Décision anticipée n° 600.055 dd. 04.05.2006

Datum :
04-05-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Prior agreements L 24.12.2002
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Patrimoine privé

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Décision anticipée n° 600.055 dd. 04.05.2006
Décision anticipée n° 600.055 dd. 04.05.2006
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Prior agreements L 24.12.2002
Title : Décision anticipée n° 600.055 dd. 04.05.2006
Tax year : 0
Document date : 04/05/2006
Keywords : Patrimoine privé
Document language : FR
Name : 600.055

600.055

Décision anticipée n° 600.055 dd. 04.05.2006


   Patrimoine privé
   Gestion normale du patrimoine privé
  
   Plus-value
   Plus-value sur actions


Résumé

La demande vise à obtenir une décision anticipée sur le fait de savoir si l'apport envisagé, à la valeur marchande, de participations dans la SA A, la SA B et la SPRL C dans un nouveau holding à constituer par M. X et Mme Y (frère et soeur), peut être considéré comme une opération de gestion normale du patrimoine privé visé à l'article 90, 1°, CIR 92.

Il est décidé que l'opération envisagée ne peut être considérée comme spéculative et que l'article 90, 1°, CIR 92 ne sera pas appliqué, vu les engagements du demandeur.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de geplande inbreng tegen marktwaarde van de deelnemingen in de NV A, de NV B en de BVBA C in een nieuw op te richten holdingvennootschap door dhr. X en mevr. Y (broer en zus) als een normale verrichting van beheer van privé-vermogen als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92 kan worden beschouwd.

II. Omschrijving van de verrichting

II.A. Beschrijving van de activiteiten en aandeelhouders van de betrokken vennootschappen

2. De aandelen van de betrokken vennootschappen, de NV A, de NV B en de BVBA C zijn elk voor de helft in handen van dhr. X en mevr. Y.

3. Van de NV A wordt door de aanvragers één aandeel in onverdeeldheid gehouden.

4. De NV A en de NV B zijn werkvennootschappen, terwijl de BVBA C het onroerend goed beheert en administratieve prestaties verricht.

5. De BVBA D en de BVBA E, vertegenwoordigd door de respectievelijke aanvragers, zijn de bestuurders en zaakvoerders in voormelde vennootschappen.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

6. De verrichting waarover een voorafgaande beslissing wordt gevraagd omhelst de oprichting van een nieuwe holdingvennootschap in een 50/50-verhouding door beide aanvragers bij wijze van inbreng in natura van de door hen aangehouden aandelen in de NV A, de NV B en de BVBA C tegen marktwaarde.

7. Om de éénhoofdigheid van de vennootschappen te voorkomen zullen de huidige aandeelhouders elk 1 aandeel behouden.

8. De waarde van de betrokken vennootschappen werd ondertussen bepaald door een externe adviseur gespecialiseerd in de waardering van ondernemingen, die de waarde van de aandelen heeft bepaald aan de hand van gangbare en algemeen aanvaarde waarderingstechnieken. Deze waarden zullen gehanteerd worden ter gelegenheid van de inbreng in natura.

9. De aanvragers bevestigen uitdrukkelijk dat zij zich verbinden tot de engagementen, zoals vooropgesteld door dhr. Minister van Financiën in zijn antwoord van 27.9.2005 op de parlementaire vraag nr 657 van dhr. L. Van Campenhout van 23.2.2005.

III. Motivering van de aanvraag

10. Het lijdt geen twijfel dat de deelnemingen in de NV A, de NV B en de BVBA C tot het privé-patrimonium van de aanvragers behoren. De voorgenomen transactie (inbreng van deze aandelen in een nieuw op te richten holdingvennootschap) kadert in het normaal beheer van het privé-vermogen van de aanvragers.

III.A. Specifieke verantwoording

  • Financiële beweegredenen

11. Naar de toekomst toe biedt de holdingvennootschap de mogelijkheid om de financiële middelen van de groep te centraliseren om aldus in te spelen op de verschillende financiële behoeften van de werkvennootschappen. De nieuwe structuur biedt dus betere perspectieven met betrekking tot de financieel-economische plannen van de groep.

12. Concreet ligt het in de bedoeling om de liquide middelen van de werkvennootschappen die niet onmiddellijk dienstig zijn voor hun werking in de holdingvennootschap te centraliseren, om er vervolgens de volgende bestemmingen aan te geven :

Verwerven van bijkomende deelnemingen

13. De aanvragers ontwikkelen continu nieuwe opportuniteiten in hun sector. Deze opportuniteiten worden evenwel bij voorkeur niet in dezelfde vennootschap ontplooid noch in de dochteronderneming daar zulks een ongewenste risico-accumulatie inhoudt.

14. Een zusteronderneming is de meest gewenste structuur doch daartoe is een holdingvennootschap nodig teneinde (via onder andere dividenden) vlot gelden te laten transfereren van één vennootschap naar de andere vennootschap.

15. Bovendien kan via de holdingstructuur een eenvoudige en transparante groepsstructuur aangehouden worden door alle deelnemingen in één enkele vennootschap te centraliseren. De verwerving van bijkomende deelnemingen door werkvennootschappen zou, naast voormelde accumulatie van risico's, ook leiden tot een onoverzichtelijke, complexe groepsstructuur.

Kapitaalverhoging doorvoeren in de BVBA C

16. De onderkapitalisatie van de BVBA C dient zeer dringend weggewerkt te worden. Daartoe zou een gedeelte van de voormelde overtollige liquiditeiten door de holdingvennootschap aangewend worden om een kapitaalverhoging door te voeren in de BVBA C.

Wegwerken van onderlinge rekeningen-courant met zustermaatschappijen in de BVBA C

17. In samenhang met de vorige beweegreden zouden de onderlinge rekening-couranten in de BVBA C met de zustermaatschappijen weggewerkt worden. De groep dient aldus niet bezwaard te worden met externe kredieten teneinde een werkvennootschap toe te laten haar interne schulden ten opzichte van een andere werkvennootschap van de groep af te bouwen, wat de solvabiliteit op groepsniveau ten goede komt.

Financiering uitbreiding beroepsmatig onroerend goed in de BVBA C mogelijk maken

18. De kapitaalverhoging in de BVBA C zal eveneens dienstig zijn om investeringen in beroepsmatig onroerend goed door de BVBA C mogelijk te maken.

Bijkomende financieringen onderhandelen met bankiers op groepsniveau

19. Door de holdingstructuur zal het mogelijk zijn om op groepsniveau betere voorwaarden te bekomen bij toekomstige kredietonderhandelingen.

  • Bedrijfseconomische beweegredenen

Afscherming tegen bedrijfsrisico's

20. Het ligt in de bedoeling van de aanvragers om het kapitaal en de reserves van de exploitatievennootschappen af te schermen tegen de mogelijke negatieve gevolgen van een exploitatie, meer bepaald een faillissement. Er is immers een steeds toenemende concurrentie uit de lage-loon landen, waardoor Belgische productieondernemingen zwaar onder druk komen te staan. Door het onderbrengen van de overtollige liquiditeiten in de holdingvennootschap kan voorkomen worden dat schuldeisers erop aanspraak kunnen maken.

21. Door de afscheiding van het gespaarde vermogen wordt het ook mogelijk om als interne financier voor de werkmaatschappijen op te treden. De liquide middelen die niet onmiddellijk dienstig zijn voor de werking zullen via de holdingvennootschap geïnvesteerd worden.

Financiering van de uitbreiding van het machinepark

22. Momenteel is er een investering gepland in een nieuwe machine voor een omvangrijk bedrag.

23. De volgende zaken zijn ondertussen gerealiseerd of zijn in realisatie sinds de vorige afsluiting van het boekjaar :

23.1. aankoop van terreinen en gebouwen;

23.2. uitbreiding van de gebouwde onroerende goederen;

23.3. investering in onroerend goed (via de BVBA C).

  • Successoriale motieven

24. Een derde reden voor de oprichting van de holdingvennootschap situeert zich in het kader van successieplanning.

25. De Vlaamse successierechten voorzien in een mogelijkheid om familiale ondernemingen te vererven tegen een 0 % tarief (zie artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten zoals van kracht in het Vlaams Gewest). Om van dit 0 % tarief te kunnen genieten dienen een aantal voorwaarden vervuld te zijn. Zo dienen er drie jaar vóór het overlijden tenminste vijf in Vlaanderen tewerkgestelde voltijdse werknemers te zijn. Ook na het overlijden dient het niveau van tewerkstelling in de vennootschap nog vijf jaar te worden aangehouden.

26. De aanvragers benadrukken dat het zeker niet de bedoeling is om het personeelsbestand af te bouwen, doch de economische conjunctuur valt niet te voorspellen. Het is dus mogelijk dat er vijf jaar na overlijden door economische omstandigheden minder werknemers zijn dan op de dag van het overlijden, terwijl één jaar voor of na dit tijdstip er misschien wel meer werknemers waren of zullen zijn.

27. Door de oprichting van de holdingvennootschap kunnen de aandelen van de holdingvennootschap, en dus onrechtstreeks van de exploitatievennootschappen, aan het nul procent tarief worden vererfd onder de verplichting om het personeelsbestand van de holdingvennootschap minstens gedurende vijf jaar in stand te houden.

28. De nieuwe holdingvennootschap zal dus een actieve holdingvennootschap zijn, waarin minstens vijf personeelsleden zouden tewerkgesteld worden.

III.B. Engagementen

  • Inbreng als kapitaal

29. De aandelen van de NV A, de NV B en de BVBA C zullen niét aan de holdingvennootschap middels een verkoop tegen schuldig gebleven prijs op rekening-courant overgedragen worden, doch wel bij wijze van een inbreng in natura.

30. Er zal dus enkel een omruiling van aandelen gebeuren, waardoor er geen persoonlijke geldelijke verrijking zal ontstaan in hoofde van de ruilende aandeelhouders. Tevens zullen de bestaande aandelenverhoudingen gerespecteerd worden.

  • Geen kapitaalvermindering in de holding

31. Gedurende een periode van minstens drie jaar te rekenen vanaf de datum van de inbreng, zal er geen kapitaalvermindering door de holdingvennootschap doorgevoerd worden.

  • Geen kapitaalvermindering door de werkvennootschappen

32. Gedurende een periode van minstens drie jaar te rekenen vanaf de datum van de inbreng zullen er geen kapitaalverminderingen doorgevoerd worden door de werkmaatschappijen.

33. Indien een kapitaalvermindering toch vereist zou zijn, zullen die middelen door de holdingvennootschap worden gebruikt voor - bijvoorbeeld - nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen zonder dat deze geldmiddelen zullen doorstromen naar de aandeelhouders-natuurlijke personen

  • Geen wijziging in dividendpolitiek

34. Gedurende een periode van minstens drie jaar te rekenen vanaf de datum van de inbreng zullen de dividenduitkeringen aan de holdingvennootschap aangewend worden voor nieuwe investeringen en financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere dividenduitkeringen zullen niet doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen.

35. De toekomstige dividenden naar de holdingvennootschap vanuit de werkmaatschappijen en de bijkomende financiering op holdingniveau zullen alhier dienen om een kapitaalverhoging te verrichten in de BVBA C, ter financiering van bijkomende investeringen en terugbetaling van bestaande onderlinge rekening-couranten.

36. Mocht tijdens voormelde periode van drie jaar, een hoger dividend uit de werkvennootschappen nodig blijken om een uittredende aandeelhouder te moeten uitbetalen, zullen de dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van de eventuele lening of de aflossing van een eventuele rekening-courant die werd aangegaan voor de uitkoop van deze uittredende aandeelhouder. De terugbetaling van de lening of de aflossing van de rekening-courant zal in voorkomend geval over een voldoende lange periode worden gespreid (minimum 5 jaar).

  • Geen wijziging in managementfees

37. Gedurende een periode van minstens drie jaar te rekenen vanaf de datum van de inbreng zullen de door de werkmaatschappijen te betalen managementfees, bedrijfsleiderbezoldigingen, enzovoort, overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleiderbezoldigingen.

38. Indien de geldstroom vanuit de werkmaatschappijen naar de holdingvennootschap eventueel hoger zou zijn dan de vroegere bedrijfsleiderbezoldigingen, zal dit enkel gebeuren indien er daadwerkelijke prestaties tegenover staan zoals bijvoorbeeld boekhouding, personeel,..., die vroeger op het niveau van de werkmaatschappijen werden verricht en na de inbreng door de holdingvennootschap worden uitgevoerd (eventueel met overdracht van het betrokken personeel) én indien deze prestaties marktconform worden doorgerekend.

39. In casu zullen de bestuurdersvergoedingen naar de BVBA D en de BVBA E niet beïnvloed worden door de oprichting van de holdingvennootschap.

40. In het kader van de successiewetgeving zullen er minstens vijf personeelsleden op holdingniveau tewerkgesteld worden, die momenteel tewerkgesteld zijn in de BVBA C. De doorrekening van hun prestaties naar de werkvennootschappen zal marktconform gebeuren.

41. Het marktconform karakter van bovenstaande vergoeding maakt niet het voorwerp uit van de aanvraag.

III.C. Besluit

42. De aanvragers zijn van mening dat de geplande verrichting beantwoordt aan een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen overwegende dat :

42.1. de inbreng tegen marktwaarde van de deelnemingen in de NV A, de NV B en de BVBA C in de nieuw op te richten holdingvennootschap door de aanvragers louter een juridische reorganisatie van de groep betreft;

42.2 op geen enkel ogenblik er op korte en middellange termijn effectieve verrijking in hoofde van de aanvragers zou plaatsvinden;

42.3. de managementfees aangerekend voor diensten verricht door de holdingvennootschap aan andere groepsvennootschappen marktconform zullen zijn;

42.4. de waarde van de werkmaatschappijen werd bepaald door een externe adviseur gespecialiseerd in de waardering van ondernemingen.

IV. Beslissing

43. De inbreng van de aandelen van de NV A, de NV B en de BVBA C in de nog op te richten holdingvennootschap moet als een verrichting worden beschouwd.

44. De meerwaarde die bij de inbreng van de aandelen wordt gerealiseerd is niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92.

45. De aandelen zijn portefeuillewaarden als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92 en behoren tot het privé-vermogen van de aanvragers.

46. Gelet op het feit dat de aanvragers zich uitdrukkelijk verbinden tot de engagementen (zie punt 9) kan worden aangenomen dat de verrichting niet als hoofddoel belastingontwijking heeft en zal artikel 90, 1°, WIB 92 niet worden toegepast.