrichting in België (zie hetVerslag namens de Commissie voor Financiën, Part. Besch.Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/9, p. 158). In toepassing van diebepaling zijn deze inkomsten in België belastbaar, ook indienzij werden betaald via de in Griekenland gevestigde….

 

Ten onrechtevoert de appellante aan dat, indien de piloten een vast contracthebben met … en systematisch betaald worden in Griekenlandof elders, de inkomsten van de piloten niet verkregen zijn inBelgië. Het optreden van de motorcrossers gebeurde inBelgië en dit optreden geeft hun recht op een tegenprestatie,de vergoeding. Deze vergoeding is derhalve verkregen inBelgië. Hierbij is het zonder belang of de motorcrossersbetaald worden op een vast contract, met een vaste wedde (artikel228 § 2, 8° WB/1992 heeft het over inkomsten " ... vanwelke aard ook ") of in Griekenland of elders betaald worden.Volgens de offerte moest trouwens betaald worden in België opde rekening van … bij de BBL-Belgium, dus in België(zie stuk 2/5 van de geïntimeerde).

 

Deschuldenaars van de bedrijfsvoorheffing op deze vergoedingen wordenaangegeven in artikel 270 § 3 WIB/1992, nl. degenen die alsschuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228§ 2, 8° WIB/1992 vermelde inkomsten van podiumkunstenaarsof sportbeoefenaars betalen of toekennen of bij ontstentenisdaarvan de organisator van de vertoningen of van desportwedstrijden.

 

Het is deappellante die de belastbare inkomsten heeft betaald alsschuldenaar, zij het aan een derde rechtspersoon, wat zoals hogeraangehaald geen beletsel is voor de belasting, zodat de appellantete beschouwen is als schuldenaar in toepassing van artikel 270§ 3 WIB/1992.

 

De appellantekon er verder niet onwetend over geweest zijn dat in de globalefactuur van … de vergoedingen voor de piloten begrepenwaren. Het is trouwens niet aanneembaar dat de appellante alshandelaar, van wie mag verwacht worden dat hij in hethandelsverkeer een normale omzichtigheid aan de dag legt, niet opde hoogte zou zijn geweest van het detail van de aan de pilotenverschuldigde vergoedingen en zo maar klakkeloos bereid zougevonden zijn om een niet onbelangrijk bedrag van 1.848,500 BEF(45.823,12 EUR) te betalen zonder het detail ervan te kennen. Dezebeweerde onwetendheid is des te minder aanneembaar nu … eenkredietnota liet geworden aan de appellante (stuk 2/7 van degeïntimeerde) onder de mededeling dat er een optellingsfoutwas wat de vergoeding voor de piloot C.D. betrof (zie dit stuk: "We would like to inform you that we have found an addition error inthe riders contracts. There is a double payment for rider C.D. ",vrij vertaald uit het Engels als: "Wij wensen U ervan op de hoogtete brengen dat we een optellingsfout hebben gevonden in decontracten van de piloten. Er is een dubbele betaling voor depiloot C.D."). Het is immers voor de appellante niet mogelijk dejuistheid van de optelfout en van de kredietnota na te gaan zonderhet detail te kennen van wat aan de piloten verschuldigd was. Hoedan ook zou de appellante zich achter dergelijke beweerdeonwetendheid niet kunnen schuilhouden om de bedrijfsvoorheffingniet te moeten betalen: zij diende te weten dat zij schuldenaar wasvan de bedrijfsvoorheffing en desnoods van … te eisen dathaar het detail van de vergoedingen zou worden meegedeeld, wattrouwens in een handelsrelatie vanzelfsprekend is.

Afgezien vande vraag of een eventuele door de piloten aan … betaaldecommissie uit hun vergoeding moet geweerd worden voor het bepalenvan de berekeningsbasis van de bedrijfsvoorheffing, moet wordenvastgesteld dat niets toelaat te vermoeden dat dergelijke commissiebegrepen is in de voor de prestaties van de piloten betaaldevergoeding. Het gaat om een loutere, niet bewezen veronderstellingvan de appellante.

Terecht werdten name van de appellante bedrijfsvoorheffing geheven op devergoedingen van de Britse piloten W.E. en N.S.

 

4.

De motorrijderM.H. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van 100.000 BEF(2.478,94 EUR), en de motorrijder A.S. een vergoeding van 20.000BEF (495,79 EUR). Er is geen betwisting over dat beiden inwonerszijn van Zweden, wat trouwens impliciet blijkt uit liet feit datbeide partijen de toepassing van artikel 17 van het Belgisch-Zweedsdubbelbelastingverdrag nastreven.

 

HetBelgisch-Zweeds dubbelbelastingverdrag (de overeenkomst van 5februari 1991 tussen het Koninkrijk België en het KoninkrijkZweden tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomenvan het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomenen naar het vermogen, ondertekend te Stockholm) voorziet in zijnartikel 17 § 1:

 

 

" Niettegenstaandede bepalingen van de artikelen 14 en 15, mogen inkomsten die eeninwoner van een overeenkomstsluitende Staat verkrijgt uit zijnpersoonlijke werkzaamheden die hij in de andereovereenkomstsluitende Staat verricht in de hoedanigheid vanartiest, zoals toneelspeler, film-, radio- of televisieartiest, ofmusicus, of in de hoedanigheid van sportbeoefenaar, in die andereStaat worden belast. "

 

 Hetartikel 17 § 2 van zelfde dubbelbelastingverdragbepaalt:

 

" Indieninkomsten uit werkzaamheden die een artiest of een sportbeoefenaarpersoonlijk en als zodanig verricht, niet worden toegekend aan deartiest of aan de sportbeoefenaar zelf maar aan een andere persoon,mogen die inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van deartikelen 7, 14 en 15, worden belast in de overeenkomst sluitendeStaat waar de werkzaamheden van de artiest of de sportbeoefenaarworden verricht. "

 

Deprestaties werden te dezen in Flanders Expo in Belgiëgeleverd, zodat krachtens de vermelde verdragsbepaling Belgiëbevoegd was om de vergoedingen van de vermelde Zweedse motorrijdersvoor die prestaties te belasten. De omstandigheid dat de appellantestelt dat zij krachtens een overeenkomst met …, die tot taakzou hebben gehad buitenlandse piloten aan te stellen voor hetmotorcross-evenement en hen te betalen voor hun deelname, enkel eeneenmalig gefactureerd bedrag van 1.848.500 BEF (45.823,12 EUR)betaalde, en niets betaalde aan de motorrijders zelf, niet wie zijgeen overeenkomst had, heeft gelet op het bepaalde in vermeldartikel 17 § 2 geen invloed op de belastbaarheid inBelgië.

 

Om zelfderedenen als aangehaald onder punt 3 hierboven en in zelfdetoepassing als de aldaar besproken artikelen 228 § 1 en §2, 8° en 270 § 3 WIB/ 1992 moet worden vastgesteld datterecht ten name van de appellante bedrijfsvoorheffing werd gehevenop de vergoedingen van de Zweedse piloten M.H. en A.S.

 

 

5

De motorrijderO.V. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van 12.000 BEF(297,47 EUR), de motorrijder R.V. een vergoeding van 21.000 BEF(520,58 EUR), en de motorrijder A.V.A. een vergoeding van 11.500BEF (285,08 EUR) . Er is geen betwisting over dat allen inwonerszijn van Nederland, wat trouwens impliciet blijkt uit het feit datbeide partijen de toepassing van artikel 17 van hetBelgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag nastreven.

 

HetBelgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag (de overeenkomst van 19oktober 1970 tussen de Regering van het Koninkrijk België ende Regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijdenvan dubbele belasting op het gebied van belastingen naar hetinkomen en naar het vermogen en tot vaststellen van enige andereregelen verband houdende met de belastingheffing, en het protocolondertekend te Brussel) voorziet in zijn artikel 17:

                                                 

" Niettegenstaandede bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen voordelen ofinkomsten die beroepsartiesten zoals toneelspelers,films-,

radio-of televisieartiesten en musici, alsmede sportbeoefenaars, alszodanig uit hun persoonlijke werkzaamheden verkrijgen, wordenbelast in de Staat waar deze werkzaamheden wordenverricht."

 

De prestatieswerden te dezen in Flanders Expo in België geleverd, zodatkrachtens de vermelde verdragsbepaling België bevoegd was omde vergoedingen van de vermelde Nederlandse motorrijders voor dieprestaties te belasten.

 

Krachtens deartikelen 228 § 1 en § 2, 8° WIB/1992 wordt debelasting geheven van inkomsten van welke aard ook, uit een inBelgië door een podiumkunstenaar of een sportbeoefenaarpersoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheid, zelfs indien deinkomsten niet worden toegekend aan de podiumkunstenaar of aan desportbeoefenaar zelf, maar aan een andere natuurlijke persoon ofrechtspersoon. Bedoeling van die bepaling is de belastingontwijkingtegen te gaan die erin bestaat te handelen via een buitenlandsevennootschap zonder vaste inrichting in België (zie hetVerslag namens de Commissie voor Financiën, Parl. Besch.Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/9, p. 158). In toepassing van diebepaling zijn deze inkomsten in België belastbaar, ook indienzij werden betaald via de in Griekenland gevestigde…

 

Tenonrechte voert de appellante aan dat, indien de piloten een vastcontract hebben met … en systematisch betaald worden inGriekenland of elders, de inkomsten van de piloten niet verkregenzijn in België. Het optreden van de motorcrossers gebeurde inBelgië en dit optreden geeft hun recht op een tegenprestatie,de vergoeding. Deze vergoeding is derhalve verkregen inBelgië. Hierbij is het zonder belang of de motorcrossersbetaald worden op een vast contract, met een vaste wedde (artikel228 § 2, 8° WIB/1992 heeft het over

inkomsten "...van welke aard ook ") of in Griekenland of eldersbetaald

worden.Volgens de offerte moest trouwens betaald worden in België opde rekening van … bij de BBL-Belgium, dus in België(zie stuk 2/5 van de geïntimeerde).

 

Deomstandigheid dat de appellante stelt dat zij krachtens eenovereenkomst met …, die tot taak zou hebben gehadbuitenlandse piloten aan te stellen voor het motorcross-evenementen hen te betalen voor hun deelname, enkel eenéénmalig gefactureerd bedrag van 1.848, _500 BEF(45.823,12 EUR) betaalde, en niets rechtstreeks betaalde aan demotorrijders zelf, met wie zij geen overeenkomst had, heeft geletop het bepaalde in vermeld artikel 228 § 2, 8° WIB/1992geen invloed op de belastbaarheid.

 

Het artikel228 § 2, 8° WIB/1992 is niet in strijd met artikel 17 vanhet Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag. In dit verband kannuttig verwezen worden naar de commentaar bij hetOESO-modelverdrag, meer bepaald naar paragraaf 8 van de commentaarbij artikel 17.1 waarin uitdrukkelijk de eventualiteit voorzienwordt dat de overeenkomstsluitende staten in hun nationalewetgeving een bepaling kunnen opnemen waarbij het inkomen uitvoorstellingen op hun grondgebied kan belast worden ook al wordtniet rechtstreeks betaald aan de performant maar aan eenvennootschap.

 

Deschuldenaars van de bedrijfsvoorheffing op de besprokenvergoedingen worden aangegeven in artikel 270 § 3 WIB/1992,nl. degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris oftussenpersoon in artikel 228 § 2, 8° W1B/1992 vermeldeinkomsten van podiumkunstenaars of sportbeoefenaars betalen oftoekennen of bij ontstentenis daarvan de organisator van devertoningen of van de sportwedstrijden.

 

Het is deappellante die de belastbare inkomsten heeft betaald alsschuldenaar, zij het aan een derde rechtspersoon, wat zoals hogeraangehaald geen beletsel is voor de belasting, zodat de appellantete beschouwen is als schuldenaar in toepassing van artikel 270§ 3 WIB/1992.

 

De appellantekon er verder niet onwetend over geweest zijn dat in de globalefactuur van … de vergoedingen voor de piloten begrepenwaren. Het is trouwens niet aanneembaar dat de appellante alshandelaar, van wie mag verwacht worden dat hij in hethandelsverkeer een normale omzichtigheid aan de dag legt, niet opde hoogte zou zijn geweest van het detail van de aan de pilotenverschuldigde vergoedingen en zo maar klakkeloos bereid zougevonden zijn om een niet onbelangrijk bedrag van 1.848.500 BEF(45.823,12 EUR) te betalen zonder het detail ervan te kennen. Dezebeweerde onwetendheid is des te minder aanneembaar nu … eenkredietnota liet geworden aan de appellante (stuk 2/7 van degeïntimeerde) onder de mededeling dat er een optellingsfoutwas wat de vergoeding voor de piloot C.D. betrof (zie dit stuk: "We would like to inform you that we have found an addition error inthe riders contracts. There is a double payment tor rider C.D. ",vrij vertaald uit het Engels als: "Wij wensen U ervan op de hoogtete brengen dat we een optellingsfout hebben gevonden in decontracten van de piloten. Er is een dubbele betaling voor depiloot C.D"). Het is immers voor de appellante niet mogelijk dejuistheid van de optelfout en van de kredietnota na te gaan zonderhet detail te kennen van wat aan de piloten verschuldigd was. Hoedan ook zou de appellante zich achter dergelijke beweerdeonwetendheid niet kunnen schuilhouden om de bedrijfsvoorheffingniet te moeten betalen: zij diende te weten dat zij schuldenaar wasvan de bedrijfsvoorheffing en desnoods van … te eisen dathaar het detail van de vergoedingen zou worden meegedeeld, wattrouwens in een handelsrelatie vanzelfsprekend is.

 

Afgezien vande vraag of een eventuele door de piloten aan …betaaldecommissie uit hun vergoeding moet geweerd worden voor het bepalenvan de berekeningsbasis van de bedrijfsvoorheffing, moet wordenvastgesteld dat niets toelaat te vermoeden dat dergelijke commissiebegrepen is in de voor de prestaties van de piloten betaaldevergoeding. Het gaat om een loutere, niet bewezen veronderstellingvan de appellante.

 

Terechtwerd ten name van de appellante bedrijfsvoorheffing geheven op devergoedingen van de Nederlandse piloten O.V., R.V. enA.V.A.

 

 6.

De motorrijderM.C. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van 25.000 BEF(619,73 EUR), en de motorrijder M.K. een vergoeding van 167.000 BEF(4.139,82 EUR). Er is geen betwisting over dat beiden inwoners zijnvan Finland, wat trouwens impliciet blijkt uit liet feit dat beidepartijen de toepassing van artikel 17 van het Belgisch-Finsdubbelbelastingverdrag nastreven

                             

HetBelgisch-Fins dubbelbelastingverdrag (de overeenkomst van 18.5.1976tussen het Koninkrijk België en de Republiek Finland tot hetvermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van hetontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naarhet vermogen) voorziet in zijn artikel 17 §1:

 

 

" Niettegenstaandede bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen inkomsten dieartiesten, zoals toneelspelers, film-, radio- of televisieartiestenen musici, alsmede sportbeoefenaars, als zodanig uit hunpersoonlijke werkzaamheden verkrijgen, worden belast in deovereenkomstsluitende Staat waar deze werkzaamheden wordenverricht."

 

Hetartikel 17 § 2 van zelfde dubbelbelastingverdragbepaalt:

 

" Indieninkomsten uit de persoonlijke werkzaamheden van artiesten ofsportbeoefenaars als zodanig worden toegekend aan een anderepersoon dan de artiest of de sportbeoefenaar zelf, mogen dezeinkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en15, worden belast in de overeenkomstsluitende Staat waar dewerkzaamheden van de artiest of de sportbeoefenaar worden verricht."

 

De prestatieswerden te dezen in Flanders Expo in België geleverd, zodatkrachtens de vermelde verdragsbepaling België bevoegd was omde vergoedingen van de vermelde Finse motorrijders voor dieprestaties te belasten. De omstandigheid dat de appellante steltdat zij krachtens een overeenkomst met …, die tot taak zouhebben gehad buitenlandse piloten aan te stellen voor hetmotorcross-evenement en hen te betalen voor hun deelname, enkel eenéénmalig gefactureerd bedrag van 1.848.500 BEF(45.823,12 EUR) betaalde, en niets betaalde aan de motorrijderszelf, met wie zij geen overeenkomst had, heeft gelet op hetbepaalde in vermeld artikel 17 § 2 geen invloed op debelastbaarheid in België.

 

Om zelfderedenen als aangehaald onder punt 3 hierboven en in zelfdetoepassing als de aldaar besproken artikelen 228 § 1 en §2, 8° en 270 § 3 WIB/1992 moet worden vastgesteld datterecht ten name van de appellante bedrijfsvoorheffing werd gehevenop de vergoedingen van de Finse piloten M.C. en M.K.

 

7.

De motorrijderC.D. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van 53.500 BEF(1.326,23 EUR). Er is geen betwisting over dat hij inwoner was vanZuid-Afrika, wat impliciet blijkt uit het feit dat de partijenbeiden aanvoeren dat een dubbelbelastingverdrag met Zuid-Afrikaniet kan toegepast worden, nu er geen is.

 

Tentijde van de belastbare feiten bestond er inderdaad nog geendubbelbelastingverdrag met Zuid-Afrika.

 

Krachtens detoepasselijke artikelen 228, § 1 en 2, 8° en 270 § 3WIB/1992, in de toepassing van die bepalingen zoals hoger besprokenonder punt 5, moet worden vastgesteld dat terecht ten name van deappellante bedrijfsvoorheffing werd geheven op de vergoedingen vande Zuid-Afrikaanse piloot C.D.

 

 

8.

Demotorrijder W.F. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van20.000 BEF (495,79 EUR), de motorrijder B.E. een vergoeding van105.000 BEF (2.602,88 EUR), en de motorrijder J.J. een vergoedingvan 103.000 BEF (2.553,30 EUR). Er is geen betwisting over datallen inwoners zijn van Duitsland, wat trouwens impliciet blijktuit het feit dat heide partijen de toepassing van artikel 17 vanhet Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag nastreven.

 

HetBelgisch-Duits dubbelbelastingverdrag (de overeenkomst van 11 april1967 tussen het Koninkrijk België en de BondsrepubliekDuitsland tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling vansommige andere aangelegenheden inzake belastingen van inkomen envan vermogen, met inbegrip van de ondernemingsbelasting en degrondbelastingen en van het Slotprotocol, ondertekend te Brussel)voorziet in zijn artikel 17:

 

 

Inafwijking van artikel 14 zijn inkomsten welke personen dieberoepshalve bij schouwspel optreden, zoals toneelspelers, film-,radio of televisieartiesten en musici, zomede sportbeoefenaars, alszodanig in hun persoonlijke werkzaamheden, belastbaar in deovereenkomstsluitende Staat waar die werkzaamheden wordenuitgeoefend. "

 

De prestatieswerden te dezen in Flanders Expo in België geleverd, zodatkrachtens de vermelde verdragsbepaling België bevoegd was omde vergoedingen van de vernielde Duitse motorrijders voor dieprestaties te belasten.

 

De toepassingvan de artikelen 228 § 1 en § 2, 8° WIB/1992 en 270§ 3 WIB/1992, op dezelfde wijze zoals besproken onder punt 5voor de piloten inwoners van Nederland, leidt tot de vaststellingdat terecht ten name van de appellante bedrijfsvoorheffing werdgeheven op de vergoedingen van de Duitse piloten W.F., B.E. enJ.J.

 

 9.

De motorrijderC.Y. ontving voor zijn prestatie een vergoeding van 64.000 BEF(1.586,52 EUR), de motorrijder T.V. een vergoeding van 144.000 BEF(3.569,67 EUR), de motorrijder M.J. een vergoeding van 144.000 BEF(3.569,67 EUR) en de motorrijder G.C. een vergoeding van 346.500BEF (8.589,51 EUR). Er is geen betwisting over dat allen inwonerszijn van de Verenigde Staten van Amerika, wat trouwens implicietblijkt uit liet feit dat beide partijen de toepassing van artikel17 van het Belgisch-Amerikaans dubbelbelastingverdragnastreven.

 

Er moetaangenomen worden dat de vermelde piloten hun prestaties leverdenin liet kader van een vrij beroep, en niet in dienstverband van…, mogelijkheid die de appellante ten onrechte vooropstelt.In de kredietnota van … (stuk 2/7) is immers sprake vancontracten van piloten (vrije vertaling uit het Engels van: "riders contracts ") wat aantoont dat door … een afzonderlijkcontract werd afgesloten niet elke piloot voor het indoormotorcross-evenement, en zij derhalve presteerden op zelfstandigebasis. Dit is ook in overeenstemming met de zeer uiteenlopendebedragen die voor de motorcrossers werden betaald en dievariëren van 11 .500 BEF (285,08 EUR) tot 346.500 BEF(8.589,51 EUR) en aantonen dat met elke piloot individueel eenprijs afgesproken werd, zoals bij zelfstandige performanten, dieprijs vragen volgens hun bekendheid, kunde, ervaring, titels e.d.meer (vergelijk ook met de vermelding in de conclusie van deappellante, p. 2 voorlaatste paragraaf, dat het om " vedetten "gaat).

 

Er dientderhalve toepassing te worden gemaakt van artikel 14, 2, c van hetBelgisch-Amerikaans dubbelbelastingverdrag (Overeenkomst van 9 juli1970 tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten vanAmerika tot het vermijden van dubbele belasting en van het ontgaanvan belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend teBrussel dat luidt als volgt:

 

"Artikel 14. Vrije beroepen.

(1)…< /span>

 

(2) Inkomstenverkregen door een natuurlijke persoon die verblijfhouder van eenOvereenkomstsluitende Staat is uit de uitoefening van een vrijberoep in de andere Overeenkomstsluitende Staat mogen door dieandere Overeenkomstsluitende Staat worden belast indien:

 

a)…< /span>

 

b)…< /span>

 

c) die persoonde inkomsten uit zijn vrij beroep verkrijgt als beroepsartiest,zoals een toneelspeler, film- of televisieartiest, musicus ofsportbeoefenaar, tenzij hij in die andere OvereenkomstsluitendeStaat verblijft tijdens een tijdvak of tijdvakken die in totaal 90dagen niet te boven gaan gedurende het belastbare tijdperk en dieinkomsten gedurende het belastbare tijdperk in totaal 3.000 dollarsof de tegenwaarde daarvan in Belgische frank niet te boven gaan."

 

De prestatieswerden te dezen in Flanders Expo in België geleverd, zodatkrachtens de vermelde verdragsbepaling België bevoegd was omde vergoedingen van de vermelde Amerikaanse motorrijders voor dieprestaties te belasten.

 

De appellantetoont niet aan dat de voorwaarden vervuld zijn (90 dagen of minderin België / 3.000 $ of minder inkomsten) onder welkeBelgië niet zou kunnen belasten.

 

De toepassingvan de artikelen 228 § 1 en § 2, 8° WIB/1992 en 270§ 3 WIB/1992, op dezelfde wijze zoals besproken onder punt 5voor de piloten inwoners van Nederland, leidt tot de vaststellingdat terecht ten name van de appellante bedrijfsvoorheffing werdgeheven op de vergoedingen van de Amerikaanse piloten C.Y., T.V.,M.J. en G.C.

 

 

10.

Uithetgeen voorafgaat volgt dat de door de geïntimeerdegevestigde bedrijfsvoorheffing wettig is en gerechtvaardigd en geensprake is van willekeur of gebrekkige verantwoording zoals deappellante ten onrechte voorhoudt.

 

Het isverder aan de administratie toegelaten schriftelijk inlichtingen tevragen (artikel 316 WIB/1992). Het bij herhaling vragen vandergelijke inlichtingen is evenmin verboden. Uit niets kan wordenafgeleid dat de administratie, onder meer met de vragen ominlichtingen die geleid hebben tot mededeling van de lijst van dedeelnemende piloten, de appellante heeft gedwongen zichzelf teincrimineren. In haar verzoekschrift hoger beroep schrijft deappellante trouwens zelf (p. 5) dat zij aan … de lijst vande piloten vroeg " teneinde haar volledige medewerking te verlenen", wat aantoont dat er geen dwang was.

 

 

OP DIEGRONDEN,

 

HETHOF, recht doendeop tegenspraak

 

Geletop artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik dertalen;

 

Ontvangt hethoger beroep doch verklaart het ongegrond;

 

Bevestigt hetbestreden vonnis;

 

Veroordeeltde appellante tot de kosten van het hoger beroep, in hun geheelbegroot als volgt:

 

•aan de zijde van de appellante: op 59,49 EURuitgavenvergoeding

verzoekschrifthoger beroep + 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep,hetzij in totaal 535,45 EUR;

 

•aan de zijde van de geïntimeerde: op 475,96 EURrechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

 

Aldusgewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof vanberoep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende inburgerlijke zaken, op DERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZES.

 

Aanwezig deHeren:

 

G.T.,Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M.V.,griffier.