Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 16.06.2006
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Ordre de paiement,Commandement,Interruptif
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 16.06.2006
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 16.06.2006
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 16.06.2006 Tax year : 0 Document date : 16/06/2006 Document language : FR Modification date : 26/02/2008 09:16:32 Name : A1 06/0920 Version : 1
ARRET A1 06/0920 Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 16.06.2006 Ordre de paiement - Commandement - Interruptif Le tribunal fiscal a été confronté à un ordre de paiement interruptif de la prescription dans le cadre d'une réclamation relative à l'exercice d'imposition 1990, à propos de laquelle aucune décision n'avait encore été prise. Dans les deux cas, le contribuable avait introduit une citation en vue d'obtenir la prescription conformément à la jurisprudence de la Cour de cassation du 21 février 2003 et du 12 mars 2004. Le fisc a invoqué l'article 49 de la loi-programme du 9 juillet 2004, qui serait un article interprétatif et aurait au moins un effet rétroactif. Il en résulterait qu'aucune prescription ne serait intervenue. Le tribunal nie qu'il soit question d'une loi interprétative, mais attribue néanmoins à l'article 49 précité un effet rétroactif. Le tribunal suit ainsi le raisonnement de la Cour d'arbitrage (Cour d'arbitrage, 2005/177, 7 décembre 2005, www.arbitrage.be), aussi pour un ordre de paiement interruptif de la prescription.
Commentaire Cette décision se caractérise par le fait que le tribunal n'opère pas de distinction entre un ordre de paiement et un commandement (contrairement aux tribunaux de Liège, Louvain et Bruges). Sur ce point, le tribunal confirme sa propre jurisprudence.
Voir à ce propos :
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zestien juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden: P. W., enig rechter, N. D., adjunct-griffier. In zake: A.R.Nr. 05/6491/A N.V. V. I., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer ..., met BTW-nummer ..., met maatschappelijke zetel gevestigd te ... . EISENDE PARTIJ - verschijnende bij meester M. C., advocaat, kantoorhoudende te ... . t e g e n: DE BELGISCHE STAAT, - vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te ..., - ontvanger der directe belastingen te Antwerpen, ..., - die beiden voor deze rechtspleging woonplaats kiezen op het kantoor van de dienstchef van de Juridische Cel van de Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering - sector Directe Belastingen te Antwerpen, district A, dat gevestigd is te ... . VERWERENDE PARTIJ - verschijnende bij meester P. B. loco meester P. V.D.S., advocaat, kantoorhoudende te ... . Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer: - het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 21 oktober 2005, - de besluiten van partijen. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro. Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 26 mei 2006. * * * De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat overeenkomstig artikel 145 KB/WIB92 iuncto artikel 2244 BW het recht van verweerders om de aanslag gevestigd ten laste van eiseres in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1990 onder kohierartikel 205054 in te vorderen, vervallen is tengevolge van verjaring, dienvolgens verweerders te veroordelen tot de terugbetaling van alle ten onrechte eenzijdig door verweerders ingehouden en afgedwongen bedragen, meer moratoriumintresten conform artikel 418 WIB92 en de kosten van het geding. Relevante feiten Ten laste van eiseres werd voor aanslagjaar 1990 de aanslag in de vennootschapsbelasting, kohierartikel 205054, op 30 december 1992 uitvoerbaar verklaard en op 6 januari 1993 verzonden aan eiseres. Bij bezwaarschrift, toegekomen bij de bevoegde directeur der directe belastingen op 4 maart 1993, werd voornoemde aanslag betwist door eiseres; de administratie heeft het onbetwist verschuldigd gedeelte vastgesteld op nihil. De administratie heeft betreffende deze aanslag een verjaringstuiend beval tot betaling betekend aan eiseres op 4 december 1997 en vervolgens op 24 oktober 2000. Bij aangetekende brief van 11 oktober 2005 verzocht de raadsman van eiseres de administratie om te bevestigen dat het recht van invordering is vervallen ten gevolge van de verjaring. Aangezien de administratie niet bevestigde dat het recht van invordering was vervallen ten gevolge van de verjaring, heeft eiseres deze betwisting aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. Beoordeling Krachtens artikel 145, lid 1 KB/WIB92 verjaren directe belastingen door verloop van vijf jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te zijn krachtens artikel 413 WIB92, zijnde binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet. Te dezen werd het aanslagbiljet toegezonden op 6 januari 1993 zodat de vijfjarige verjaringstermijn begon te lopen vanaf 7 maart 1993; bijgevolg was de invordering van deze belasting in principe verjaard op 7 maart 1998. Krachtens artikel 145, lid 3 KB/WIB92 kan voornoemde verjaringstermijn echter worden gestuit op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende BW of door afstand te doen van de op de verjaring verlopen termijn. Volgens de verweerder werd de verjaringstermijn rechtsgeldig gestuit door de betekening van het verjaringstuitend bevel tot betaling op 4 december 1997 en op 24 oktober 2000. Krachtens artikel 2244 BW vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting; de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring eveneens krachtens artikel 2248 BW. Een bevel tot betaling is een handeling waarbij een gerechtsdeurwaarder een uitvoerbare titel betekent aan de schuldenaar en hem aanmaant de daarin opgenomen verbintenis uit te voeren, onder bedreiging dat, in geval van weigering, de openbare macht tegen hem zal worden gebruikt; de schuldeiser moet derhalve over een uitvoerbare titel beschikken, wil hij een bevel tot betaling laten betekenen. Het dwangbevel inzake inkomstenbelastingen geldt krachtens artikel 148 KB/WIB92 als een dergelijk bevel tot betaling; het dwangbevel geeft de nalatige belastingschuldige kennis van de uitstaande belastingschuld en roept krachtens artikel 149 KB/WIB92 op tot betaling binnen 24 uren, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag. Om te dezen na te gaan of de aanslag, kohierartikel 205054, op het ogenblik van de betekening van het verjaringstuitend bevel tot betaling op 4 december 1997 en op 24 oktober 2000 de noodzakelijke uitvoerbare titel uitmaakt, dient rekening te worden gehouden met de artikel 409 en 410 WIB92. Krachtens artikel 410 WIB92 kan slechts het daarin omschreven onbetwistbaar verschuldigd gedeelte van de ingekohierde belastingschuld door alle middelen van tenuitvoerlegging ingevorderd worden. Inzake inkomstenbelastingen is een dwangbevel een middel van tenuitvoerlegging dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en een uitvoerende beslagmaatregel voorafgaat; geen middelen van tenuitvoerlegging kunnen worden aangewend om het met een bezwaar of beroep bestreden gedeelte van de ingekohierde belastingschuld in te vorderen; een betalingsbevel betekend voor een aldus betwiste belastingschuld kan niet geldig zijn en heeft geen stuitende werking (Cass. 12 maart 2004 inzake rolnummer C020596F, en Cass. 21 februari 2003, F.J.F. 2003/169). Te dezen staat het ontegensprekelijk vast dat - ingevolge het bezwaarschrift van 4 maart 1993 waarover geen uitspraak is gedaan - het onbetwist verschuldigd gedeelte nihil bedroeg op het ogenblik van de betekening van het verjaringstuitend bevel tot betaling op 4 december 1997 en op 24 oktober 2000; de betalingsbevelen van 4 december 1997 en 24 oktober 2000 werden aldus betekend voor een alsdan volledig betwiste belastingschuld zodat deze verjaringstuitend genoemde bevelen tot betaling niet geldig zouden zijn en geen stuitende werking zouden hebben. Verweerder verwijst naar artikel 44ter WIB92, doch dit artikel werd slechts ingevoerd bij artikel 297 van de wet van 22 december 2003 ( B.S. 31 december 2003), is in werking getreden op 10 januari 2004 en heeft geen terugwerkende kracht; bijgevolg is artikel 443ter WIB92 niet van toepassing wanneer de verjaring reeds vaststond op 10 januari 2004. Verder verwijst verweerder naar artikel 49 van hoofdstuk XII van de Programmawet van 9 juli 2004 ( B.S. 15 juli 2004) dat als volgt bepaalt: "Interpretatie van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, op het vlak van de inkomstenbelastingen: Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 KB/WIB92, moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft." Volgens verweerder is voornoemd artikel 49 een interpretatieve wet zodat de uitgelegde wet van in den beginnen verondersteld wordt de door de uitleggingswet omschreven betekenis te hebben gehad en bijgevolg als dusdanig worden toegepast door de rechtbank. Een uitleggingswet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen (Cass. 17 februari 2000, Arr. Cass. 2000/134, blz. 454). Krachtens artikel 7 Ger. W. is de rechtbank gehouden zich naar de uitleggingswetten te gedragen in alle zaken waarin het rechtspunt niet definitief berecht is op het tijdstip waarop die wetten bindend worden. Doordat voornoemd artikel 49 van hoofdstuk XII van de Programmawet van 9 juli 2004 zich ertoe beperkt het begrip bevel tot betaling in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek te interpreteren in de enkele aangelegenheid van de inkomstenbelastingen, verleent ze ten slotte aan de term "bevel tot betaling" een verschillende betekenis naar gelang van de materie waarop hij wordt toegepast. Voornoemd artikel 49 kan bijgevolg niet zo worden beschouwd dat ze aan artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, een bepaling met algemene draagwijdte, opnieuw een originele betekenis geeft die beperkt zou zijn tot de aangelegenheid van de inkomstenbelastingen. Indien voornoemd artikel 49 ertoe strekt een probleem op te lossen dat enkel in het fiscaal recht rijst, vloeit dat probleem in werkelijkheid voort ui het onaangepaste karakter van de verwijzing die in artikel 145 KB/WIB92 - overigens overgenomen in artikel 443bis WIB92, ingevoerd bij artikel 297 van de programmawet van 22 december 2003 - wordt gemaakt naar de in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde wijzen van stuiting van de verjaring; dat probleem kan niet worden opgelost door het begrip bevel tot betaling in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek te interpreteren en die interpretatie te beperken tot de aangelegenheid van de inkomstenbelastingen. Voornoemd artikel 49 kan bijgevolg niet worden beschouwd als een interpretatieve bepaling (Arbitragehof 1 februari 2006, http://www.arbitrage.be, B.12.3 - B.12.4). Nu voornoemd artikel 49 niet beschouwd kan worden als een interpretatieve bepaling, dient te worden nagegaan of dit artikel geen retroactieve werking heeft. Ofschoon aan voornoemd artikel 49 door geen enkel ander artikel van de programmawet van 9 juli 2004 uitdrukkelijk terugwerkende kracht werd verleend, blijkt zowel ui het opschrift van hoofdstuk XII van die programmawet, waarvan artikel 49 het enige artikel vormt, als uit de parlementaire voorbereiding ervan, dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is geweest daaraan een retroactief effect te geven, zodat het van toepassing moet worden geacht op feiten die nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De terugwerkende kracht van wetsbepalingen, die van die aard is dat zij rechtsonzekerheid in het leven kan roepen, kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht van de wetskrachtige norm tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. Aangezien voornoemd artikel 49 hangende procedures beïnvloedt, moet het Hof onderzoeken of de terugwerkende kracht van die bepaling voldoet aan elk van de vermelde voorwaarden. Voornoemd artikel 49 werd verantwoord (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/015, p. 2) door het feit dat de verjaring van betwiste belastingen steeds gestuit werd door de betekening van een dwangbevel en de rechtsgeldigheid ervan steeds werd erkend tot op het ogenblik van de arresten van het Hof van Cassatie van 10 oktober 2002 en 21 februari 2003. Wanneer de Staat een dwangbevel had betekend, kon hij wettig ervan uitgaan dat hij op geldige wijze de verjaring had gestuit, zelfs wanneer de belastingschuld werd betwist (arbitragehof 1 februari 2006, http://www.arbitrage.be B.12.4 tot en met B.14.1 en B.14.4). De arresten van 10 oktober 2002 en 21 februari 2003 hebben tot gevolg gehad dat de wijze van stuiting van de verjaring die gewoonlijk inzake inkomstenbelastingen werd gehanteerd, op retroactieve wijze, haar uitwerking werd ontnomen. Een categorie van belastingplichtigen werd aldus bevrijd van een schuld die ze hadden betwist maar waarvan niet kan worden vermoed dat ze niet verschuldigd was. De wetgever heeft zelf een retroactieve bepaling aangenomen om de retroactieve werking van de met de voormelde arresten ontstane jurisprudentiële regel te neutraliseren. Dat een retroactieve bepaling wordt aangewend kan te dezen tevens worden verklaard door de ontstentenis van een bepaling die het mogelijk maakt aan het Hof van Cassatie te vragen om de gevolgen van de in zijn arresten aangenomen principiële standpunten in de tijd te beperken, terwijl zowel het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (artikel 231, tweede alinea, van het E.G.-Verdrag), als het Arbitragehof (artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) en de Raad van State (artikel 14ter van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State) de gevolgen van akten die ze vernietigden kunnen handhaven. Bovendien is tijdens de parlementaire voorbereiding vastgesteld, enerzijds, dat de fiscale achterstand inzake de inkomstenbelastingen "voor meer dan veertig procent bestaat uit betwiste aanslagen" (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/001 en 51-0474/001, p. 148) en, anderzijds, dat bepaalde dossiers die het voordeel van het door het Hof van Cassatie ingenomen standpunt zouden genieten betrekking hadden "op grote fiscale fraude" (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/015, p. 7). In zoverre hij, zonder vooruit te lopen op de rechten van de belastingplichtigen, de rechten van de Schatkist vrijwaarde ten aanzien van betwiste belastingen, kon de maatregel geacht worden te beantwoorden aan vereisten van algemeen belang. Ten slotte beperkt de terugwerkende kracht van de in het geding zijnde bepaling niet op onevenredige wijze de rechten van de belastingplichtigen, die, tot de arresten van het Hof van Cassatie, ervan uitgingen dat het bevel dat hun werd betekend, de verjaring geldig had gestuit. Het feit dat zij op onverwachte wijze vermochten te hopen het voordeel van de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie te genieten, kan geen afbeuk doen aan de verantwoording van het optreden van de wetgever. het blijkt dus dat de maatregel is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden en is ingegeven door dwingende motieven van algemeen belang en derhalve geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel (Arbitragehof 1 februari 2006, http://www.arbitrage.be, B.14.7, B.14.8, B.14.10 tot en met B.15). De terugwerkende kracht van voornoemd artikel 49 schendt evenmin de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en met het eigendomsrecht (Arbitragehof 1 februari 2006, http://www.arbitrage.be, B.15 tot en met B.17). Aangezien die rechtspraak enkel betrekking had op de aangelegenheid van de inkomstenbelastingen, vermocht de wetgever zijn optreden te beperken tot die aangelegenheid zodat voornoemd artikel 49 geenszins een onverantwoord verschil in behandeling in het leven heeft geroepen tussen de schuldenaars van een betwiste belastingschuld en de schuldenaars die aan het gemeen recht zijn onderworpen (Arbitragehof 1 februari 2006, http://www.arbitrage.be, B.18.1 tot en met B.18.3). Bijgevolg heeft voornoemd artikel 49 een retroactieve werking. Volgens eiseres is voornoemd artikel 49 toch niet van toepassing omdat dit artikel enkel handelt over het "dwangbevel", terwijl te dezen op 4 december 1997 en op 24 oktober 2000 geen dwangbevel werd betekend doch een "verjaringstuitend bevel tot betaling". Voornoemd artikel 49 impliceert dat het dwangbevel, inzake de inkomstenbelastingen, een tweevoudig karakter had, namelijk: - akte van onmiddellijke vervolging in de zin van de artikelen 148 en 149 KB/WIB92 - verjaringstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter had (Arbitragehof 1 februari 2006, http://www.arbitrage.be, B.9). Aangezien het dwangbevel een tweevoudig karakter had en onder meer een verjaringstuitend akte in de zin van artikel 2244 van Burgerlijk Wetboek was, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter had, wordt de verjaringstermijn niet enkel rechtsgeldig gestuit door het dwangbevel, maar ook door voornoemd "verjaringstuitend bevel tot betaling" van 4 december 1997 en van 24 oktober 2000. Voornoemd artikel 49 is van toepassing op feiten die nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing zodat de verjaringstermijn aldus rechtsgeldig werd gestuit op 4 december 1997 en op 24 oktober 2000 door de betekening van de verjaringstuitende bevelen tot betaling. Bijgevolg is de invordering van de aanslag ten laste van eiseres in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1990, kohierartikel 205054, geenszins verjaard. Krachtens artikel 377 WIB92 schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden. OM DIE REDENEN DE RECHTBANK, Rechtdoende op tegenspraak, Alle andere en strijdige conclusies verwerpend. Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af. Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door de verweerder begroot op 400,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding. N. D. P. W. |
|||||||