Circulaire nr. 10/2006 (AFZ 8/2006 - Dos. E.E./L.152) dd. 15.05.2006
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Circular letters
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Vlaams Gewest,Akten vrijgesteld (art. 159, 8°, W.Reg.),Schenkingen van bouwgronden
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Circulaire nr. 10/2006 (AFZ 8/2006 - Dos. E.E./L.152) dd. 15.05.2006
Circulaire nr. 10/2006 (AFZ 8/2006 - Dos. E.E./L.152) dd. 15.05.2006
Document
Search in text:
Properties
Document type : Circular letters Title : Circulaire nr. 10/2006 (AFZ 8/2006 - Dos. E.E./L.152) dd. 15.05.2006 Tax year : 0 Document date : 15/05/2006 Keywords : Vlaanderen / Vlaams gewest / schenking / bouwgrond / vrijstelling of vermindering / vermindering / vrijstelling / algemeen vast recht / vormvoorwaarden / constructie / B.T.W. Document language : NL Modification date : 09/06/2006 14:38:29 Name : 15.05.06/1 Version : 1
CIRC 15.05.06/1 Circulaire nr. 10/2006 (AFZ 8/2006 - Dos. E.E./L.152) dd. 15.05.2006 Vlaams Gewest - Akten vrijgesteld (art. 159, 8°, W.Reg.) - Schenkingen van bouwgronden In het Belgisch Staatsblad van 30 december 2005 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 23 december 2005 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006", bekendgemaakt. Bij dit decreet:
____________ (1) bij de federale programmawet van 2 augustus 2002 COMMENTAAR 1. Inschrijving van formele administratieve bezwaarprocedures in de regeling van de Ven-gebieden/bossen (art. 55ter en 55quater VL.W. Succ.) en in de regeling van de overdracht van familiale ondernemingen door overlijden (artikel 60bis VL. W. Succ.). Om van de belastingvoordelen besloten in de artikelen 55 ter /55 quater VL. W. Succ. en/of artikel 60bis VL. W. Succ. te kunnen genieten, moeten de belanghebbenden bij de aangifte van successie een attest (2) voegen. In geval de belastingvrijstelling van artikel 60 bis VL. W. Succ. geheel of gedeeltelijk verloren gaat ingevolge het niet-naleven van de voorwaarden tot behoud van de vrijstelling, moeten de verkrijgers van de vrijstelling daarvan melding doen aan de bevoegde Vlaamse overheidsdienst die dan een wijzigend attest aflevert waarin beslist wordt over het geheel of gedeeltelijk verval van de vrijstelling. Tot op heden bevatte het VL. W. Succ. geen uitdrukkelijke mogelijkheid tot het instellen van een administratief beroep tegen de beslissingen die de Vlaamse Administratie in het kader van de aflevering van die attesten nam. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van onderhavig decreet benadrukt de Vlaamse regering dat de mogelijkheid voor de betrokkene om een bestuursorgaan te verzoeken een beslissing die het heeft genomen te heroverwegen, geacht mag worden een algemeen rechtsbeginsel uit te maken dat geldt zonder dat daarin door enige normatieve tekst wordt voorzien. Aldus wordt reeds op het attest inzake tewerkstelling en kapitaal (zie bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering, vermeld onder het tweede streepje van voetnoot 2) en op het wijzigend attest inzake tewerkstelling en kapitaal (zie bijlage 4 van voornoemd besluit) vermeld dat - zonder dat de tekst van artikel 60 bis of van het uitvoeringsbesluit van 18 november 1997 (zoals gewijzigd) dat voorziet - willig beroep kan worden ingesteld tegen de genomen beslissing bij de dienst aan wie de attestaanvraag of het meldingsformulier moet worden gericht. De Vlaamse decreetgever vormt in het kader van de toepassing van de artikelen 55 ter/55 quater en 60 bis van het VL. W. Succ. die willige beroepsprocedures nu om tot formele bezwaarprocedures. Doel is de burger meer houvast (onder de vorm van een uitdrukkelijke wettekst) te bieden. Aldus wordt voortaan in de wetteksten zelf een antwoord gegeven op de vragen onder welke vorm (gemotivieerd en bij ter post aangetekende brief) en binnen welke termijn (uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing) een eventueel bezwaar tegen een administratieve beslissing, genomen in het kader van de aflevering van een attest, moet worden ingediend. De vraag bij wie (bij de bij de beslissing betrokken Vlaamse administratie (3) of bij een bij de oorspronkelijke beslissing niet betrokken administratieve instantie) dergelijk bezwaar moet worden ingediend, blijft daarentegen in de wetteksten zelf onbeantwoord in die zin dat het aan de Vlaamse Regering wordt overgelaten om de ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die daartoe gemachtigd zullen worden, aan te wijzen. Terzake is het dus wachten op een uitvoeringsbesluit. In zijn advies heeft de Raad van State opgemerkt dat indien de in artikel 55 ter vierde en vijfde lid VL. W. Succ. bedoelde termijnen (zoals bepaald in het aan de Raad voorgelegde voorontwerp van decreet (4)) geheel of grotendeels worden uitgeput, het in de meeste gevallen onmogelijk zal zijn om te voldoen aan de bij artikel 55 ter, derde lid W. Succ. bepaalde voorwaarde dat het attest van vrijstelling bij de aangifte van nalatenschap moet worden gevoegd, gelet op het feit dat die aangifte dient te worden neergelegd binnen de vijf (normale termijn), zes of zeven maanden na het overlijden. Deze opmerking heeft de Vlaamse decreetgever ertoe aangezet om de bedenktijd voor de betrokkene om bezwaar in te dienen tegen een geheel of gedeeltelijk afwijzende beslissing van de bevoegde Vlaamse administratie te reduceren van drie naar één maand. Zelfs met deze verkorting van één van de termijnen blijft de opmerking van de Raad van State pertinent. Zij geldt trouwens evenzeer (zoals ook door de Raad van State opgemerkt) in het kader van de nieuwe § 13 van artikel 60 bis, VL. W. Succ. Illustratie: X overlijdt in België op 1/1/2006 en laat Y als enige erfgenaam na. X bezat op datum van zijn overlijden aandelen in een familiale vennootschap. Y heeft gans de maand januari nodig om te onderzoeken of hij voor die aandelen de toepassing van artikel 60 bis zal vragen. Bij maximale uitputting van de termijnen geeft dit de volgende tijdstabel:
De laatste zin van het laatste lid van artikel 55 ter VL. Succ. en de laatste zin van het derde lid van § 13 van artikel 60 bis VL. W. Succ. luidt: "Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd.". In dat geval moet de fiscale toestand van de belanghebbenden ambtshalve door de ontvanger geregulariseerd worden, zoals het geval zou geweest zijn indien het door hun ingediende bezwaarschrift zou zijn aanvaard door de gemachtigde ambtenaar van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Bedoelde regularisatie is dus in geen geval afhankelijk van het indienen door de belanghebbenden van een aanvullende aangifte of van een uitdrukkelijk verzoek. ____________ (2) Zie: - Besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 tot uitvoering van artikel 55ter en 55quater van het Wetboek van successierechten, voor de nadere regels met betrekking tot het afleveren van de in vermelde artikelen bedoelde attest; - Besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 1997, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 1998, 8 juni 1999 en 6 juli 2001, betreffende de vrijstelling van successierechten voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen, voor de nadere regels met betrekking tot het afleveren van de in artikel 60 bis bedoelde attesten. (3) In het kader van de artikelen 55 ter en 55 quater VL. W. Succ. worden de onderscheiden attesten respectievelijk afgeleverd door de hierna vermelde Administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management en door het bosbeheer. In het kader van artikel 60 bis VL. W. Succ. worden de attesten afgeleverd door de directeur-generaal of een gedelegeerde ambtenaar van de afdeling Financieel Management van de Administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. (4) In het voorontwerp van decreet had de betrokkene drie maanden om bezwaar in te dienen tegen een geheel of gedeeltelijk afwijzende beslissing en de gemachtigde ambtenaar eveneens drie maanden om uitspraak te doen over het ingediende bezwaar. (5) Besluit van 18 november 1997 van de Vlaamse regering betreffende de vrijstelling van successierechten voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen (zoals gewijzigd bij de besluiten van van 19 december 1998, 8 juni 1999 en 6 juli 2001). De bevoegde Vlaamse administratie heeft een termijn van 25 werkdagen om te beslissen over de aanvraag en haar beslissing te betekenen. 2. Aanpassing van de tekst van artikel 159,8° W. Reg. om de toepassings-voorwaarden voor de vrijstelling van het evenredig recht af te stemmen op het bij de federale programmawet van 2 augustus 2002 gewijzigde BTW-begrip "nieuw gebouw". De problematiek die aanleiding heeft gegeven tot deze wijziging werd reeds uiteengezet in circulaire nr. 18/2002 van 31 oktober 2002, meer bepaald onder punt 2 van de commentaar. In voetnoot 3 van die circulaire (onderaan blz. 3) wordt vermeld dat de Gewesten van die problematiek in kennis werden gesteld en werden uitgenodigd hun wetgeving in overeenstemming te brengen met het gewijzigde begrip "nieuw gebouw". Het Vlaams Gewest (6) doet dit bij artikel 65 van onderhavig decreet. Vermits het Vlaams Gewest nu die aanpassing heeft doorgevoerd, moet in de praktijk niet meer gevraagd worden dat de partijen die het voordeel van artikel 159,8° VL. W. Reg. inroepen bij toepassing van artikel 168 W. Reg. (7) in de akte of in een aangehecht geschrift de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het vervreemde goed vermelden. Die vermelding moet voortaan gewoon weer bij toepassing van de tekst van artikel 159,8° VL. W. Reg. gedaan worden. ____________ (6) Het Waals Gewest heeft dit reeds gedaan - zij het in het kader van een ruimere aanpassing van artikel 159,8° W. Reg. - bij het decreet van 9 december 2004 "tot wijziging van artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ; cf. circulaire nr. 6/2005 van 23 juni 2005. (7) Zie circulaire nr. 8/2003 van 15 mei 2003, punt 4/vormvoorwaarde, derde alinea. 3. Verlenging tot en met 31 december 2009 van de toepassing van het tijdelijk voordeeltarief voor schenkingen van bouwgronden ; nieuwe voorwaarde verbonden aan het behoud van het voordeeltarief. Bij ongewijzigde decreetgeving ter zake, zouden schenkingen van woningbouwgronden vanaf 1 januari 2006 opnieuw aan het "gewone" (8) tarief voor schenkingen van onroerende goederen onderworpen zijn en niet meer aan het bij het decreet van 20 december 2002 (9) ingestelde voordeeltarief. Het voordeeltarief bepaald in artikel 140nonies VL. W. Reg. zou immers ophouden te bestaan vermits de maatregel maar bedoeld was voor de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005. Bij artikel 66 van het in deze circulaire toegelichte decreet, heeft het Vlaams Parlement de periode waarin het voordeeltarief van toepassing is evenwel verlengd tot en met 31 december 2009. Voor de schenkingsakten die verleden zullen worden in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, zullen de begiftigden echter ook nog aan een - voorheen niet bestaande - voorwaarde moeten voldoen om het voordeeltarief voor woningbouwgronden te kunnen behouden. Deze nieuwe door de begiftigde te vervullen voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief bestaat er met name in - binnen een bepaalde termijn - een volledig dossier in te dienen tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning op de betreffende bouwgrond. Deze nieuwe voorwaarde en de sanctie van de niet-vervulling ervan worden hierna verder ontleed. Voor het overige - en met uitzondering uiteraard van hetgeen daarin gezegd wordt over de duur van de tijdelijke maatregel - blijft hetgeen gezegd wordt in de circulaire nr. 3/2003 van 20 februari 2003 onverkort gelden. ____________ (8) Tarief bepaald in artikel 131, §1, W. Reg. (9) Decreet van 20 december 2002 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003", circulaire nr. 3/2003 van 20 februari 2003. 3.1. Nieuwe voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief + juridisch-technische koppeling ervan aan een nieuwe vormvoorwaarde wat de schenkingsakte betreft 3.1.1. Algemeen Tot vóór de inwerkingtreding van het in deze circulaire besproken decreet kende het stelsel van het voordeeltarief voor schenkingen van woningbouwgronden geen enkele voorwaarde die nà de toekenning van het voordeel nog moest vervuld worden. De schenkingsakten die in die oorspronkelijke periode van het bestaan van het voordeeltarief werden verleden, blijven uiteraard wat dat betreft beheerst door de oorspronkelijke teksten. Voor de schenkingsakten die tijdens de verlengde periode van het bestaan van het voordeeltarief worden verleden, geldt wel een dergelijke voorwaarde. Het nieuwe artikel 140undecies 2 van het VL. W. Reg., ingevoegd bij artikel 68 van het decreet, bepaalt dat het voordeel van het in artikel 140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht alleen dan behouden blijft indien de begiftigde de overeenkomstig artikel 140undecies aangegane verbintenis nakomt. Terzake bepaalt het bij artikel 67 van het decreet gewijzigde artikel 140undecies VL. W. Reg. dat in de akte van schenking, opdat het bijzonder evenredig recht van artikel 140nonies zou worden toegepast, niet alleen meer moet vermeld staan dat het perceel bouwgrond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, maar voortaan ook moet vermeld worden dat de begiftigde zich verbindt tot het indienen, binnen de drie jaren te rekenen van de datum van de akte, van een volledig dossier tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een woning op het geschonken perceel. De nieuwe voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief is dus gekoppeld aan een bijkomende vormvoorwaarde die - op straffe van definitief verval van het recht op het voordeeltarief - in de akte van schenking moet vervuld zijn. 3.1.2. Geen bouwverplichting - wel indiening volledig dossier. Van de begiftigde (voor de nuancering van deze persoonsaanduiding: zie verder punt 3.1.3.) wordt niet geëist dat hij binnen de drie jaar van de datum van de akte een woning op de bouwgrond moet hebben opgericht. Het volstaat dat hij binnen die drie jaar een volledig dossier tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een woning op het geschonken perceel heeft ingediend. " Stedenbouwkundige vergunning " is de nieuwe benaming voor de vroegere "bouwvergunning" (10). Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 (11) bepaalt op welke wijze een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning moet worden samengesteld. Artikel 108, § 1 (12), van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, na ontvangst van de aanvraag, nagaat, of ze volledig is. Indien de aanvraag volledig wordt bevonden, dan geeft of stuurt de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar hiervan, binnen 14 dagen na ontvangst van de aanvraag, een schriftelijke bevestiging aan de aanvrager. Het is aan de hand van de datum van die schriftelijke bevestiging dat de begiftigde in principe (zie opmerking hieronder) moet aantonen dat tijdig een volledig dossier tot het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning werd ingediend (zie het nieuwe artikel 140undecies 2). Opmerking. In de praktijk schijnt de schriftelijke bevestiging waarvan sprake in artikel 108, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, niet steeds te worden afgeleverd. Weliswaar bepaalt artikel 108, § 2, van genoemd decreet dat alsdan het dossier geacht wordt administratief volledig en ontvankelijk te zijn, niettemin verkeert de begiftigde hierdoor buiten zijn schuld in de feitelijke onmogelijkheid de voor toepassing van het gunsttarief vereiste schriftelijke bevestiging voor te leggen. Gelet op die feitelijke onmogelijkheid zal de administratie het gunsttarief niet intrekken, op voorwaarde dat de begiftigde een schriftelijke verklaring indient waarin hij zelf bevestigt tijdig een volledige dossier te hebben ingediend tot het bekomen van stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een woning. De echtheid van die verklaring kan uiteraard door de ontvanger worden nagegaan door navraag te doen bij de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Wanneer de begiftigde terzake een onjuiste verklaring heeft afgelegd, riskeert hij strafrechtelijke vervolging bij toepassing van artikel 133 bis, eerste lid, W. Succ. Het uiteindelijke gevolg dat aan de aanvraag zal worden gegeven, is niet relevant in de context van de beoordeling van het vervuld zijn van de voorwaarde voor behoud van het voordeeltarief. Vanzelfsprekend moet de aangevraagde stedenbouwkundige vergunning de bouw van een woning betreffen. Het begrip woning werd in dit kader niet bijzonder gedefinieerd en moet dus in zijn gewone taalkundige betekenis begrepen worden. ____________ (10) Sedert het "nieuwe" decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (zie artikel 99 e.v.), in vervanging van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (zie artikel 42 e.v.). (11) Besluit van 28-05-2004 van de Vlaamse Regering betreffende de dossier-samenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning (B.S.: 26-11-2004). (12) § 2 van hetzelfde artikel bepaalt: "Wordt de aanvraag niet volledig bevonden, dan brengt de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, binnen veertien dagen na ontvangst van de aanvraag, bij aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs de aanvrager daarvan op de hoogte. Hierbij wordt vermeld om welke reden die aanvraag niet volledig wordt bevonden. De vergunningsprocedure wordt hiermee definitief stopgezet. Indien binnen veertien dagen geen kennisgeving is verzonden, dan wordt het dossier geacht administratief volledig en ontvankelijk te zijn. 3.1.3. Aangaan verbintenis door de begiftigde - uitvoering verbintenis eventueel door derde In de algemene bespreking van de maatregel wordt in de memorie van toelichting de invoering van de voorwaarde tot behoud van het voordeeltarief als volgt geduid (13): "Het decreet zou namelijk zijn doel voorbijschieten indien bouwkavels die nu geparkeerd zitten bij een bepaalde generatie opnieuw bij een volgende generatie geparkeerd worden. De bedoeling is dat de losgeweekte bouwkavels wel degelijk voor nieuwbouw worden aangewend.". In die optiek is het niet zo belangrijk wie uiteindelijk de stedenbouwkundige vergunning aanvraagt: aldus volstaat het dat de begiftigde zelf dit doet of, indien er meerdere zijn, één van hen, dan wel een rechtverkrijgende onder de levenden of ter zake des doods, ten algemene of ten bijzondere titel, van een van de begiftigden. Belangrijk is dat uit de omstandigheden blijkt dat de intentie tot het bouwen van een woning op het geschonken perceel bij de begiftigde of zijn rechtsopvolger reëel is. Het reële karakter daarvan blijkt volgens de Vlaamse decreetgever voldoende uit de bevestiging van de tijdige indiening van een volledig dossier tot het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van de woning. Voorbeeld: X doet op 1 februari 2006 aan Y een schenking van een bouwgrond waarbij de vermeldingen vereist bij artikel 140undecies in de schenkingsakte zijn opgenomen. De registratie geschiedt tegen betaling van het registratierecht met toepassing van het voordeeltarief. Y verkoopt de bouwgrond binnen het jaar aan Z (rechtverkrijgende onder de levenden van Y, ten bijzondere titel -in casu de koopovereenkomst-). De gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar stuurt op 31 januari 2009 de schriftelijke bevestiging dat de door Z ingediende aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een woning op het betreffende perceel volledig is. De voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief wordt geacht vervuld te zijn. Quid indien er voor de bouwgrond op het moment van de schenking al een - nog geldende (14) - stedenbouwkundige vergunning bestaat ? In dat geval moet aangenomen worden dat de voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief van meet af aan vervuld is. ____________ (13) Zie Vlaams Parlement, Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, Stuk 567 (2005-2006) - Nr. 1, blz. 20 (14) De stedenbouwkundige vergunning vervalt van rechtswege indien de vergunninghouder niet daadwerkelijk met de verwezenlijking van de vergunning van start is gegaan, binnen twee jaar na afgifte van de vergunning. De termijn vangt aan op de dag waarop de vergunning definitief wordt verkregen. De stedenbouwkundige vergunning vervalt eveneens van rechtswege indien de werken gedurende meer dan twee jaar zijn onderbroken of, als het om gebouwen gaat, wanneer het gebouw niet winddicht is binnen drie jaar na de aanvang van de werken. (indien de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op twee of meer afzonderlijke gebouwen, dan vervalt de stedenbouwkundige vergunning enkel voor de gebouwen waarvoor niet is voldaan aan de voorwaarden van dit artikel). 3.1.4. Termijn voor uitvoering van de nieuwe verbintenis De termijn van drie jaar loopt "te rekenen van de datum van de akte". Uiteraard betreft het hier de akte van schenking. Quid wanneer het gaat om een akte van aanbod van schenking en een akte van aanvaarding die niet op dezelfde dag worden verleden. In dat geval is het de datum van de akte van aanvaarding van de schenking die bepaalt wanneer de driejarige termijn begint te lopen. Het is inderdaad maar op datum van de aanvaarding van de schenking dat deze tot stand komt. Quid met een akte onder opschortende voorwaarde of onder een tijdsbepaling. De termijn begint te lopen vanaf de datum van de akte, niet vanaf de datum van de vervulling van de opschortende voorwaarde of het verstrijken van de tijdsbepaling. 3.2. Sanctie bij het niet-nakomen van de verbintenis gesteld voor het behoud van het voordeeltarief en sanctie bij niet-tijdige indiening van de verklaring van niet-vervulling van de verbintenis . Voorafgaande opmerking. De verplichting ten overstaan van de belastingadministratie tot het betalen van de aanvullende rechten en van de wettelijke intrest (zie punt 3.2.1.) en de verplichting ten overstaan van de administratie tot het betalen van de boete (zie punt 3.2.2.) rust steeds op de begiftigde. Voorbeeld: de begiftigde heeft kort na de schenking de bouwgrond verkocht waarbij de koper de in artikel 140undecies bedoelde verbintenis van de begiftigde heeft overgenomen.De koper vraagt door zijn schuld niet tijdig de stedenbouwkundige vergunning aan. Bovendien geeft hij (de koper) - hoewel hij zich, in voorkomend geval, daartoe ook tegenover de begiftigde had verbonden - niet tijdig kennis aan de administratie van het niet-uitvoeren van de overgenomen verbintenis. De belastingadministratie hoeft geen rekening te houden met het bestaan van de overeenkomst tussen de begiftigde en de koper waarbij deze laatste zich verbonden heeft de verbintenis van de begiftigde uit te voeren. De begiftigde blijft ten aanzien van de Administratie gehouden tot het betalen van de aanvullende rechten en de wettelijke interest en van de eventuele boete. Dat de koper niet tijdig de administratie verwittigd heeft van het niet-vervullen van de overgenomen verbintenis, maakt in hoofde van de begiftigde geen overmacht (zie punt 3.2.2. in fine) uit die hem zou ontslaan van het betalen van de boete. Het nieuwe artikel 140 undecies 2 VL. W. Succ. bevat twee onderscheiden sancties. De eerste sanctie - de geldelijke rechtzetting van de fiscale toestand - treft het loutere feit van het niet nakomen van de aangegane verbintenis om een stedenbouwkundige vergunning aan te vragen. De tweede sanctie - een klassieke administratieve geldboete - is van toepassing wanneer geen (15) van de begiftigden (zie verder: punt 3.2.2., derde alinea) tijdig de administratie heeft ingelicht van het feit dat de aangegane verbintenis niet werd uitgevoerd. ____________ (15) Als één begiftigde tijdig de verklaring van niet-vervulling van de aangegane verbintenis heeft gedaan, moet deze geacht worden voor alle begiftigden te zijn gedaan. 3.2.1. "Sanctie" in geval van niet-uitvoering van de aangegane verbintenis Als de begiftigde of zijn rechtsopvolger (zie supra punt 3.1.3.) binnen de in artikel 140 undecies gestelde termijn niet van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar de schriftelijke bevestiging heeft bekomen dat hij een volledige aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een woning heeft ingediend, verbeurt de begiftigde geen boete . Hij is er alsdan wel toe gehouden de aanvullende rechten te betalen, vermeerderd met de wettelijke intrest over die aanvullende rechten. Met andere woorden, de fiscale toestand van de begiftigde wordt, gelet op het feit dat hij niet voldaan heeft aan de voorwaarde gesteld voor het behoud van het voordeeltarief, rechtgezet (16), zonder dat hij een eigenlijke boete oploopt. Merk op dat de verplichting ten overstaan van de administratie tot het betalen van de bijrechten en de wettelijke intrest in principe rust op de begiftigde (of de begiftigden, elk voor hun aandeel in de schenking, indien er meerdere zijn). Indien bijvoorbeeld de bouwgrond werd verkocht en de koper zich ten opzichte van de begiftigde-verkoper had verbonden om de door de begiftigde aangegane verbintenis uit te voeren, maar die verbintenis toch niet uitvoert, kan de administratie alleen de begiftigde aanspreken tot het betalen van de aanvullende rechten en de wettelijke intrest erover, tenzij de koper zich zou hebben verbonden om in voorkomend geval de bijkomende sommen waarvan de begiftigde ten opzichte van de administratie schuldenaar zou worden bij de administratie te voldoen. In de laatste onderstelling kan de administratie zich op de verbintenis van de koper beroepen om hem tot betaling van die sommen aan te spreken. Anderzijds belet niets de vrijwillige betaling door de koper van die sommen met bevrijdende werking voor de begiftigde, indien dat in de overeenkomst tussen de begiftigde en de koper is voorzien. Het gaat hier immers niet om een boete (17). De wettelijke intrest is niet verschuldigd indien de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht. Overmacht dient hier in de gewone betekenis te worden begrepen: een onvoorzienbare gebeurtenis, onafhankelijk van de wil van de begiftigde (of zijn rechtsopvolger), die de uitvoering van de aangegane verbintenis binnen de daarvoor gestelde termijn verhindert. Het bewijs van de elementen van overmacht moet geleverd worden door de begiftigde. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden. Tenslotte moet nog opgemerkt worden dat het verlies van het in artikel 140nonies sub a), VL. W.Reg. bepaalde voordeeltarief, een weerslag kan hebben op de successierechten verschuldigd op de nalatenschap van de schenker. Dat zal eventueel het geval zijn wanneer de schenking dagtekent van minder dan drie jaar vóór het overlijden van de schenker. Door het verlies van het bedoelde voordeeltarief, verkrijgt het eerste lid van artikel 66 bis VL. W. Succ. weer volledige uitwerking ten aanzien van dergelijke schenkingen.. ____________ (16) Hij heeft immers ten onrechte een belastingvoordeel genoten. (17) Zie Werdefroy - Registratierechten nr. 204 3.2.2. Sanctie laattijdige inlichting van de administratie van de niet-uitvoering van de aangegane verbintenis Indien de aangegane verbintenis niet binnen de gestelde termijn is uitgevoerd, moet de begiftigde daarvan kennis geven aan de belastingadministratie door middel van een verklaring. Die verklaring moet gedaan worden uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de periode van drie jaar binnen dewelke de schriftelijke bevestiging van het indienen van een volledige stedenbouwkundige aanvraag had moeten bekomen worden. Wordt die verklaring niet tijdig gedaan, dan loopt de begiftigde een boete op die in principe (18) 1/3 van de aanvullende rechten bedraagt. Quid wanneer er meerdere begiftigden zijn. Als één begiftigde de verklaring heeft gedaan, moet deze geacht worden voor alle begiftigden te zijn gedaan. Indien echter geen van de begiftigden de verklaring heeft gedaan, loopt elk van hen een boete op ten belope van 1/3 van de aanvullende rechten die ieder van hen verschuldigd is. Merk op dat de begiftigde de sanctie niet oploopt wanneer een rechtverkrijgende van de begiftigde betreffende de bouwgrond (vb. een koper), binnen de gestelde termijn en in uitvoering van een met de begiftigde gesloten overeenkomst van overname van alle verbintenissen van de begiftigde, de vereiste kennisgeving aan de administratie doet met opgave van de elementen die de administratie toelaten de schenkingsakte die tegen het voordeeltarief werd geregistreerd, te identificeren. Wanneer de laattijdige indiening van de verklaring te wijten is aan overmacht , is de boete niet verschuldigd. Ook hier dient overmacht in de gewone betekenis begrepen te worden en is het aan de begiftigde om door alle middelen van recht te bewijzen dat alle elementen van overmacht aanwezig waren. Merk ook op dat de begiftigde die al vlug de zekerheid heeft dat hij de aangegane verbintenis niet zal kunnen uitvoeren, niet hoeft te wachten tot het einde van de driejarige periode bedoeld in artikel 140undecies, om de verklaring van niet-vervulling van de gestelde voorwaarde in te dienen. Door aldus vervroegd afstand te doen van het genoten belastingvoordeel, beperkt hij de looptijd van de moratoire interesten en vermijdt hij het risico op onderhavige boete. Het is evident dat hij alsdan de aanvullende rechten en de tot het ogenblik van de betaling van de aanvullende rechten gelopen wettelijke intrest verschuldigd blijft (behoudens overmacht wat de wettelijke intrest betreft). ____________ (18) De Vlaamse Regering zou kunnen besluiten dat deze proportionele boete in bepaalde gevallen verminderd moet worden. Vermits het hier gaat om een proportionele fiscale boete in de zin van artikel 219 W. Reg. en die boete ingesteld is in het kader van een door het Vlaams Gewest uitgevaardigde regeling lijkt dat wel degelijk tot de bevoegdheid van de Vlaamse Regering te behoren (cf. Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van artikel 11, eerste lid van en vaststelling van een tweede bijlage bij het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - B.S. 06.08.2004). Tot op heden heeft de Vlaamse Regering met betrekking tot deze boete nog geen barema van vermindering bepaald. INWERKINGTREDING Artikel 85 van het decreet bepaalt de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2006 met uitzondering van artikel 65 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, zijnde 30 december 2005. Artikel 65 van het decreet betreft de aanpassing van artikel 159,8° W. Reg. aan de herdefiniëring van het begrip "nieuw gebouw" in het BTW-wetboek (zie item 2 van de commentaar). Die onmiddellijke inwerkingtreding brengt in principe mee dat met ingang van de datum van de bekendmaking van het decreet, de aangepaste vermeldingen vereist door artikel 159,8°, 5de lid VL. W. Reg., in de van die datum af verleden akten of in het bij dergelijke akten gevoegd geschrift moeten voorkomen, als men de vrijstelling van het evenredig recht wil genieten. Op grond van de beslissing vermeld in Rep RJ 159, 8°, 07.02 stelt de administratie zich in de praktijk evenwel soepeler op. De overige in deze circulaire besproken bepalingen treden dus in werking op 1 januari 2006. Wat betekent dat voor de toepassing in de tijd van de twee achtereenvolgende stelsels van gunsttarief voor de schenkingen van bouwgronden ? Het oorspronkelijke stelsel is met ingang van 1 januari 2006 niet meer van toepassing. Inzonderheid moet hier herinnerd worden aan het bepaalde in artikel 140 decies . Dat artikel bepaalde - in het kader van het oorspronkelijke stelsel - dat het voordeeltarief niet van toepassing is op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na 31 december 2005 of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan 31 december 2005. De Vlaamse wetgever had hierbij de situatie voor ogen waarbij de schenking geschiedt in één akte of in twee akten (akte van aanbod en akte van aanvaarding) waarbij de enige akte of de beide akten vóór 31 december 2005 zijn verleden maar waarin een opschortende voorwaarde is bepaald of die gedaan is onder een tijdsbepaling die zich realiseert nà 31 december 2005. Het stelsel diende immers in elk geval te eindigen op 31 december 2005. Quid indien de akte van aanbod van de schenking dateert van vóór 1 januari 2006 en de akte van aanvaarding van na 31 december 2005. Het is duidelijk dat het oorspronkelijke stelsel niet meer van toepassing kan zijn op dergelijke akten. Quid echter met het nieuwe stelsel ? * Indien de akte van aanvaarding de in het gewijzigde artikel 140 undecies bepaalde vermelding en verbintenis niet bevat, kan het nieuwe stelsel in geen geval toepassing vinden. * Indien de akte van aanvaarding de in het gewijzigde artikel 140undecies bepaalde vermelding en verbintenis wel bevat, dan vindt het voordeeltarief toepassing:
(19) heffing overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 W. Reg.: eerst algemeen vast recht ; na verwezenlijking voorwaarde heffing voordeeltarief met toerekening algemeen vast recht (20) cf. artikel 140 decies dat indirect gewijzigd is door de wijziging van de in artikel 140 nonies vermelde periode (21) onmiddellijke heffing van het voordeeltarief (22) zie voetnoot 20 NAMENS DE MINISTER : De adjunct-administrateur-generaal, Paul NECKEBROECK. BIJLAGE 1 Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 30 december 2005 23 DECEMBER 2005.- Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006 Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006. … HOOFDSTUK IV VEN-gebieden Artikel 6 Artikel 55 ter van het Wetboek der successierechten wordt aangevuld met de volgende leden: "Tegen de beslissing waarbij de aflevering van het attest geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag geheel of gedeeltelijk werd afgewezen. De bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bevestigen bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan, de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend. Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de betekening van de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd.". HOOFDSTUK VII Familiale ondernemingen Artikel 10 In artikel 60 bis Wetboek der successierechten wordt een § 13 toegevoegd, die luidt als volgt: "§ 13. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest als bedoeld in de paragrafen 10 of 12 van dit artikel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag geheel of gedeeltelijk werd afgewezen. De bevoegde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bevestigen bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan, de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de betekening van de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd.". HOOFDSTUK XXI Registratierechten: aanpassing definitie nieuw gebouw Artikel 65 Voor wat betreft het Vlaamse Gewest wordt in artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, het vijfde lid, littera a), vervangen door wat volgt: "a) de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;". HOOFDSTUK XXII Schenking bouwgronden Artikel 66 In artikel 140 nonies van het wetboek der registratie- , hypotheek- en griffierechten worden de woorden: "van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005" vervangen door de woorden "van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009". Artikel 67 In artikel 140 undecies wordt de eerste zin vervangen door wat volgt: "Het in artikel 140 nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld: 1 ) dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw; 2 ) dat de begiftigde zich ertoe verbindt om binnen de drie jaren te rekenen van de datum van de akte een volledig dossier tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een woning met betrekking tot het geschonken perceel in te dienen.". Artikel 68 In hetzelfde wetboek wordt een artikel 140 undecies 2 ingevoegd, luidende als volgt: "Artikel 140 undecies2. Het voordeel van het in artikel 140 nonies bepaalde bijzonder evenredig recht blijft alleen dan behouden indien de begiftigde het overeenkomstig artikel 140 undecies aangegane verbintenis nakomt. De datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag tot het bekomen van stedenbouwkundige vergunning wordt in aanmerking genomen voor de beoordeling van de naleving van deze verbintenis. Bij niet-nakoming van de aangegane verbintenis is de begiftigde gehouden de reeds betaalde rechten aan te vullen tot de normaal verschuldigde rechten, vermeerderd met de wettelijke intrest, naar de voet in burgerlijke zaken, over die aanvullende rechten. De intresten zijn niet verschuldigd wanneer de niet nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht. De aanvullende rechten en eventuele intresten dienen betaald te worden op een verklaring van het niet-vervullen van de gestelde voorwaarde, uiterlijk in te dienen drie maanden na het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in artikel 140 undecies . Deze verklaring wordt ingediend op het kantoor waar de akte van schenking werd geregistreerd. Bij gebreke aan tijdige indiening van deze verklaring verbeurt de begiftigde bovendien een geldboete gelijk aan één derde van de aanvullende rechten. De boete is evenwel niet verschuldigd wanneer de laattijdige indiening van de verklaring het gevolg is van overmacht.". … HOOFDSTUK XXXII. - Inwerkingtreding Art. 85. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2006, met uitzondering van : - …; - artikel 65 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad ; - …; Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Brussel, 23 december 2005. De minister-president van de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid, Y. LETERME De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, Mevr. F. MOERMAN De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Mevr. I. VERVOTTE De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, D. VAN MECHELEN De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, B. ANCIAUX De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Natuur, K. PEETERS De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN De Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, Mevr. VAN BREMPT BIJLAGE 2 GECOÖRDINEERDE TEKSTEN A. SUCCESSIERECHTEN Artikel 55ter Van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld de waarde van de onbebouwde onroerende goederen gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk, zoals bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Deze vrijstelling geldt vanaf de inwerkingtreding van het definitief vastgesteld plan, zoals bedoeld in artikel 21, § 9, van hetzelfde decreet of van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, zoals bedoeld in artikel 43 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Deze vrijstelling wordt slechts toegepast op voorwaarde dat in de aangifte van nalatenschap uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 55 ter wordt verzocht. Tevens moet bij de aangifte van nalatenschap een attest gevoegd worden, waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid. De Vlaamse regering legt de nadere regels met betrekking tot dit attest vast. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van het attest geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag geheel of gedeeltelijk werd afgewezen. De bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bevestigen bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan, de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend. Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de betekening van de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd. Artikel 60bis § 1. In afwijking van artikelen 48 en 482 wordt van het successierecht vrijgesteld, de nettowaarde van : a) de activa die door de erflater of zijn echtgenoot beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming; en b) de aandelen in een familiale vennootschap of vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de onderneming of de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor ten minste 50 procent toebehoorden aan de overledene en/of zijn echtgenoot, en dat deze spontaan in de aangifte van nalatenschap worden vermeld. Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen :
Voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO) geldt de 50% eigendomsvoorwaarde niet. § 2. Onder familiale onderneming wordt verstaan : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd of uitgeoefend. § 3. Onder familiale vennootschap wordt verstaan : de vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Unie, die :
§ 4. Onder aandelen wordt tevens begrepen :
§ 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden, minstens vijf in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden. In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden 1, 2, 3 of 4 in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden de vrijstelling toegepast op respectievelijk 20 %, 40 %, 60 % of 80 % van de nettowaarde bepaald in § 9. Deze vrijstelling wordt slechts toegekend en behouden voorzover gedurende 5 jaar na het overlijden de aandelen of de vorderingen toebehoren aan de erfgenamen die de vrijstelling genoten. Wanneer een erfgenaam in de periode van vijf jaar komt te overlijden, blijft de vrijstelling slechts behouden voorzover diens aandeel in rechte lijn of tussen echtgenoten wordt vererfd. Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving. Komen niet in aanmerking de werknemers bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De vrijstelling wordt slechts behouden indien het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar behouden blijft. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden in een van de vijf jaren na het overlijden lager zou zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd. In afwijking van het vorig lid blijft de vrijstelling voorlopig volledig behouden, tijdens genoemde periode van vijf jaar, indien het voortschrijdende gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, berekend op het einde van elk van de eerste vijf jaar na het overlijden, tenminste gelijk is aan 50 procent van het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden na verloop van de termijn van vijf jaar lager is dan het aantal personeelsleden uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden, is de belasting tegen het normale tarief verschuldigd. § 6. De activa die bijkomend belegd werden in de onderneming in de laatste drie jaar voor het overlijden, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij de bijkomende belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften. Kapitaalverhogingen of bijkomende leningen, die in de laatste drie jaar voor het overlijden werden volgestort of toegestaan, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij deze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften. § 7. Indien het belegd vermogen of het kapitaal en de vorderingen bedoeld in § 1 dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de vijf jaar na het overlijden wordt het normaal tarief evenredig verschuldigd. § 8. De onderneming of de vennootschap komt slechts voor de vrijstelling in aanmerking voor zover de onderneming of de vennootschap een jaarrekening opmaakt overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting, gedurende een periode van drie jaar voor en vijf jaar na het overlijden. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest moeten een jaarrekening opmaken overeenkomstig de geldende wetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is. § 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden. Ingeval een vennootschap overeenkomstig § 3 als een familiale vennootschap wordt beschouwd op grond van het feit dat zij aandelen en desgevallend vorderingen houdt van een of meer dochtervennootschappen die aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8 beantwoorden, wordt de nettowaarde van de aandelen van en de vorderingen op de vennootschap beperkt tot de som van de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op de dochtervennootschappen die aan de voornoemde voorwaarden beantwoorden. In de mate dat de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op deze dochtervennootschappen slechts gedeeltelijk in aanmerking kunnen worden genomen volgens § 5, tweede lid, van dit artikel, wordt de nettowaarde overeenkomstig beperkt. § 10. Op straffe van verval is artikel 60 bis slechts toepasselijk voorzover de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° in de aangifte wordt uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60 bis verzocht; 2° het door het Vlaamse Gewest uitgereikte attest waaruit blijkt dat aan de door dit artikel gestelde voorwaarden, op het vlak van tewerkstelling en kapitaal, is voldaan, is bij de aangifte gevoegd. Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, behoudens teruggave, overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 8°; 3° in de aangifte wordt in een afzonderlijke rubriek vermeld voor welke activa of aandelen de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd. § 11. De erfgenamen die wensen het voordeel te genieten van artikel 60bis richten bij aangetekend schrijven een verzoek tot het bekomen van het in § 10 bedoelde attest aan de Vlaamse regering. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan die gestelde voorwaarden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in § 10, aangevraagd en verstrekt wordt. Indien bijkomende rechten verschuldigd worden, tengevolge van het niet langer vervullen van de voorwaarden vermeld in dit artikel, dienen de erfgenamen, legatarissen of begiftigden dit te melden bij wijze van aanvullende aangifte, binnen de vijf maanden nadat de verschuldigdheid definitief is komen vast te staan. Zij die de vrijstelling als bedoeld in dit artikel genoten hebben moeten, na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden, aantonen dat de voorwaarden gesteld voor het behoud van het voordeel, vervuld zijn. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot deze meldingsplicht. Bij niet-naleving van de meldingsplicht zoals bedoeld hiervoor worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van dit artikel. § 12. Het Vlaamse Gewest levert aan de bevoegde ontvanger, in de periode van vijf jaar na het overlijden, een nieuw attest af, elke keer dat de voorwaarden waaronder de vrijstelling werd bekomen wijzigingen ondergaan waardoor de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervalt. § 13. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest als bedoeld in de paragrafen 10 of 12 van dit artikel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag geheel of gedeeltelijk werd afgewezen. De bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bevestigen bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan, de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de betekening van de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd. B. REGISTRATIERECHTEN Art. 140nonies In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald : a) voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten volgens het tarief bepaald in onderstaande tabel waarin wordt vermeld : onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmend gedeelte; onder b : het totale bedrag van de belasting over het voorgaand gedeelte.
b) voor schenkingen aan andere personen dan in rechte lijn of de echtgenoot : volgens het tarief bepaald in tabel II, tabel III. of tabel IV van artikel 131, § 1, naargelang van het geval. met dien verstande dat op het gedeelte van 0,01 euro tot 150.000 euro inbegrepen, een tarief van 10 t.h. wordt geheven. Art. 140undecies Het in artikel 140 nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld: 1 ) dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw; 2 ) dat de begiftigde zich ertoe verbindt om binnen de drie jaren te rekenen van de datum van de akte een volledig dossier tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een woning met betrekking tot het geschonken perceel in te dienen. In geval van onjuiste verklaring betreffende de bestemming van de grond zijn de schenker en de begiftigde ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten en van een boete gelijk aan die rechten. Art. 140undecies2 Het voordeel van het in artikel 140 nonies bepaalde bijzonder evenredig recht blijft alleen dan behouden indien de begiftigde het overeenkomstig artikel 140 undecies aangegane verbintenis nakomt. De datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag tot het bekomen van stedenbouwkundige vergunning wordt in aanmerking genomen voor de beoordeling van de naleving van deze verbintenis. Bij niet-nakoming van de aangegane verbintenis is de begiftigde gehouden de reeds betaalde rechten aan te vullen tot de normaal verschuldigde rechten, vermeerderd met de wettelijke intrest, naar de voet in burgerlijke zaken, over die aanvullende rechten. De intresten zijn niet verschuldigd wanneer de niet nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht. De aanvullende rechten en eventuele intresten dienen betaald te worden op een verklaring van het niet-vervullen van de gestelde voorwaarde, uiterlijk in te dienen drie maanden na het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in artikel 140 undecies . Deze verklaring wordt ingediend op het kantoor waar de akte van schenking werd geregistreerd. Bij gebreke aan tijdige indiening van deze verklaring verbeurt de begiftigde bovendien een geldboete gelijk aan één derde van de aanvullende rechten. De boete is evenwel niet verschuldigd wanneer de laattijdige indiening van de verklaring het gevolg is van overmacht. Art. 159, 8° Worden van het evenredig recht vrijgesteld en aan het algemeen vast recht onderworpen : … 8° de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, andere dan die welke aan het in artikel 115bis bepaalde recht onderworpen zijn, van op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is voor de levering van de vervreemde gebouwen; de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de vestiging of de overdracht van deze rechten. De vrijstelling geldt niet voor de grond begrepen in de overeenkomst. Wanneer de gebouwen samen met de grond waarop zij staan voor een enige prijs worden vervreemd, wordt het evenredig recht wegens de vervreemding van de grond berekend over de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. Wanneer de vestiging of de overdracht van de in het eerste lid bedoelde zakelijke rechten tevens betrekking heeft op de grond waarop de gebouwen staan en voor een enige prijs gebeurt, wordt het evenredig recht wegens de vestiging of de overdracht van die rechten op de grond, berekend over de waarde van die rechten, geraamd op het tijdstip van de vestiging of de overdracht, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. In die gevallen worden de gegevens nodig voor de berekening van de rechten opgegeven in een verklaring als omschreven in artikel 168. Indien de overeenkomst betrekking heeft op het vruchtgebruik of de blote eigendom van de grond, wordt de belastbare grondslag bepaald op de wijze vermeld in de artikelen 47 tot 50. De bepalingen van dit 8° zijn alleen toepasselijk, indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld : a) de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft; b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde; c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde. In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent een boete gelijk aan het ontdoken recht. …". |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||