Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 27.10.2008
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Dissimulation de prix (art. 203 C. enr.) - Déclaration de l?acquéreuse dans le cadre d?une enquête pénale ? Enquête pénale classée sans suite
Originele tekst :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 27.10.2008
Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 27.10.2008
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 27.10.2008 Document date : 27/10/2008 Keywords : dissimulation / amende Decision : Favorable Document language : FR Name : Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 27.10.2008 Version : 1 Court : firstAuthority/Brugge_firstAuthority
Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 27.10.2008
Dissimulation de prix (art. 203 C. enr.) - Déclaration de l'acquéreuse dans le cadre d'une enquête pénale - Enquête pénale classée sans suite
EE/99.427
D'un procès-verbal rédigé dans le cadre d'une enquête pénale, il apparaît que l'acquéreuse a déclaré aux verbalisants qu'elle a payé lors de l'acquisition d'un terrain à bâtir, un certain montant en noir par la remise de deux chèques au vendeur lors de la conclusion du compromis.
Le compromis mentionne qu'aucun acompte n'a été versé.
Les chèques sont établis au nom de l'amie de la personne concernée par la vente. Cette personne concernée déclare dans le cadre de la même procédure pénale que la plus grosse partie du montant est allée pour le vendeur et que le surplus est allé en tant que commission pour des intermédiaires qui étaient concernés par la vente.
L'acquéreuse a immédiatement payé les droits complémentaires et l'amende pour dissimulation.
Le tribunal estime le paiement en noir prouvé pour ce qui dépasse le prix mentionné dans l'acte notarié.
Le fait que l'enquête pénale ait été classée sans suite par le parquet est sans intérêt, étant donné que l'enquête concernait des pratiques de blanchiment à charge d'autres personnes que le vendeur et l'acquéreuse.
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 05/3494/A
de heer D. W. K.wonende te Z.,
eiser voor wie is opgetreden Meester E. D. C. loco Meester P. B. M., advocaat met kantoor te S.-M.
TEGEN
De F.O.D. FINANCIEN.Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur-Ontvanger van het 2e kantoor der Registratie te BRUGGE, met burelen te 8000 BRUGGE, Gulden Vlieslaan 36,
verweerder voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te B.,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie d.d. 1 december 2005.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van het door verweerder overlegde bundel.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 29 september 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Bij notariële akte d.d. 23 januari 2001 heeft eiser een perceel bouwgrond te J., 760m2 groot gelegen aan de G. en Z. bij het kadaster gekend onder sie C 454/T, verkocht aan mevrouw J. D. voor de prijs van 2.400.000 BEF (59.494,45 EUR). De registratie van deze verkoop is gebeurd aan een registratierecht van 12,5 %, zijnde 300.000 BEF (7.436,81 EUR).
De verkoopwaarde van het overgedragen onroerend goed wordt door de ontvanger van het tweede registratiekantoor te Brugge, wettelijk belast met de controle, geschat op 3.040.000 BEF (75.359,63 EUR) of een tekortschatting van 640.000 BEF (15.865,19 EUR). De verschuldigde bijrechten aan 12,5 % bedragen zodoende 80.000 BEF (1.983,15 EUR). Een verminderde boete van 1/5 van de aanvullende rechten wordt opgelegd, zijnde 16.000 BEF (396,63 EUR), overeenkomstig het barema gevoegd bij het KB van 11 januari 1940. De bijrechten en boete worden voldaan op 6 november 2002 door mevrouw J. D., zijnde koper van het betreffende onroerend goed.
Op 6 maart 2003 werd de ontvanger van het tweede registratiekantoor te Brugge in kennis gesteld van strafonderzoek waaruit indiciën van fraude zouden blijken bij de verkoop d.d. 23 januari 2001 van het betreffende onroerend goed. Er werd vastgesteld dat mevrouw J. D. bij het afsluiten van het compromis van de verkoop op 22 december 2000 twee cheques heeft uitgeschreven t.b.v. respectievelijk 400.000 BEF (9.915,74 EUR) en 700.000 BEF (17.352,55 EUR) bij wijze van voorschot.
Overeenkomstig artikel 203 W. Reg. worden op 20 maart 2003 eiser en mevrouw J. D. aangetekend aangeschreven tot betaling van verschuldigde bijrechten en boete ingevolge prijsbewimpeling. De bijrechten bedragen 1.425,39 EUR, ondeelbaar verschuldigd door de contracterende partijen. De boete bedraagt 3.408,54 EUR, verschuldigd door elke contracterende partij apart.
Op 11 april 2003 wordt door mevrouw J. D. het bedrag van 4.833,93 EUR betaald (zijnde 1.425,39 EUR bijrechten en 3.408,54 EUR boete). Mevrouw J. D. is overleden op 18 februari 2006.
Bij gebrek aan betaling van de boete door eiser werd op 21 oktober 2005 een dwangbevel opgesteld door P. B., eerstaanwezend inspecteur, ontvanger van het tweede registratiekantoor te Brugge en dit dwangbevel werd op 25 oktober 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. V., gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, directie registratie te Brugge. Het dwangschrift werd aan eiser betekend op 10 november 2005.
Op 1 december 2005 wordt door eiser een verzoekschrift neergelegd ter griffie. 2. Eiser vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; - dienvolgens de bestreden beslissing wordt tenietgedaan; - verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding t.b.v. 650,00 EUR; - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
3. Verweerder vraagt om de vordering ongegrond te verklaren, eiser te veroordelen tot betaling van de boete t.b.v. 3.408,54 EUR te verhogen met intresten aan 7% vanaf 10 november 2005 en eiser te veroordelen tot de gedingkosten met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding t.b.v. 650,00 EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond.
1. Uit het proces-verbaal d.d. 16 januari 2003 (stuk 5 van verweerder) blijkt dat in het kader van het strafonderzoek mevrouw J. D. aan de verbalisanten verklaard heeft dat zij bij het sluiten van het compromis een voorschot betaald heeft door middel van twee cheques. Zij verklaarde dat zij bij de aankoop van de bouwgrond 1.100.000 BEF in het zwart heeft betaald en dat dit is gebeurd door overhandiging van twee cheques aan eiser bij het sluiten van het compromis.
In het verkoopscompromis d.d. 22 december 2000 tussen eiser en J. D. betreffende de verkoop van de bouwgrond tegen een prijs van 2.400.000 BEF, is daarentegen vermeld dat er geen voorschot is betaald op het ogenblik van ondertekening van het compromis.
Uit de stukken blijkt verder dat op 22 december 2000, zijnde de datum van het compromis, J. D. twee cheques heeft uitgeschreven, één van 400.000 BEF en één van 700.000 BEF. De begunstigde van deze cheques is de vriendin van een van de betrokkene bij de verkoop van het perceel bouwgrond. Deze betrokkene, zijnde D. R., heeft aan de verbalisanten verklaard dat het grootste deel van het bedrag van 1.100.000 BEF, zijnde 700.000 BEF, naar eiser is gegaan en dat 400.000 BEF als commissie is gegaan naar onderhandelaars betrokken bij de verkoop.
Verder blijkt dat J. D. de bijkomende rechten en haar boete wegens prijsbewimpeling onmiddellijk betaald heeft.
2. Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank dan ook vast dat afdoende bewezen is dat bij de betreffende verkoop van het perceel bouwgrond de koper 1.100.000 BEF in het zwart betaald heeft boven de prijs die is vermeld in de notariële akte en er zodoende sprake is van prijsbewimpeling.
Het feit dat het strafonderzoek door het parket werd geklasseerd zonder gevolg is van geen belang, gezien het een onderzoek betrof naar witwaspraktijken van andere personen dan J. D. en eiser.
3. Gezien er reeds een dwangbevel werd uitgevaardigd en betekend aan eiser, beschikt yerweerder over een uitvoerbare titel en dient in huidig vonnis eiser niet uitdrukkelijk te worden veroordeeld tot betaling van de boete
C. Betreffende de kosten.
Gezien eiser in het ongelijk gesteld wordt, dient hij overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen.
De waarde van de eis situeert zich in totaal tussen de 2.500 en 5.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 650,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de eis van eiser toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde begroot op de rechtsplegingvergoeding t.b.v. 650,00 EUR en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingvergoeding t.b.v. 650,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag zevenentwintig oktober tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter; L. N., griffier.
|
|||||||