Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.02.2003
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Activité économique,Perception de recettes permanentes,Location d'une voiture par une personne à sa société
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.02.2003
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.02.2003
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.02.2003 Tax year : 2005 Document date : 21/02/2003 Keywords : Activité économique / Perception de recettes permanentes / Location d'une voiture par une personne à sa société Document language : FR Name : A1 03/1 Version : 1
ARRET A1 03/1 Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.02.2003 FJF 2003/144 Activité économique - Perception de recettes permanentes - Location d'une voiture par une personne à sa société La location d'un bien corporel constitue une exploitation de ce bien qui doit être considérée comme une activité économique au sens de l'article 4, alinéa 2, de la Sixième directive lorsque cette location vise à procurer des recettes durables. La circonstance qu'un bien n'est adapté qu'à une exploitation économique suffit en règle pour pouvoir admettre que le propriétaire l'exploite pour son activité économique et donc pour en retirer des recettes ayant un caractère de permanence. Si, en revanche, un bien peut être utilisé tant à des fins économiques qu'à des fins privées (comme un véhicule automobile), toutes les circonstances de l'exploitation doivent être examinées avant de conclure que le bien a été réellement utilisé en vue de procurer des recettes ayant un caractère de permanence. Dans ce dernier cas, la comparaison des circonstances dans lesquelles la personne exploite effectivement le bien avec celles dans lesquelles une activité économique portant sur ce bien est en règle exercée, peut être utilisée pour apprécier si l'activité est orientée vers la perception de recettes ayant un caractère de permanence. En l'espèce, le Tribunal constate que le requérant n'a donné en location qu'un véhicule automobile à une seule société dont il était gérant et associé et qu'il n'existe aucun élément objectif duquel il ressort qu'il aurait exercé une activité professionnelle réelle de location ou qu'il en aurait eu l'intention. De la comparaison des circonstances dans lesquelles le requérant a donné le bien en location avec celles dans lesquelles s'opère en règle la location d'un véhicule, le Tribunal conclut que cette activité n'était aucunement orientée vers la perception de recettes ayant un caractère de permanence. Le requérant ne peut donc être considéré comme un assujetti à la TVA Enig rechter : M. Wolles Advocaten : Mr. Vanbellen loco Mr. Dauginet en loco Mr. Huber, Mr. van Lidth de Jeude P.D. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro. Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 24 januari 2003. *** De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat eiser niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 4 W.B.T.W. zowel in formulering van toepassing vóór 1 januari 1993 als na 1 januari 1993, dienvolgens het dwangbevel Reg. 127/1257, uitgevaardigd op 8 januari 1997, te vernietigen, eiser integraal te ontslaan van betaling van de gevorderde bedragen en verweerder te veroordelen alle ten onrechte ingehouden en/of door eiser betaalde bedragen aan eiser terug te betalen, meer de intresten en de kosten van het geding. Bij conclusie, neergelegd op 20 juni 2001, heeft eiser in ondergeschikte orde gevorderd te zeggen voor recht dat in de mate dat eiser zou kunnen worden beschouwd als B.T.W.-plichtige - quod non - toepassing dient te worden gemaakt van artikel 56 § 2 W.B.T.W. zodat geen B.T.W. verschuldigd is, in meer ondergeschikte orde heeft eiser gevorderd verweerder te veroordelen om aan hem schadevergoeding te betalen wegens de foutieve niet-uitvoering van artikel 4, lid 2 W.B.T.W. en in meest ondergeschikte orde heeft eiser gevorderd aan hem toe te staan dat hij alle inkomende B.T.W. geheel in aftrek kan brengen zodat de vordering van verweerder hiermee wordt gecompenseerd. Relevante feitenBij factuur van 30 april 1991 heeft de B.V.B.A. Garage A. een nieuwe personenwagen van het merk Citroën XM verkocht aan de echtgenote van eiser.Deze wagen werd de hierna volgende periodes voor de hierna volgende huurprijs verhuurd aan de B.V.B.A. Verzekeringskantoor P.P., waarvan eiser zaakvoerder en vennoot was, namelijk :
BeoordelingHuidige betwisting heeft betrekking op de vraag of eiser, ingevolge de verhuur van één personenwagen aan de B.V.B.A. Verzekeringskantoor P.P., als B.T.W.-belastingplichtige dient beschouwd te worden.Krachtens artikel 4, lid 1 van de Zesde B.T.W.-richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit; verder bepaalt artikel 4, lid 2 dat de in lid 1 bedoelde economische activiteiten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter omvatten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen en dat als economische activiteit onder andere wordt beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. De verhuur van een lichamelijke zaak is een exploitatie van die zaak, die aan te merken is als economische activiteit in de zin van voornoemd artikel 4, lid 2 wanneer die verhuur erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen. De omstandigheid dat een zaak uitsluitend voor economische exploitatie geschikt is, volstaat in de regel om te kunnen aannemen dat de eigenaar ze ten behoeve van zijn economische activiteiten exploiteert en dus om duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Indien daarentegen een zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privé-doeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht, teneinde uit te maken of zij werkelijk worden gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. In het laatste geval kan het vergelijken van de omstandigheden waarin de betrokkene de zaak daadwerkelijk exploiteert, met die waarin de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht, een methode zijn om te bepalen, of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Ofschoon voorts criteria verband houdend met de resultaten van de activiteit op zich niet geschikt zijn om te bepalen of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen, kunnen bij dat onderzoek de werkelijke duur van de verhuur van de zaak, de omvang van de clientèle en het bedrag van de opbrengsten - factoren dus die tot het geheel van de omstandigheden van het concrete geval behoren - te zamen met andere factoren in aanmerking worden genomen (HvJ 26 september 1996, Jur. HvJ 1996, I, 4517), Een personenwagen kan ontegensprekelijk zowel voor economische doeleinden als voor privé-doeleinden worden gebruikt zodat alle exploitatieomstandigheden moeten worden onderzocht, teneinde uit te maken of deze wagen werkelijk werd gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Voor de periode van 16 december 1991 tot 31 december 1994 heeft eiser slechts één personenwagen verhuurd aan één vennootschap, waarvan hij zaakvoerder en vennoot was. Uit geen enkel objectief element blijkt dat eiser een werkelijke beroepsactiviteit van verhuur heeft uitgeoefend of hiertoe het voornemen heeft gehad. Niettegenstaande de verhuur van één personenwagen erop gericht kan zijn duurzaam opbrengsten te verkrijgen, dient uit de vergelijking van de omstandigheden waarin eiser de verhuur van deze wagen heeft verricht met de omstandigheden waarin de verhuur van wagens in de regel wordt verricht ongetwijfeld te worden afgeleid dat deze activiteit er geenszins op gericht was duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Bijgevolg dient eiser dan ook niet als B.T.W.-belastingplichtige te worden beschouwd. Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraadDoor partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.Om die redenen De Rechtbank, Rechtdoende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend. Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond. Verklaart het dwangbevel, Reg. 127/1257, uitgevaardigd op 8 januari 1997, van nul en generlei waarde en ontslaat eiser tot betaling van de gevorderde bedragen. Veroordeelt verweerder alle ten onrechte ingehouden en/of door eiser betaalde bedragen aan eiser terug te betalen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.B.T.W. Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding. |
|||||||||||||||||||