Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 16.10.2000
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Feitelijk vermoeden,Bewijskracht boekhouding
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 16.10.2000
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 16.10.2000
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 16.10.2000 Tax year : 2005 Document date : 16/10/2000 Keywords : Feitelijk vermoeden / Bewijskracht boekhouding Document language : NL Name : BR1 00/13 Version : 1
ARREST BR1 00/13 Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 16.10.2000 Feitelijk vermoeden - Bewijskracht boekhouding De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door de B.T.W.-administratie aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens. Het is aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens. De rechtbank was in deze zaak van oordeel dat de in het vonnis geciteerde opsomming een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens vormt die toelaat te besluiten dat de eiseres zwarte aankopen heeft verricht. Vierde kamer Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers Adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst Partij: C.V. Mont Blanc t. De Belgische Staat Rolnr.: 96/3289/A 1 RECHTSPLEGING Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 18.11.1996. Gelet op het tussenvonnis de dato 28 juni 1999 van de vijfde kamer van deze rechtbank. Gelet op de verwijzing van deze zaak dd. 22 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank. De Rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels. Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 18 september 2000. Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen. 2 BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK De Rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis de dato 28 juni 1999. 3 BEOORDELING 1 nopens de bewijskracht van de boekhouding - Er werd vastgesteld dat er geen stukken werden opgemaakt voor de onttrekkingen van dranken en eetwaren voor het gezin van de uitbaatster (66.160,- Bf. in 1991 en 61.480,- Bf. in 1992) en ook niet voor de onttrekkingen ten behoeve van het personeel (9000,- Bf op jaarbasis) (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, gewijzigd bij het artikel 4 van het koninklijk besluit van 31 maart 1978). - Er werd vastgesteld dat er geen gedetailleerde inventaris van de in voorraad zijnde goederen op het einde van het boekjaar kon voorgelegd worden en dat er geen inventaris van de in voorraad zijnde goederen in de balans is opgenomen (zie artikel 7 van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen). Nochtans werd de waarde van de eindvoorraad op 31 december 1993, bij controle door de administratie der directe belastingen, bepaald op 44.215,- Bf. - Er werd vastgesteld dat eiseres geen financieel kasboek bijhield waarin alle mutaties van de liquide middelen en de dagelijkse saldi in contanten werden vermeld. De boekhouding van eiseres is dan ook integraal te verwerpen, nu zij niet als een coherent geheel waaruit de betrouwbaarheid en bewijskracht volgt, kan beschouwd worden. 2 nopens het bewijs ten gronde - De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 WBTW.). Overeenkomstig art. 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid. In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art. 1353 B.W.. Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen. Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens. - Uit de thans in de debatten gebrachte lijst LINK blijkt dat de volgorde van de nummers van de officiële facturen per dag overeenstemming vertoont met de volgorde van de nummers van de facturen particulier en zelfs met de volgorde van de klantennummers waaronder het klantennummer van eiseres. Niet alleen de opeenvolging van de nummers van de officiële facturen en de facturen particulier doch ook de volgorde van de leveringen aan de verschillende klanten, ingevolge vaste klantenrondes, zijn een belangrijke aanwijzing die toelaten een factuur particulier aan een welbepaalde klant toe te schrijven. - Verder tonen de voorliggende facturen op naam van eiseres en de onmiddellijk erop volgende facturen gericht aan eiseres onder de benaming "particulier" over het jaar 1991 en 1992 een duidelijke overeenstemming aan qua aankoopdata, aard van aangekochte goederen, hoeveelheid van aangekochte goederen, volgorde van vermelding van de goederen op de factuur en handelskorting. - In het proces-verbaal dd. 5 april 1996 (stuk 22 verweerder) heeft de bestuurder en de voormalig afgevaardigde beheerder van de N.V. Alrob verklaard dat niet alle leveringen aan belastingplichtigen effectief "op naam van deze afnemers" werden gefactureerd. - In voormeld proces-verbaal heeft de voormalig afgevaardigde beheerder tevens verklaard dat de facturatie gebeurde aan de hand van een bestelbon, opgesteld door de reiziger, die van de klant verneemt wat en hoeveel er mag worden gefactureerd "op naam". Het restant van de levering wordt gefactureerd als verkoop "particulieren" en wordt contant ontvangen. Hij verklaarde eveneens dat voormelde bestelbons niet worden bewaard. - Van de 278 gecontroleerde afnemers van de N.V. Alrob die bij de fraude betrokken zijn werden er door 260 minnelijke overeenkomsten gesloten. Volgens verweerder zijn er slechts 18, waaronder eiseres, die de link tussen de officiële facturen en de facturen "particulier" betwisten. Bovendien heeft één van de afnemers niet alleen een minnelijke schikking ondertekend, maar tevens in een schriftelijke verklaring bevestigd dat de goederen van de N.V. Alrob, vermeld op de facturen particulier effectief aan hem werden geleverd (stuk 23 van verweerder). Het feit dat een groot aantal afnemers van de N.V. Alrob wel akkoord ging met de vordering van verweerder en dat één afnemer de effectieve leveringen heeft erkend, impliceert op zich uiteraard niet dat eiseres ook deel had in het zwarte aankoopsysteem, maar vormt wel een belangrijk vermoeden dat samen met de andere feitelijke gegevens dient in overweging te worden genomen. - Op 24 februari 1993 werd, n.a.v. een levering door de N.V. Alrob aan een tearoom te Koksijde, door de opsporing- en documentatiedienst te Gistel, het reeds eerder geciteerde fraudemechanisme in de praktijk vastgesteld (stuk 25 van verweerder). Deze vaststelling toont aan dat het fraudesysteem zoals het aanvankelijk op papier werd vastgesteld effectief ten aanzien van de afnemers-belastingplichtigen werd gehanteerd. Voormelde opgesomde feiten vormen een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te besluiten dat eiseres zwarte aankopen heeft gedaan aan de N.V. Alrob. OM DEZE REDENEN, De Rechtbank, Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak. Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.900,- Bf., (uit hoofde van de rechtplegingsvergoeding) en 2150,- Bf., (uit hoofde van de aanvullende rechtsplegingsvergoeding van het tussenvonnis heropening debatten). Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling. |
|||||||