Décision anticipée n° 2011.571 du 08.02.2012

Datum :
08-02-2012
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Prior agreements L 24.12.2002
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

avantage anormal ou bénévole - prix de transfert - travail à faço

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Décision anticipée n° 2011.571 du 08.02.2012
Décision anticipée n° 2011.571 du 08.02.2012
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Prior agreements L 24.12.2002
Title : Décision anticipée n° 2011.571 du 08.02.2012
Document date : 08/02/2012
Publication date : 17/08/2012
Keywords : impôt sur les revenus / rémunération / société étrangère / déduction / avantage anormal ou bénévole / prix de transfert / travail à façon
Document language : FR
Name : Décision anticipée n° 2011.571 du 08.02.2012
Version : 1

Décision anticipée n° 2011.571 du 08.02.2012

 

Avantage anormal ou bénévole

Prix de transfert

Travail à façon

 

Résumé

 

L'objet de la demande consiste à savoir (i) si la rémunération payée par la société X à la société du groupe étrangère Y pour le travail à façon, est déductible dans le chef de la société X, conformément à l'article 49 CIR 92 et que les articles 54 et 198,10°, CIR 92 (combiné à l'article 307, § 1er, 3ième paragraphe, CIR 92) n'y sont pas applicables, (ii) et si la rémunération pour la délivrance de travail à façon, de la société Y à la société X, permettant à la société Y de réaliser un "Full Cost Mark-Up" de 5% sur les frais réels supportés par la société Y, en ce qui concerne les biens produits au profit de la société X, correspond à une rémunération conforme au marché en vertu de l'article 185, §2, CIR 92 et ne constitue pas un avantage anormal ou bénévole au sens des articles 26 et 79, combiné à l'article 207 CIR 92.

 

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

 

I.        Voorwerp van de aanvraag

 

1.              De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te bekomen dat:

 

1.1.        de vergoeding die de Belgische vennootschap X betaalt aan de buitenlandse groepsvennootschap Y voor het maakloonwerk, aftrekbaar is in hoofde van vennootschap X in overeenstemming met artikel 49 WIB 92 en dat de artikels 54 en 198,10° WIB 92 (jo. Art. 307, § 1, 3de paragraaf WIB 92) hierop niet van toepassing zijn;

 

1.2.        de vergoeding die vennootschap X betaalt aan vennootschap Y voor het maakloonwerk voldoet aan het "at arm's length principle" overeenkomstig artikel 185, §2, 1e lid, a) WIB 92;

 

1.3.        de door vennootschap X gedane vergoedingen niet kunnen geacht worden een abnormaal of goedgunstig voordeel uit te maken (cf. artikels 26, 79 en 207, 2e lid WIB            92).

 

2.              De aanvrager verzoekt de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen tevens te bevestigen dat de vooropgestelde vergoedingspolitiek ingang kan vinden vanaf het lopende boekjaar  en de 4 daaropvolgende boekjaren.

 

II.      Omschrijving van de verrichting

 

II.1.   Activiteiten van de aanvrager en de groep

 

3.              De groep is in handen van familiale aandeelhouders. Het hoofdkwartier is gevestigd in België. Het effectieve maakloonwerk vindt plaats in de buitenlandse productie-entiteit Y en in onafhankelijke productie-entiteiten in diverse landen. Buitenlandse vennootschap Z staat in voor de technische en logistieke opvolging op basis van een dienstenovereenkomst met vennootschap X.

 

II.2.   Functionele analyse en contractuele voorwaarden in hoofde van vennootschap X

 

4.              De groep wenst de intragroepsprijzen en gerealiseerde marges correct te verdelen over de productie-entiteit en de verkoopsentiteit en dit rekening houdend met de uitgevoerde functies en gedragen risico's. Dit volledig in de geest van de richtlijnen dewelke in deze worden vooropgesteld door de OESO.

 

5.              Een marktconforme vergoeding van de activiteiten van vennootschap X staat in relatie tot de functies en risico's dewelke door deze entiteit worden gedragen.

 

6.              Vennootschap X functioneert als verkoopsentiteit. Zij leidt haar eigen handelszaken onder haar eigen naam en op eigen risico. Ze laat het maakloonwerk verrichten door de afhankelijke en onafhankelijke productie-entiteiten maar levert het eindproduct aan de klant in eigen naam. Zij draagt dan ook het merendeel van de risico's.

 

7.              Vennootschap Y staat in voor het eigenlijke maakloonwerk en draagt voor haar activiteiten geen materiële ondernemingsrisico's.

 

III.         Motivering van de aanvraag

 

III.1. Relevante wetgeving

 

8.              Met deze aanvraag wenst de aanvrager een voorafgaande beslissing te verkrijgen dat de vooropgestelde vergoedingspolitiek voor het geleverde maakloonwerk van vennootschap Y aan vennootschap X, marktconform is en geen aanleiding geeft tot het verstrekken van een abnormaal of goedgunstig voordeel overeenkomstig het artikel 26 WIB 92 of het verkrijgen van dergelijk voordeel overeenkomstig artikelen 79 en 207 WIB 92.

 

9.              Artikel 26 WIB 92 stelt dat wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, die voordelen, onverminderd de toepassing van artikel 49 WIB 92 en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54 WIB 92, bij haar eigen winst worden gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger. Op basis van voorgaand artikel kan de vergoeding voor het maakloonwerk in casu (gedeeltelijk) aan de belastbare winst van vennootschap X worden toegevoegd indien de vergoeding voor maakloonwerk niet overeenstemt met een marktconforme vergoeding.

 

10.          Artikel 79 WIB 92 stelt dat beroepsverliezen niet worden afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

 

11.          Artikel 207 WIB 92 maakt artikel 79 WIB 92 van toepassing in de vennootschapsbelasting en breidt het uit tot de DBI-aftrek, notionele interestaftrek en investeringsaftrek.

 

12.          Indien aldus ten gevolge van de vooropgestelde vergoedingspolitiek een te lage prijs zou worden betaald aan vennootschap Y, kunnen voorvermelde aftrekken niet worden toegepast op het verkregen abnormale of goedgunstige deel.

 

13.          Artikel 185, §2, 1° lid, a) WIB 92 stelt dat, voor twee vennootschappen die deel uitmaken van een multinationale groep van verbonden vennootschappen en met betrekking tot hun grensoverschrijdende onderlinge relaties, indien tussen de twee vennootschappen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen, voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke vennootschappen, de winst die één van de vennootschappen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die vennootschap.

 

14.          Artikel 49 WIB 92 stelt dat als kosten aftrekbaar zijn, de kosten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken. De kosten dienen aldus hun oorzaak te vinden in omstandigheden die eigen zijn aan de door de vennootschap geëxploiteerde onderneming en die kunnen bijdragen tot het verwezenlijken van belastbare inkomsten. In casu dient de vergoeding voor het maakloonwerk in hoofde van de Belgische vennootschap te voldoen aan de bepalingen van artikel 49 WIB 92.

 

15.          Artikel 54 WIB 92 heeft betrekking op vergoedingen die rechtstreeks of onrechtstreeks betaald worden aan buitenlandse vennootschappen die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, niet aan een inkomstenbelasting onderworpen zijn of voor zulke inkomsten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan die inkomsten in België onderworpen zijn. Wanneer deze situatie zich voordoet, geldt een vermoeden op basis waarvan de vergoeding niet aftrekbaar is als beroepskost, tenzij de vergoeding de normale grenzen niet overschrijdt en de belastingplichtige door alle rechtsmiddelen bewijst dat de vergoeding verband houdt met werkelijke en oprechte verrichtingen.

 

16.          Op basis van artikel 198, 1° lid, 10° WIB 92 worden niet als beroepskosten aangemerkt de betalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht naar Staten die in artikel 307 § 1, derde lid WIB 92, zijn bedoeld, en die niet zijn aangegeven overeenkomstig genoemd artikel, of, als ze toch zijn aangegeven, waarvoor de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht.

 

III.2. Vooropgestelde transfert prijzen politiek    

 

17.          De vooropgestelde transfert prijzen politiek binnen de groep wat betreft de intragroepsleveringen, wordt getoetst op basis van een benchmarking study. In deze analyse werd gebruik gemaakt van het "arm's length" principe zoals vooropgesteld in de richtlijnen inzake verrekenprijzen voor de multinationale ondernemingen en voor de belastingadministraties (OESO richtlijnen met betrekking tot verrekenprijzen).

 

18.          De transfert prijzen methoden kunnen volgens deze richtlijnen worden opgedeeld in 2 categorieën, namelijk de traditionele methoden (Comparable Uncontrolled Price (CUP) methode, de resale price methode en de cost plus methode), en de transactionele winstmethoden (de transactionele nettomargemethode en de profit split methode). Hieronder worden enkele relevante methoden besproken en aangeduid waarom in casu een methode wel of niet werd weerhouden.

 

III.2.1.            De CUP methode

 

19.          Indien vergelijkbare transacties op de vrije markt kunnen worden teruggevonden is de "CUP"-methode de meest directe en betrouwbare manier om het "arm's length"-principe toe te passen, en geniet ze dus de voorkeur. Deze methode vergelijkt immers de prijs die wordt aangerekend voor goederen of diensten in een verbonden transactie met de prijs die in vergelijkbare omstandigheden wordt aangerekend voor goederen of diensten in een vergelijkbare vrije markt transactie.

 

20.          Binnen de groep is het echter niet mogelijk om deze CUP methode aan te wenden. Dit omwille van de materiële verschillen dewelke bestaan tussen transacties met verbonden entiteiten en niet verbonden entiteiten. Het grootste verschil tussen de transacties met verbonden en niet verbonden entiteiten is de kwaliteit. Vennootschap Y levert een hogere kwaliteit dan de niet verbonden entiteiten. Het is aldus onmogelijk om een één op één relatie van de diverse producten te onderscheiden laat staan om de correcte winstmarge te bepalen. Wat betreft de transacties tussen verbonden en niet verbonden entiteiten, kunnen er op de markt tevens geen vergelijkbare gegevens gevonden worden inzake open markt prijzen die vergelijkbare vennootschappen hanteren. Dit omwille van het feit dat dit zou betekenen dat inzicht wordt verworven in de kosten- en prijzenstructuur van concurrenten.

 

III.2.2.            De Full Cost Mark Up methode (FCMU-methode)

 

III.2.2.1. De Cost Plus methode (CP-methode)[1]

 

21.          De cost plus methode is een methode om een verrekenprijs te bepalen aan de hand van de door de leverancier van goederen (of diensten) gemaakte kosten in een verbonden transactie. Een passende "cost-plus"-opslag wordt aan die kosten toegevoegd om tot een passende winst te komen rekening houdend met de uitgeoefende functies (met inachtneming van de gebruikte activa en de gedragen risico's) en de marktvoorwaarden. Het resultaat na toevoeging van de "cost plus"-opslag bij bovenvermelde kosten kan worden beschouwd als een "at arm's length"-prijs voor de oorspronkelijke verbonden transactie.

 

22.          De link met vergelijkbaarheid ligt in het gebruik van gegevens inzake de vergelijkbaarheid van functies met als doel het benchmarken van de cost plus opslag. De nadruk ligt minder op de exacte vergelijkbaarheid van de goederen en diensten, maar ligt des te meer op andere elementen, inzonderheid de uitgeoefende functies, met inachtneming van de gebruikte activa en de gedragen risico's. Het gebruik van deze methode is meer geschikt voor transacties met halffabrikaten of wanneer diensten worden verleend.

 

23.          De keuze van deze methode kan als volgt worden verdedigd:

 

23.1.    de CP-methode is algemeen aanvaard als een gepaste verrekenprijzenmethode voor het vergoeden van diensten aan gelieerde ondernemingen. Het maakloonwerk kwalificeert als een dienst aan een gelieerde onderneming. Zoals aangegeven in de bovenstaande analyse, heeft vennootschap Y bovendien een laag risico-profiel. De OESO-richtlijnen (Paragraaf 7.31) vermelden dat, bij het ontbreken van een CUP-methode, de CP-methode over het algemeen het meest gepast is;

 

23.2.    de CUP-methode vereist, idealiter, dat identiek dezelfde goederen of diensten verkocht worden onder precies gelijkaardige omstandigheden. Het is uiterst moeilijk om echte "CUP's" te vinden, bijvoorbeeld door verschillend risicoprofiel, enz.;

 

23.3.    de Belgische fiscale autoriteiten aanvaarden normalerwijze de toepassing van de CP-methode voor intragroepsdienstencentra welke niet actief betrokken zijn in verkoopsactiviteiten aan externe klanten;

 

23.4.    de CP-methode is eenvoudig te implementeren, toe te passen en te controleren.

 

24.          Alhoewel de cost plus methode makkelijk toe te passen is, rijzen meteen de volgende twee problemen: het eerste probleem betreft de vaststelling van de kosten waarop de methode wordt toegepast. Het tweede probleem is de vaststelling van de mark up.

 

25.          Inzake de kostenbasis worden de rechtstreekse en onrechtstreekse productiekosten genomen, welke vanzelfsprekend verband houden met de transactie. Een ander element waar aandacht aan moet worden geschonken is consistentie in de boekhoudkundige benadering. Inderdaad, bepaalde kosten kunnen op brutomargeniveau worden doorgerekend, terwijl andere kosten op nettomargeniveau worden geboekt. Vooral inzake vergelijkbaarheid kan dit leiden tot inconsistenties en wanneer een dergelijk feit zich zou voordoen, rijst de vraag of de methode adequaat kan worden toegepast.

 

26.          Bij de toepassing van deze methode wordt de bruto marge genomen als beginpunt. Om de bruto marge bij onafhankelijke partijen te bepalen, heeft men echter informatie nodig uit de interne boekhouding. Dit is immers vereist om te weten of de kosten op een consistente basis toegewezen worden. Aangezien de publieke beschikbare informatie van derde onafhankelijke partijen dergelijke informatie meestal niet bevat, wordt de bruto marge doorgaans niet gebruikt om de marktconforme prijs te bepalen. Bovendien toont de analyse van de functies en risico's in hoofde van vennootschap Y aan dat vennootschap Y moet worden beschouwd als maakloonwerker met beperkte risico's.

 

III.2.2.2. Full Cost Mark Up method (FCMU-methode)

 

27.          Om bovenstaande reden wordt dan ook meestal de netto marge als indicator van winstgevendheid gebruikt bij de CP-methode. Door het feit dat men werkt met een operationele netto marge, merkt de aanvrager op dat deze methodiek in casu sterk overeenstemt met de transactionele netto marge methode (TNM-methode) zoals omschreven door de OESO richtlijnen.

 

28.          De transactionele netto marge methode onderzoekt immers de netto winstmarge met betrekking tot een geschikte basis (bijv. kosten, verkopen, activa) die door een belastingplichtige wordt gerealiseerd in het kader van een verbonden transactie. Bijgevolg werkt de transactionele netto marge methode op een wijze gelijkaardig aan de "resale price"- en de "cost plus"-methode.

 

29.          Aangezien er betrouwbare financiële informatie beschikbaar is van ondernemingen die vergelijkbare activiteiten verrichten, werd de transactionele netto marge methode in casu weerhouden als een aanvaardbare verrekenprijsmethode.

 

30.          Zodoende wordt de Full Cost Mark Up methode toegepast op de financiële data van de vergelijkbare onafhankelijk ondernemingen. De FCMU-methode werd geselecteerd aangezien deze methode de winstgevendheid van de maakloonwerker accuraat weergeeft, rekening houdend met de gemaakte kosten om de toegevoegde waarde van de producten te verwezenlijken. Deze waardecreërende kosten reflecteren de verwezenlijkte functies en risico's. De Full Cost Mark Up ratio wordt als volgt berekend:

 

30.1.    FCMU = operationele winst (verlies) / operationele kosten

 

31.          Waarbij de operationele winst gelijk is aan het verschil tussen de rekeningen 70 en de rekeningen 60 tot en met 64 (nl. 70 - (60 tot en met 64)) en de operationele kosten gelijk zijn aan de rekeningen 60 tot en met 64 van het Belgisch Minimum Algemeen Rekeningstelsel.

 

III.2.3.            Benchmarking study

 

32.          Om de TNM-methode te implementeren, werd ter identificatie van vergelijkbare onafhankelijke vennootschappen een vergelijkbaarheidstudie ondernomen. Hierbij heeft men een analyse uitgevoerd op de databank "Amadeus" om de onafhankelijke ondernemingen weer te vinden die geschikt zijn om een benchmark weer te geven voor de opbrengst van maakloonwerk.

 

33.          Het kwartiel interval van de weerhouden vergelijkbare vennootschappen gaat van 4,70% tot 14,08% met een mediaan van 7,00%. Met een maximum van 24,49%.

 

34.          In hoofde van vennootschap Y wenst de aanvrager een Full Cost Mark Up te hanteren van 5%. Het percentage van 5% ligt namelijk binnen de interkwartiele range van de resultaten van de studie. De aanvrager is dan ook de mening toegedaan dat vennootschap Y een marktconforme winstmarge zal realiseren.

 

35.          Tijdens het jaar zal voor elk order een kostprijscalculatie opgemaakt worden. Vennootschap X zal vennootschap Y vergoeden op basis van de geschatte kostprijs verhoogd met de mark up van 5,00%. Op het einde van het jaar gebeurt een afrekening op basis van de werkelijke kosten die gedragen werden door vennootschap Y wat betreft de geproduceerde goederen ten behoeve van vennootschap X.

 

III.3. Motivatie

 

III.3.1.            Artikels 26, 79 en 207, 2e lid WIB 92

 

36.          De beoordeling of er al dan niet sprake is van een abnormaal of goedgunstig voordeel is een feitenkwestie. Het abnormaal of goedgunstig karakter van een voordeel moet worden bepaald met inachtneming van de economische en feitelijke omstandigheden waarin de betrokken ondernemingen zich bevinden[2].

 

37.          De Full Cost Mark Up van 5,00 % betreffende het maakloonwerk dat vennootschap Y levert aan vennootschap X is gebaseerd op een transfert prijzen studie zoals hierboven beschreven. Derhalve stelt de aanvrager dat vennootschap Y een marktconforme winstmarge zal realiseren op de werkelijke kosten die gedragen worden door vennootschap Y wat betreft de geproduceerde goederen ten behoeve van vennootschap X en dat de voorgestelde vergoeding voor maakloonwerk in overeenstemming is met het at arm's length principe en in lijn is met zowel de uitgeoefende functies als de risico's in hoofde van vennootschap X.

 

38.          Bijgevolg zullen bovenstaande bepalingen van artikels 26, 79 en 207, 2e lid WIB 92 in casu niet van toepassing zijn.

 

III.3.2.            Artikel 185, §2, 1° lid, a) WIB 92

 

39.          Op basis van het bovenstaande kan tevens geconcludeerd worden dat de vergoeding voor maakloonwerk marktconform is en dat deze vergoeding met andere woorden dus niet afwijkt van de vergoeding voor maakloonwerk die bepaald zou worden tussen twee onafhankelijke partijen. Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat de bepaling van artikel 185, §2, 1° lid, a) WIB 92 niet van toepassing is.

 

III.3.3.            Artikel 49 WIB 92

 

40.          Tevens worden de kosten gemaakt in kader van de uitoefening van de beroepsactiviteit en dit met het oog op het verwerven van belastbare inkomsten. Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 92.

 

III.3.4.            Artikel 54 WIB 92

 

41.          De verkrijgende vennootschap Y is gevestigd in het buitenland en is aldaar onderworpen aan de normale regels van de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een aanzienlijk gunstiger regime voor de vergoeding voor maakloonwerk. Bijgevolg is artikel 54 WIB 92 in casu niet van toepassing.

 

III.3.5.            Artikel 198, 1e lid, 10° WIB 92 jo. 307, § 1, 3de paragraaf WIB 92

 

42.          Zoals reeds gemeld zal vennootschap Y, begunstigde van de vergoeding voor maakloonwerk, de uiteindelijke gerechtigde zijn van deze inkomsten. Het land waarin vennootschap Y gevestigd is, komt niet voor op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting zoals naar verwezen wordt onder voornoemde bepaling. De lijst van de landen die door het Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen worden aangemerkt als landen die de OESO-standaard op het gebied van uitwisseling van inlichtingen niet effectief of substantieel toepassen, is nog niet voorhanden. Bijgevolg kan de aftrek van de betaalde vergoeding in hoofde van vennootschap X niet geweigerd worden op basis van artikel 198, 1e lid, 10° WIB 92 jo. 307, §1, 3de paragraaf WIB 92 en zal er ook geen aangifteverplichting ontstaan in hoofde van vennootschap X of bewijslast opgelegd worden aan deze laatste zoals bedoeld in deze bepaling naar aanleiding van de betaalde vergoedingen voor maakloonwerk. Met andere woorden artikel 198, 1e lid, 10° WIB 92 en 307, § 1 , 3de paragraaf WIB 92 zijn niet van toepassing.

 

III.4. Conclusie

 

43.          De  aanvrager verzoekt de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen te bevestigen dat de vooropgestelde vergoedingspolitiek voor het verlenen van maakloonwerk van vennootschap Y aan vennootschap X waarbij vennootschap Y een full cost mark up zal realiseren van 5,00 % op de werkelijke kosten die gedragen worden door vennootschap Y wat betreft de geproduceerde goederen ten behoeve van vennootschap X, als een marktconforme vergoedingspolitiek kan beschouwd worden. Bijgevolg kan er geen toepassing zijn van de artikels 26, 79, 185, § 2, 1e lid a) en 207 WIB 92 en dit omwille van volgende feiten:

 

43.1.    de vooropgestelde vergoedingspolitiek werd vastgesteld conform de richtlijnen van de OESO in dit verband;

 

43.2.    er werd getracht om een CUP methode te onderbouwen doch na analyse bleek dat deze methode tot arbitraire situaties zou leiden;

 

43.3.    vervolgens werd nagegaan of de cost plus methode op basis van bruto marge kon worden weerhouden doch dit zou interne informatie vereisen van derde partijen dewelke niet beschikbaar is indien men volledige zekerheid wenst te bekomen over het marktconforme karakter ervan;

 

43.4.    uiteindelijk werd de transactionele netto marge methode weerhouden, een methode die gelijkaardig is aan de cost plus methode doch waarbij een netto marge benadering wordt gehanteerd. Een methode dewelke door de OESO wordt aanvaard teneinde het marktconforme karakter van intragroepstransacties te onderbouwen;

 

43.5.    teneinde de vooropgestelde transactionele netto marge methode te onderbouwen werd een transfert prijzen studie uitgevoerd;

 

43.6.    de vooropgestelde Full Cost Mark Up is vastgesteld in functie van de operationele marge gerealiseerd door vergelijkbare externe partijen.

 

44.          Verder verzoekt de aanvrager de Dienst Voorafgaande Beslissingen te bevestigen dat de vergoeding die vennootschap X betaalt aan de buitenlandse groepsvennootschap vennootschap Y voor het maakloonwerk, aftrekbaar is in hoofde van vennootschap X in overeenstemming met artikel 49 WIB 92 en dat de artikels  54 en 198,10° WIB 92 (jo. Art. 307, § 1, 3de paragraaf WIB 92) hierop niet van toepassing zijn.

 

45.          De aanvrager verzoekt de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen tevens te bevestigen dat de vooropgestelde vergoedingspolitiek ingang kan vinden vanaf het lopende boekjaar en de 4 daaropvolgende boekjaren.

 

IV.     Beslissing

 

46.          De vooropgestelde vergoedingspolitiek werd vastgesteld conform de OESO Richtlijnen.

 

47.          De 'Transactional net margin (TNMM)' methode zoals vermeld in de OESO Richtlijnen (2010) inzake verrekenprijzen randnrs. 2.58 en volgende, is een aanvaardbare methode om de 'arm's length' vergoeding voor de hierboven omschreven maakloonactiviteiten te bepalen.

 

48.          In voorliggende casus is het gebruik van de 'full cost mark up' (FCMU) als 'profit level indicator (PLI) aanvaardbaar :

 

48.1.    FCMU = operationele winst (verlies) / operationele kosten

 

49.          De vergoeding voor de maakloonwerker gebaseerd op een 'Full Cost Mark Up'  bedraagt 5% over de jaarlijkse bedrijfskosten van de maakloonwerker.

 

50.          Het percentage van 5% ligt binnen de interkwartiele range van de resultaten van de studie (het kwartiel interval van de weerhouden vergelijkbare vennootschappen loopt van 4,70% tot 14,08% met een mediaan van 7,00%).

 

51.          De FCMU zal worden toegepast op de werkelijke operationele kostenbasis, opgenomen onder de rekeningen die vergelijkbaar zijn met de rekeningen 60 tot en met 64 van het MAR.

 

52.          Tijdens het jaar zal voor elk order een kostprijscalculatie opgemaakt worden. Vennootschap X zal vennootschap Y vergoeden op basis van de geschatte kostprijs verhoogd met de mark up van 5,00%. Op het einde van het jaar gebeurt een afrekening op basis van de werkelijke kosten die gedragen werden door vennootschap Y wat betreft de geproduceerde goederen ten behoeve van vennootschap X.

 

53.          De aanvrager heeft bevestigd dat er geen financiering plaatsvindt vanuit vennootschap X naar vennootschap Y.

 

54.          De kosten voor het maakloonwerk worden gemaakt in het kader van de uitoefening van de beroepsactiviteit en dit met  het oog op het verwerven van belastbare inkomsten.

 

55.          De verkrijgende buitenlandse vennootschap Y is onderworpen aan de normale regels van de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een aanzienlijk gunstiger regime voor de vergoeding voor maakloonwerk.

 

          Gelet op wat voorafgaat beslist het College van de DVB dat:

 

56.          de vergoeding voor het verlenen van maakloonwerk van vennootschap Y aan vennootschap X waarbij vennootschap Y een full cost mark up zal realiseren van 5% op de werkelijke kosten die gedragen worden door vennootschap Y wat betreft de geproduceerde goederen ten behoeve van vennootschap X overeenstemt met een marktconforme vergoeding op grond van artikel 185 §2 WIB 92 en geen abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaakt in de zin van de artikelen 26 en 79 juncto 207 WIB 92;

 

57.          de vergoeding die vennootschap X betaalt aan de buitenlandse groepsvennootschap Y voor het maakloonwerk, aftrekbaar is in hoofde van vennootschap X in overeenstemming met artikel 49 WIB 92 en dat de artikels  54 en 198,10° WIB 92 (jo. Art. 307, § 1, 3de paragraaf WIB 92) hierop niet van toepassing zijn;

 

58.          deze beslissing geen uitspraak inhoudt omtrent het bedrag aan fiscaal overdraagbare verliezen en overdraagbare NIA ten name vennootschap X, noch over de gehanteerde verrekenprijzen in het verleden, noch over de vergoeding voor de technische en logistieke diensten die groepsvennootschap Z levert aan vennootschap X op basis van een dienstenovereenkomst, noch over het AL-karakter van de gebeurlijke aanrekening van kosten/diensten voor de verhuur van gebouwen en/of machines door vennootschap Z aan vennootschap Y.

 

59.          Ieder jaar voegt de aanvrager bij zijn aangifte een bijlage waaruit de correcte toepassing van deze voorafgaande beslissing blijkt.

 

60.          De in deze beslissing omschreven verrichtingen en feitelijke omstandigheden, inzonderheid het functie- en risicoprofiel van de betrokken onderneming, ondergaan geen wezenlijke wijzigingen.

 

61.          Indien toch wezenlijke feitelijke wijzigingen zouden optreden, kan de aanvrager terugkoppelen naar de DVB om de invloed van deze wijzigingen op de voorafgaande beslissing te analyseren.

 

62.          Onderhavige voorafgaande beslissing geldt voor een periode die aanvangt vanaf het lopend boekjaar  voor een periode van vijf jaar.

 


[1] Stefaan De Baets, Verrekenprijzen: OESO-richtlijnen en Belgische perspectief, Documentatieblad, 68ste jaargang, nr. 3, 3de kwartaal 2008.

[2] Cass., 31 oktober 1979, Bull. Bel., nr. 590, p. 2353; Chevalier, C., Vademecum Vennootschapsbelasting, Brussel, De Boeck & Larcier, 2009,1059.