Arrêt de la Cour de Cassation dd. 18.10.2007

Datum :
18-10-2007
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Comptabilité non probante,Charge de la preuve de la réalité du montant des pertes réalisées au cours des exercices comptables antérieurs

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour de Cassation dd. 18.10.2007
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 18.10.2007
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour de Cassation dd. 18.10.2007
Tax year : 0
Document date : 18/10/2007
Document language : FR
Modification date : 20/02/2008 10:20:55
Name : C 07/3
Version : 1
Court : cassation

ARRET C 07/2


Arrêt de la Cour de Cassation dd. 18.10.2007



Comptabilité non probante - Charge de la preuve de la réalité du montant des pertes réalisées au cours des exercices comptables antérieurs

    Les juges d'appel constatent que la demanderesse ne conteste pas que la comptabilité n'était pas probante pour les ex.d'imp. 1992 et 1993 et décident qu'une comptabilité non probante implique que ni les produits ni les charges ne peuvent être établis au moyen de cette comptabilité et que ni les bénéfices ni les pertes ne peuvent être déduits d'une telle comptabilité.

    Les juges d'appel constatent donc que la preuve offerte des pertes réalisées au cours des années précédentes, résultant d'une comptabilité non probante, n'est pas concluante.

    La preuve des pertes réalisées au cours des années précédentes nécessite que soit fournie la preuve de tous les produits et de toutes les charges réalisés au cours de ces années. La preuve de certains produits ou de certaines charges ne suffit pas.

    Il suit que les juges d'appel ont pu, sans violer les dispositions légales visées au moyen, décider que les mentions isolées d'une comptabilité non probante ne peuvent être acceptées à titre de présomptions.



 

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.06.0038.N
Z.& M., naamloze vennootschap, met zetel te 2000 …,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te … waar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Raadsheer E.S. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal D.T. heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 49, 183, 206, §1, 207 en 352, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995;

- de artikelen 74 tot en met 78 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995;

- de artikelen 1315, 1316, 1329, 1330, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek;

 - de artikelen 2, 870 en 876 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 20 van het Wetboek van Koophandel.

Aangevochten beslissingen

Bij het bestreden arrest van 6 september 2005 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen eiseres' hoger beroep tegen het vonnis van de eerste rechter, waarbij deze haar vordering tot vernietiging van de directoriale beslissing van 8 juni 1999, tot inwilliging van haar bezwaarschriften en tot vernietiging van de aanslagen in de vennootschapsbelasting, aanslagjaren 1994 en 1995, toelaatbaar, doch ongegrond verklaarde en haar veroordeelde tot de kosten, ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis. Deze beslissing is gestoeld op volgende gronden:

"De belastingplichtige die verliezen wenst af te trekken van volgende belastbare tijdperken moet de werkelijkheid en het bedrag ervan bewijzen.

(De eiseres) betwist niet dat voor de aanslagjaren 1992 en 1993 de boekhouding niet bewijskrachtig was.

Een niet bewijskrachtige boekhouding houdt in dat noch de opbrengsten noch de kosten kunnen bewezen worden aan de hand van deze boekhouding. Uit een niet-bewijskrachtige boekhouding kan noch winst noch verlies worden afgeleid.

(De eiseres) stelt ten onrechte dat met betrekking tot de aanslagjaren 1992 en 1993 door de administratie niet werd gespecificeerd welke kosten niet werden aanvaard en derhalve aan de verworpen uitgaven werden toegevoegd en dat door de administratie slechts globale bedragen werden vermeld.

Zoals duidelijk blijkt uit de kennisgeving van aanslag van ambtswege van 11 mei 1994 met betrekking tot aanslagjaar 1992 en het bericht van wijziging van aangifte van dezelfde datum met betrekking tot aanslagjaar 1993 wordt niet de aftrek van specifieke kosten geweigerd, doch wel de recuperatie van verliezen.

De werkelijkheid en het bedrag van deze verliezen worden immers niet bewezen bij gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding.

Het door de belastingplichtige te leveren bewijs van de werkelijkheid van het vorig verlies impliceert dat hij aantoont dat de boekhouding bewijskrachtig was. Hij dient dus de nodige bewijskrachtige stukken en gegevens te bewaren zolang hij het verlies in een later aanslagjaar wil aftrekken, wat te dezen onmogelijk is vermits (de eiseres) niet betwist dat de boekhouding niet bewijskrachtig was.

(De eiseres) faalt derhalve in de op haar rustende bewijslast. Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond en (de eiseres) dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot ".

De eerste rechter beslist meer bepaald in zijn vonnis van 27 november 2002:

"Opdat een boekhouding bewijskrachtig zou zijn op belastinggebied wordt niet vereist dat de boekhouding aan alle eisen van de wetgeving op de boekhouding beantwoordt, doch volstaat het dat zij volledig is en voldoende waarborgen van juistheid biedt.

De boekhouding moet een voldoende samenhangend geheel vormen en moet het mogelijk maken na te gaan of de geboekte cijfers overeenkomen met de werkelijkheid en voldoende gestaafd worden door geschriften zodat aan de hand ervan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden bepaald.

Bijgevolg is de boekhouding alleen bewijskrachtig als zij volledig is en als haar vermeldingen controleerbaar zijn (Cass. 19 april 1990, R. W 1990-91; 341).

De administratie heeft onder meer voor beide aanslagjaren vastgesteld dat:

- de dagelijkse ontvangsten ingeschreven in het kasboek niet altijd overeenkomen met de bedragen in het verkoopdagboek,

- in het kasboek meermaals schrappingen voorkomen van de ontvangsten teneinde negatieve kassaldi te corrigeren.

Bij aangetekende brieven van 8 juni 1994 ging de eiseres akkoord met het standpunt dat de vastgestelde tekortkomingen de boekhouding niet bewijskrachtig maken en ook in haar bezwaarschrift heeft zij uitdrukkelijk vermeld dat de verwerping van de boekhouding als niet bewijskrachtig een gegeven is dat door haar niet werd of wordt betwist.

Het staat onomstotelijk vast dat de boekhouding voor de aanslagjaren 1992 en 1993 niet controleerbaar is zodat de verliezen dan ook niet gerechtvaardigd zijn.

Terecht werd de boekhouding dan ook verworpen als niet bewijskrachtig en werden de verliezen op nul BEF gebracht.

Betreffende de willekeur

Nu de boekhouding voor de aanslagjaren 1992 en 1993 terecht werd verworpen als niet bewijskrachtig, heeft de eiseres de bewijslast van de aangegeven verliezen.

Het louter bewijs van de afzonderlijke beroepskosten levert vanzelfsprekend niet het minste bewijs omtrent de verliezen.



Zelfs indien de aangegeven beroepskosten bewezen zouden zijn, bewijst de eiseres hierdoor immers geenszins de verliezen.

De verliezen werden dan ook terecht op nul BEF gebracht en er is geen sprake van willekeur ".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 183 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) zijn, onder voorbehoud van de afwijkingen bepaald in de daaropvolgende artikelen, wat hun aard betreft, de inkomstenbelastingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde als deze welke inzake personenbelasting worden beoogd: het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op de winst.

Luidens artikel 206, §1, van datzelfde wetboek worden vorige beroepsverliezen achtereenvolgens van de winst van elk volgend belastbaar tijdperk afgetrokken.

De wijze waarop de in de artikelen 199 en 206 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aftrekken worden verricht wordt luidens artikel 207 geregeld door de Koning.

In uitvoering van deze bepaling stelt artikel 78 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 dat van de overeenkomstig de artikelen 74 tot 77 vastgestelde winst de in artikel 206 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde vorige beroepsverliezen worden afgetrokken in zoverre die verliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die van toepassing was voor de betreffende belastbare tijdperken, niet vroeger konden worden afgetrokken2 of voorheen niet door bij verdragen vrijgestelde winst waren gedekt of niet vroeger onder de vennoten werden verdeeld.

Overeenkomstig de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevolge artikel 2 van datzelfde wetboek van toepassing op de fiscale rechtspleging en 352, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 rust de bewijslast van die verliezen op de belastingplichtige. Geen van hoger vernoemde bepalingen preciseert weliswaar de wijze waarop dat bewijs moet worden geleverd of bepaalt dat dit bewijs enkel aan de hand van een `bewijskrachtige' boekhouding zou kunnen worden geleverd.

Artikel 49, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) bepaalt integendeel dat beroepskosten door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, niet uitzondering van de eed, worden verantwoord. Bij ontstentenis van bepaling, die desbetreffend een bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, kan het bewijs van vorige beroepsverliezen dan ook door alle middelen van gemeen recht, niet uitzondering van de eed, worden geleverd.

Besluit

Waar het hof van beroep, zowel in de eigen redengeving als met overneming van de redenen van de eerste rechter, oordeelt dat het bewijs van "vorige verliezen" enkel kan worden geleverd aan de hand van een bewijskrachtige boekhouding, onder te verstaan een boekhouding die op alle punten bewijskrachtig is, voegt het aan de wet een voorwaarde toe (schending van de artikelen 49, eerste lid, 183, 206, §1, 207, 352, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995, 74 tot en met 78 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals van toepassing op de aanslagjaren 1994 en 1995) en miskent het de regel dat in afwezigheid van afwijkende bepaling het bewijs door alle middelen van recht, met uitsluiting van de eed, kan worden geleverd (schending van de artikelen 1315, 1316, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 870 en 876 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Uit artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld worden overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen.

Blijkens deze bepaling kan eender welk feit dat door de rechter als vaststaand wordt aangezien ten titel van vermoeden worden weerhouden.

Uit het voorgaande volgt dat, zelfs indien aan een onregelmatig gehouden boekhouding geen volle bewijskracht toekomt, zoals bepaald in de artikelen 1329 en 1330 van het Burgerlijk Wetboek en 20 van het Wetboek van Koophandel, de rechter niettemin bepaalde vermeldingen uit een dergelijke boekhouding ten titel van een vermoeden kan weerhouden.

Te dezen beriep de eiseres zich in haar syntheseconclusie in beroep op pagina 15 onderaan uitdrukkelijk op deze bewijsmogelijkheid.

Besluit

Waar het hof van beroep, zowel in de eigen redengeving als met overneming van de redenen van de eerste rechter, de boekhouding van de eiseres zonder meer als niet bewijskrachtig verwerpt omdat zij op onregelmatige wijze werd gehouden en oordeelt dat noch de opbrengsten noch de kosten kunnen worden bewezen aan de hand van een dergelijke boekhouding en dat hieruit noch winst, noch verlies kan worden afgeleid, zonder na te gaan of en in welke mate de afzonderlijke vermeldingen, voorkomende in die boekhouding, niettemin een vermoeden van de door de eiseres ingeroepen vorige verliezen opleveren, zoals de eiseres in haar syntheseconclusie op pagina 15 onderaan aangevoerd, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing dat de eiseres het bewijs niet leverde van de vorige verliezen niet naar recht (schending van de artikelen 1329, 1330, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek en 20 van het Wetboek van Koophandel).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast dat de eiseres niet betwist dat voor de aanslagjaren 1992 en 1993 de boekhouding niet bewijskrachtig was en oordelen dat een niet-bewijskrachtige boekhouding inhoudt dat noch de opbrengsten noch de kosten kunnen bewezen worden aan de hand van deze boekhouding en dat uit een niet-bewijskrachtige boekhouding noch winst noch verlies kan worden afgeleid.

2. De appelrechters stellen aldus vast dat het aangeboden bewijs van de voor de vorige jaren geleden verliezen, bestaande uit een niet-bewijskrachtige boekhouding, niet afdoende is.

3. Deze beslissing van de appelrechters houdt niet in dat zij oordelen dat het bewijs van vorige verliezen alleen kan worden geleverd aan de hand van een bewijskrachtige boekhouding. Dit blijkt uit de overweging dat de belastingplichtige de nodige bewijskrachtige stukken en gegevens dient te bewaren zolang hij het verlies in een later aanslagjaar wil aftrekken.

Het onderdeel dat uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Uit artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden overgelaten aan het oordeel en het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen.

5. Het bewijs van tijdens vorige jaren geleden verliezen vereist dat het bewijs wordt geleverd van al de tijdens die jaren verworven opbrengsten en gedane uitgaven. Het bewijs van bepaalde opbrengsten en uitgaven is onvoldoende.

6. Daaruit volgt dat de appelrechters, zonder de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen te schenden, konden beslissen de afzonderlijke vermeldingen uit de niet-bewijskrachtige boekhouding niet als vermoeden aan te nemen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van 352,03 euro jegens de eisende partij en op de som van 104,8 6 euro jegens de verwerende partij .

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter I.V., als voorzitter, afdelingsvoorzitter E.F., en de raadsheren L.H., P.M. en E.S., en op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2007 uitgesproken door voorzitter I.V., in aanwezigheid van advocaat-generaal D.T., met bijstand van afgevaardigd griffier V.K..