Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.06.2006

Datum :
21-06-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Acquisition indépendante du garage considéré comme accessoire d'une maison d'habitation pour l'application de l'art. 53, 2° C. enr.,Amende art. 204 C. enr.

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.06.2006
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.06.2006
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.06.2006
Tax year : 0
Document date : 21/06/2006
Keywords : Acquisition indépendante du garage considéré comme accessoire d'une maison d'habitation pour l'application de l'art. 53, 2° C. enr. / Amende art. 204 C. enr.
Document language : FR
Modification date : 05/12/2006 09:10:08
Name : A1 06/2
Version : 1

ARRET A1 06/2


Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 21.06.2006



Acquisition indépendante du garage considéré comme accessoire d'une maison d'habitation pour l'application de l'art. 53, 2° C. enr. - Amende art. 204 C. enr.

EE/BW 4353

    La partie adverse prétend que l'acquisition d'un garage qui a son propre revenu cadastral, qui est situé de l'autre côté de la rue et qui a une valeur économique autonome puisqu'il peut être vendu à des tiers séparément de la maison d'habitation, ne forme pas un accessoire de l'habitation.

    Le tribunal juge que l'acquisition de la maison d'habitation et du garage doit être considérée comme un tout, bien que séparée en deux actes. Les biens ont été acquis comme formant un tout, dans le but d'attribuer à la maison sa fonction de lieu de résidence, comprise dans l'acceptation actuelle de cette notion.

    Les deux revenus cadastraux doivent être additionnés, de ce fait la limite légale pour l'application du tarif réduit est dépassée.

    Il est établi que la passation de deux actes sans explication sur le fait qu'ils soient liés ne révèle pas tous les éléments de la convention, il est satisfait de ce fait à ce que requiert l'article 204 C. enr. pour son application. L'affirmation que « les instructions du bureau de vente et du notaire ont été suivies » ne suffit pas pour accorder la remise ou la diminution de l'amende.

    Etant donné qu'il n'est constaté aucun lien causal entre la seule faute du notaire ou de l'agent immobilier d'une part et l'amende qui a été appliquée d'autre part, la requête pour décharger respectivement le notaire, et l'agent immobilier devient sans objet.



VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig juni tweeduizend en zes
in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,
N. D., adjunct griffier.

In zake : A.R. Nr. 02/1280/A

1. V. J.,
kok,

2. V. V.,
bediende,

- beiden wonende te K.

EISENDE PARTIJEN OP HOOFVORDERING
- verschijnende bij meester H. C. loco meester P. N., advocaat, kantoorhoudende te S.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,
vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, in persoon van de heer Ontvanger van het derde registratiekantoor te Mechelen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Van Benedenlaan 12.

EERSTE VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING
- verschijnende bij meester R. V. loco meester A. v., advocaat, kantoorhoudende te A.

D. M.,
notaris, kantoorhoudende te M. (volgens inleidende dagvaarding), kantoorhoudende te M. (volgens dagvaarding in gedwongen tussenkomst en eigen conclusies).

TWEEDE VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING EISENDE PARTIJ IN GEDWONGEN TUSSENKOMST EN VRIJVARING
- verschijnende bij meester A. H., advocaat, kantoorhoudende te M.

en

B.V.B.A. C.,
ingeschreven in het handelsregister te M., ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer …, met zetel gevestigd te M.

VERWERENDE PARTIJ IN GEDWONGEN TUSSENKOMST EN VRIJWARING
- verschijnende bij meester Ch. D. loco meester G. V., advocaat, kantoorhoudende te A.

* * *

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

  • het tussenvonnis van de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 6 juni 2005,
  • de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 3 oktober 2005,
  • de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 15 mei 2006.

* * *

I. Bijrechten verschuldigd of niet (verlaagd tarief of niet)

De debatten werden heropend om partijen toe te laten zich hierover uit te spreken.

Eerste verweerder Belgische Staat omschrijft in conclusie de wat verderop in de straat gelegen garage met eigen kadastraal inkomen als een aanhorigheid van het woonhuis, want gelegen op normale afstand ervan, plus slechts bestemd tot gebruik samen met het woonhuis in het geheel van de woonfunctie ervan.

Tweede verweerder notaris D. verwijst op dit punt naar het standpunt van verweerster in tussenkomst en vrijwaring, de makelaarster.

Eisers raken de vraagstelling wel aan, beperken er zich echter toe met veel woorden te stel¬len dat de Staat ongelijk heeft (blz. 10 conclusie na tussenvonnis), zonder poging de vraagstelling zelf te beantwoorden.

Verweerster in tussenkomst en vrijwaring doet zulks wel, verwijst naar de tekst van art. 53, 2° W.Reg., en naar art. 5 van KB 11 januari 1940 dat het door dit wetsartikel aangewende begrip 'aanhorigheid' uitwerkt krachtens uitdrukkelijke opdracht daartoe.

Zij stelt (blz. 4 conclusie na tussenvonnis) dat de garage met eigen kadastraal inkomen aan de andere kant van de straat ligt, en dat ze autonome economische waarde heeft omdat ze los van verkoop van het woonhuis aan derden kan worden verkocht, met aldus "in casu een autonome functie".

Uit door de rechtbank in het tussenvonnis gedane vaststellingen blijkt dat de aankoop van het woonhuis en de garage als een, weliswaar in akten gesplitst, geheel moet worden beschouwd.

Eisers hebben de goederen als samenhangend geheel aangekocht, met het oog op de door hen aan het huis toegekende functie van woonplaats, in hedendaagse invulling van dit begrip.

De verwerving vormt aldus, zoals vastgelegd in de overigens gelijktijdige onderhandse akten, en ondanks ook de latere afzonderlijke authentieke akten, een geheel.

Zulks noopt tot optelling van de beide kadastrale inkomens, waardoor de wettelijke grens tot toépassing van het verlaagd tarief te dezen was overschreden.

Deze lezing is in overeenstemming met art. 53, 2° W.Reg. en met art. 5 van het uitvoerings-KB.

II. Boete ex art.204 W.Reg. of niet

Het staat vast dat door de verlijding van twee authentieke akten zonder daarbij duiding op hun samenhang, niet alle bestanddelen van 'de overeenkomst' te kennen zijn gegeven, waardoor de toepassingsvereiste van art. 204 W.Reg. is voldaan.

Eisers vallen als contractpartij hieronder.

Toepassing van art. 204 W.Reg. leidt van rechtswege tot de erin bepaalde boete.

De rechtbank heeft evenwel volle rechtsmacht (EHRM 4 maart 2004, TFR 2004/60, waarvan Overweging 29) ter beoordeling van de te dezen toegepaste administratieve boete zonder deze beoordeling echter te mogen baseren op loutere billijkheid (bv. Cass. 21 jan. 2005, R.W. 2005 06, 1015).

De in 1999 geschiede opheffing van art. 205 W.Reg. is in dit kader hier niet relevant.

Eisers brengen te dezen geen aanvaardbare uitleg bij voor de aparte verlijding der notarisakten door niet alleen verdaging van een ervan naar een datum waarop ze zelf niet aanwezig konden zijn maar ook terwijl de koopsom reeds ter beschikking lag, zelfs reeds was betaald, op de dag van verlijding der eerste akte (zie hierover ook het tussenvonnis).

Zij stellen 'de instructies van het verkoopkantoor en van de notaris (te hebben) gevolgd' (blz. 6 en blz. 7 conclusie na tussenvonnis).

Tegenover de Belgische Staat volstaat zulks uiteraard niet om kwijtschelding of vermindering van de boete te bekomen, nu zulks het voldaan zijn in hunnen hoofde van art. 204 W.Reg. niet wegneemt als deelnemers aan de gesplitste authentieke akten die niet alle bestanddelen van de overeenkomsten als geheel hebben doen kennen.

Eiser hebben hun medewerking verleend aan afzonderlijke authentieke akten waarbij niet alle bestanddelen van de overeenkomst te kennen werden gegeven, wat beoordeling naar al of niet verschuldigdheid van bijrechten heeft bemoeilijkt, ongeacht al of niet onduidelijkheid op zich over verschuldigdheid van hoger tarief bij wel bekendmaking van die bestanddelen.

Weliswaar stelt art. 204 W.Reg., als vereiste voor oplegging der boete, dat er sprake is van een ontdoken recht, wat niet wegneemt dat te dezen niet alle bestanddelen ter beoordeling daarvan bekend zijn gemaakt door het verlijden van twee afzonderlijke akten, in bovendien door eisers niet verhelderde omstandigheden.

Er is hier een ontdoken recht (tariefverschil) en door de aparte akten zijn hier tegelijk niet alle bestanddelen van de overeenkomst te kennen gegeven.

De hoofdvordering tegen de Belgische Staat is bijgevolg niet gegrond.

III. Vorderingen in vrijwaring

Eisers vorderen in vrijwaring ten laste van de notaris als tweede verweerder op hoofdeis.

De notaris vordert op zijn beurt in vrijwaring ten laste van de makelaarster bij wijze van tussenvordering middels later exploot van dagvaarding.

Niet ten genoegen van recht staat een oorzakelijk verband vast tussen enige fout in hoofde van de notaris of van de makelaarster enerzijds en de toegepaste boete anderzijds.

Het is met name aan eisers het positieve bewijs van oorzakelijk verband in te vullen, wat zij met loutere beweringen over instructies of over eigen onwetendheid te dezen niet doen.

Zulks geldt ongeacht het wel erg vreemde verweer van de notaris op het vlak van onderzoek naar fout, dat hij persoonlijk bij het verlijden der ene akte niet op de hoogte zou zijn geweest over de andere nog te verlijden akte, in het licht van de immers onmiddellijk in volgnummer op de eerste notarisakte gevolgde authentieke volmacht (stuk 20 eisers op hoofdeis) door de verkoper aan een der notarisbedienden met het oog op latere verlijding der andere akte.

Afwezigheid van vaststelling van oorzakelijk verband maakt nut tot foutonderzoek in hoofde van zowel notaris als makelaarster in ieder geval zonder voorwerp.

Daardoor vervalt tegelijk de noodzaak tot nuttig onderzoek van de verhaalsvordering van de notaris op de makelaarster, vordering die dan immers zonder voorwerp wordt.

IV. Tegenvorderin¬g

De (op hun hoofdvordering ondergeschikte) vrijwaringsvordering door eisers ten laste van tweede verweerder op hoofdvordering, houdt niets tergends of roekeloos in, nu zij uit hun standpunt niet onredelijk van oordeel konden zijn een verhaalsvordering voldoende in rechte te kunnen onderbouwen, zodat de tegenvordering als ongegrond moet worden afgewezen.

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart zich bevoegd,

Verklaart alle vorderingen toelaatbaar,

Verklaart de vorderingen door eisers op hoofdvordering ten laste van zowel eerste als tweede verweerder ongegrond,

Verklaart de vordering door tweede verweerder op hoofdvordering in vrijwaring ten laste van verweerster in tussenkomst zonder voorwerp,

Verklaart de tegenvordering van dezelfde tegen eisers op hoofdvordering ongegrond,

Veroordeelt eisers op hoofdvordering tot de kosten van hun respectieve hoofdvorderingen, deze in hoofde van eerste verweerder Belgische Staat door de rechtbank vereffend op 356,97 EUR bij wijze van rechtsplegingvergoeding, respectievelijk in hoofde van tweede verweerder M. D. vereffend op 364,40 EUR bij wijze van rechtsplegingvergoeding,

Veroordeelt eiser op tegenvordering, M. D. tot de kosten ervan, deze door de rechtbank in hoofde van verweerders op tegeneis vereffend op 364,40 EUR rechtsplegingvergoeding,

Compenseert bijgevolg deze laatste twee rechtsplegingvergoedingen,

Veroordeelt eiser in vrijwaring M. D. tot de kosten van zijn vrijwaringvordering, deze door de rechtbank in hoofde van verweerster in vrijwaring BVBA C. vereffend op 364,40 EUR rechtsplegingvergoeding,

Wijst partijen voor zoveel nodig elk af van het meer en van het anders gevorderde.