Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.200

Datum :
23-10-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Professionnel de l'immobilier

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.200
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.200
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.200
Tax year : 0
Document date : 23/10/2006
Keywords : Professionnel de l'immobilier
Document language : FR
Name : BR1 06/3

 

ARRET BR1 06/3

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 23.10.2006.

Professionnel de l'immobilier - Revente partielle après reconstruction - Base imposable des droits complémentaires (art. 64 C. enr.)

EE/97.505

    Un bâtiment acquis avec application de l'article 62 C. enr. a été démoli par le professionnel. Le professionnel a construit sur le terrain une nouvelle construction. Cette construction a été revendue avec application de la T.V.A.

    Un quart du bien acquis initialement sous le régime de l'article 62 n'était pas compris dans cette revente.

    Les droits dus sur base de l'article 64 C. enr. sur la partie qui n'a pas été revendue doivent être calculés sur la bas imposable originale, qui concernait donc le terrain avec le bâtiment dessus.
Ce jugement a été confirmé par un arrêt de la Cour d'appel de Gand du 21.10.2008


De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge,

VIERDE KAMER,

heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 00/486/A
Rep.nr. 2006/13318

de N.V. V, (H.R. Gent nr….), met zetel te G.,
eiseres
voor wie optreedt Meester G. V., advocaat met kantoor te E.,

TEGEN

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, met burelen te ...,
verweerder
voor wie optreedt Meester L. D., advocaat met kantoor te B.,

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het inleidende verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank alhier de dato 15.02.2000.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 18 september 2006.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Bij akte verleden voor notaris V. heeft eiseres op 3 februari 1988 een villa gelegen te K. en gekend ten kadaster Sie C nrs. …, aangekocht voor de prijs van 173.525,46 EUR. De registratie van deze aankoop gebeurde aan het gunsttarief van 5 % zoals voorzien in de artikelen 62 tot 71 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Bij akte verleden voor notaris V. de dato 12 december 1989 werd in eiseres een villa gelegen te K. en gekend ten kadaster Sie C nrs. …, ingebracht.
Bij akte verleden voor notaris P. heeft eiseres op 23 september 1992 een gekoppelde villa in aanbouw gelegen te K. en de helft van de grond hetzij de helft van de percelen gekend ten kadaster Sie C nrs. … (nadien samengevoegd tot het perceel gekend ten kadaster Sie C nr. …) verkocht.
Bij akte verleden voor notaris D. heeft eiseres op 16 mei 1997 een basisakte opgesteld voor de opgerichte villa (villa T. I en villa T. II) en voor de haar nog toebehorende onverdeelde onroerende gerechtigheden in de grond (de helft in volle eigendom van het totale perceel grond waarop beide gekoppelde villa's zijn opgericht en bekend ten kadaster Sie C nr …).
Bij akte verleden voor notaris D. heeft eiseres op 16 mei 1997 de villa T. I en 500/1000sten in de gemeenschappelijke delen, waaronder de onverdeelde helft van de grond, verkocht.
Aangezien eiseres bij het verstrijken van de in artikel 64 van het W.Reg. gestelde termijn nog steeds eigenaar was van ¼ van het initieel onder het stelsel van artikel 62 aangekocht onroerend goed, werd op 2 juni 1999 door de gewestelijke directeur der registratie en domeinen beslist dat de aanvullende rechten op basis van artikel 64 W.Reg. verschuldigd zijn en dat, bij gebrek aan een tijdige verklaring, eveneens een boete verschuldigd is.
Eiseres verklaarde zich niet akkoord met deze beslissing.
Bij ministeriële beslissing van 6 januari 2000 werd de eerder op 7 juni 1999 genomen beslissing bevestigd. De boete werd evenwel kwijtgescholden.
Bij tegensprekelijk verzoekschrift de dato 15 februari 2000 tekent eiseres verzet aan tegen voormelde beslissing van 6 januari 2000.
2.2. Eiseres vordert dat :

  • De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
  • Dienvolgens de ministeriële beslissing van 6.01.2000 en de daarop betrekking hebbende aanslag worden vernietigd.
  • Akte wordt verleend van haar aanbod om op de proportionele grondwaarde een bedrag van 938,90 EUR registratierechten te betalen.
  • Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van onderhavige procedure, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 356,98 EUR.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 356,97 EUR.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de gegrondheid.
3.2.1. Uit de verkoopakte van 23 september 1992 en uit de basisakte van 16 mei 1997 blijkt duidelijk dat eiseres de gronden gekend ten kadaster Sie C nrs. … als één juridisch en feitelijk geheel beschouwde. Aangezien eiseres op 23 september 1992 de helft van de percelen gekend ten kadaster Sie C nrs. … en vervolgens op 16 mei 1997 de helft van de haar toebehorende onverdeelde grond heeft verkocht, kan niet ernstig worden betwist dat eiseres bij het verstrijken van de termijn van wederverkoop (zie artikel 64 W.Reg.), m.a.w. op 31 december 1998, nog steeds eigenaar was van ¼ van de grond die werd aangekocht op 3 februari 1988 (zijnde de percelen gekend ten kadaster Sie C nrs. …).
3.2.2. De op grond van artikel 64 W.Reg. verschuldigde rechten moeten berekend worden op de oorspronkelijke heffingsgrondslag, die dus betrekking had op de grond met het gebouw erop. Aangezien ¼ van de onder het gunstregime aangekochte oppervlakte niet tijdig werd doorverkocht, werd de belastbare waarde dan ook terecht bepaald op ¼ van 173.525,46 EUR.
3.2.3. Verder is het non bis in idem-beginsel niet geschonden aangezien de heffing op de aankoop van 3 februari 1988 en de heffing op de wederverkoop taxaties zijn die betrekking hebben op 2 totaal verschillende rechtshandelingen.
3.2.4. Tenslotte houdt eiseres nog voor dat de huidige Belgische wetgeving die registratierechten heft op grond en gebouwen die door nieuwe werden vervangen in strijd is met de zesde richtlijn. Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat deze grief niet dienend is aangezien het in casu uitsluitend een invordering betreft van aanvullende registratierechten die opeisbaar zijn geworden wegens niet naleving van de voorwaarden in artikel 64 van het wetboek der registratierechten.
3.2.5. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.
3.3. nopens de kosten.
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag drieëntwintig oktober tweeduizend en zes.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.