Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 28.06.2006
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Schadevergoeding
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
||||||||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 28.06.2006
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 28.06.2006
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 28.06.2006 Tax year : 0 Document date : 28/06/2006 Document language : NL Modification date : 28/11/2006 08:09:53 Name : A1 06/4 Version : 1
ARREST A1 06/4 Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 28.06.2006 Schadevergoeding De belastingplichtige vordert middels een tegensprekelijk verzoekschrift fiscale moratoriuminteresten en daarenboven gerechtelijke interesten krachtens het gemeen recht. Een vordering tot toekenning van gerechtelijke interesten dient ingeleid te worden middels een dagvaarding.
Commentaar
De rechtbank stelt dat hoewel de civielrechtelijke vordering bijkomstig is aan de fiscale vordering, de civielrechtelijke vordering middels dagvaarding diende ingeleid te worden.
Het feit dat het een geschil in verband met de toepassing van een belastingwet betreft in de zin van artikel 569, 1 ste lid, 32° van het Ger. Wb. belet niet dat een deel van de vordering een civielrechtelijke vordering is. De rechtbank stelt dat het arrest dd. 8 januari 2004 van het Hof van Cassatie in casu niet van toepassing is. Aldaar betrof het een subsidiaire vordering ten opzichte van een primaire vordering, terwijl het hier om 2 (met elkaar vervlochten) primaire vorderingen gaat. De rechtbank verklaart de civielrechtelijke vordering ontoelaatbaar. De vordering tot toekenning van fiscale moratoriuminteresten is wel toelaatbaar. De rechtbank bevestigt dus haar rechtspraak dat de vordering tot toekenning van een schadevergoeding overeenkomstig het gemeen recht een hoofdvordering is en dus dient ingeleid te worden middels een dagvaarding. Artikel 700 van het Ger. Wb. stelt immers dat hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Een verzoekschrift mag slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft. Het Hof van Cassatie had in een arrest dd. 8 januari 2004 (Cass. 8 januari 2004, RW 2004-05, 64) gesteld dat wanneer een rechtsgeding regelmatig wordt ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak, de eiser, voor het geval die hoofdvordering niet zou worden ingewilligd, in die akte van rechtsingang tevens een subsidiaire vordering kan instellen, ook al had die, als het om een hoofdvordering zou gaan, bij dagvaarding ingesteld moeten worden. De rechtbank aanvaardt in casu echter niet dat de civielrechtelijke vordering subsidiair is aan de fiscale vordering. Zie aangaande eerdere rechtspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (Rb. Antwerpen 12 oktober 2005, AR 04/223/A; 21 oktober 2005, AR 04/4588/A, 04/4589/A, 04/4590/A en 04/4591/A en 25 november 2005 AR 04/3652/A) en het hof van beroep te Antwerpen (Antwerpen, 31 januari 2006, 2004/AR/3005) besproken in Fisc. Act. 2006, nr. 20. Auteur: A. Bellens V O N N I S gewezen en uitgesprokenin het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden: L. B., rechter, voorzitter van de kamer, P. W., rechter, M. G., rechter, N. D., adjunct-griffier. In zake: A.R.Nr. 02/3244/A V.d.V. A., bediende, wonende te ... . EISENDE PARTIJ - verschijnende bij meester K. L., advocaat, kantoorhoudende te ... . t e g e n: DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Directe Belastingen, Gewestelijke Directie Antwerpen II, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen Antwerpen II, wiens kantoren gevestigd zijn te ... . VERWERENDE PARTIJ - verschijnende bij mevrouw C. G., in haar hoedanigheid van adjunct-controleur.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 31 mei 2006. * * * De middels verzoekschrift op tegenspraak gestelde vordering behelst een dubbele primaire vordering, een fiscale en een civielrechterlijke. De ene vordert fiscale moratoriumintrest, en de andere vordert daarbovenop civielrechtelijke gerechtelijke intrest krachtens aldus het gemeen recht. Weliswaar vormt de civielrechtelijke vordering slechts bijzaak op de fiscale vordering, wat evenwel niet belet dat aldus een deel der middels verzoekschrift ingeleide vordering, die in haar geheel een hoofdvordering vormt, te deze niet voldoet aan de vereiste van artikel 700 Gerechtelijk Wetboek, met name te zijn ingeleid middels dagvaarding. Het door eiser opgeworpen gegeven dat de Voorzitter der rechtbank middels toepassing van artikel 88 Gerechtelijk Wetboek heeft beslist dat het te dezen gaat om een geschil in verband met de toepassing van een belastingwet in de zin van art.569 lid 1 32° Gerechtelijk Wetboek (Beschikking 15 juli 2004), belet niet dat een dee der vordering een civiele vordering vormt. Overigens bepaalt de Beschikking van de Voorzitter, onder artikel 88 Gerechtelijk Wetboek, slechts de interne toewijzing zonder evenwel het beoordelingsrecht van de rechtbank over de rechtsgrond aan te tasten (art.88 §2 laatste lid Gerechtelijk Wetboek). Waar eiser ter overtuiging nog verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 8 januari 2004 Rol C010180N ( www.cass.be ), kan hij daarin niet worden bijgetreden. Aldaar betrof het een subsidiaire vordering ten opzichte van een primaire vordering, waar het te dezen gaat om twee (met elkaar vervlochten) primaire vorderingen (vgl.hier ook J.L. in R.W.2004-05, 64, noot op bovenvermeld cassatiearrest, randnummer 5). Art.700 Gerechtelijk Wetboek is te dezen niet nageleefd, zodat de vordering op dit onderdeel ontoelaatbaar dient te worden verklaard, wat beoordeling ten gronde belet. De vordering tot verkrijging van moratoriumintrest is wel correct ingeleid, en daarover dient het akkoord ten gronde van partijen te worden bijgetreden. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK Rechtdoende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend. Na erover beraadslaagd te hebben. Verklaart de vordering ontoelaatbaar in zoverre ze veroordeling nastreeft tot betaling van gerechtelijke intrest, en voor het overige toelaatbaar, Verklaart de aldus beperkt toelaatbare vordering gegrond als volgt, Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser, de som van 3.031,37 EUR bij wijze van moratoriumintrest voor de periode 1 maart 1993 tot en met 5 juni 2002, Veroordeelt elke partij krachtens artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek tot de helft der kosten, deze kosten enkel aan de zijde van eiser begroot zijnde, en door de rechtbank bijgevolg enkel in hoofde van eiser vereffend, zulks in het geheel op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding. |
||||||||||||