Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.02.2003
- Sectie :
- Regelgeving
- Type :
- Belgian justice
- Subdomein :
- Fiscal Discipline
Samenvatting :
Ambtshalve ontheffing,Arrest Arbitragehof,Nieuw feit
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.02.2003
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.02.2003
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.02.2003 Tax year : 2005 Document date : 18/02/2003 Document language : NL Modification date : 31/10/2006 13:40:41 Name : BR1 03/2 Version : 1
ARREST BR1 03/2 Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.02.2003 De Fiscale Koerier 2003/335 Ambtshalve ontheffing - Arrest Arbitragehof - Nieuw feit Voor de toepassing van art. 376, par. 1 WIB 1992, moet het begrip 'gewettigde redenen' niet abstract, maar geval per geval worden beoordeeld. Volgens de Rechtbank werden de belastingplichtigen pas voor het eerst op de hoogte gebracht van het ongrondwettelijk karakter van het vroegere belastingregime van vergoedingen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid n.a.v. een brief van de Belastingadministratie die begin 2000 werd verspreid. In deze brief legde de Administratie aan de betrokken belastingplichtigen uit dat het belastingstelsel van de invaliditeitsvergoedingen met ingang van aanslagjaar 1999 werd gewijzigd. De publicatie van het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 in het Belgisch Staatsblad laat niet toe te vermoeden dat de belastingplichtigen voordien van de gewijzigde toestand op de hoogte waren. Volgens de Rechtbank kan van de modale burger niet verwacht worden dat hij het Belgisch Staatsblad leest, laat staan dat hij dit dagelijks doet. Het laattijdig kennisnemen van de rechtspraak van het Arbitragehof is een voldoende 'gewettigde reden' om pas na het verstrijken van de bezwaartermijn de draagwijdte van het arrest als een 'nieuw feit' in te roepen. Bovendien wordt de Belgische Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding voor het onterecht belasten van de invaliditeitsvergoedingen voor de aanslagjaren 1991 t.e.m. 1996. De Rechtbank treedt de stelling van de belastingplichtige bij dat de Belgische Staat zich schuldig heeft gemaakt aan ongrondwettelijke wetgeving. De fout bestaat erin wetgeving tot stand te brengen die strijdig was met art. 10 G.W. Deze fout staat volgens de rechter in oorzakelijk verband met de schade die de belastingplichtige heeft geleden (nl. het heffen van belasting op vergoedingen die voor de aanslagjaren 1991 t.e.m. 1996 werden uitgekeerd). DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND: in de zaak AR nr.02/332/A: van de heer MAES Robrecht en mevrouw NUYTTENS Maria, wonende te 8500 Kortrijk, Nieuwpoortstraat nr. 11, eisers, vertegenwoordigd door meester Johan Speecke, advocaat te Kortrijk. tegen: - de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, zijnde op de administratieve burelen te 1000 Brussel, Bisschoffsheimlaan, nr. 38, - de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Directe Belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G.Vincke Dujardinstraat 4, hiernagenoemd "verweerder", vertegenwoordigd door meester Joseph Van Der Perre, advocaat te Oudenburg. *** I. PROCEDURE De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 januari 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad. De rechtbank heeft de artikelen 2, 20 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszalen nageleefd. De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten: 1. de gedinginleidende dagvaarding van 29 en 30 januari 2002 met in bijlage onder andere een kopie van de directionele beslissing van 19 november 2001 en 2. de conclusie voor verweerder van 20 juni 2002. Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien. II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK 1. De feiten die relevant zijn voor het geschil Eiser was destijds het slachtoffer van een arbeidsongeval. Hij ontving op grond daarvan een vergoeding wegens blijvende ongeschiktheid die evenwel geen inkomensvervangend karakter had. Overeenkomstig het toen geldende artikel 34, § 1, 1° WIB 92 werden die vergoedingen tot en met aanslagjaar 1999 als beroepsinkomsten belast. Op 9 december 1998 velde het Arbitragehof een arrest waarin het oordeelde dat artikel 34, § 1, 1° WIB 92 artikel 10 van de Grondwet schond doordat het de vergoedingen voor blijvende ongeschiktheid, uitbetaald krachtens de arbeidsongevallenwet, die geen inkomstenderving van het slachtoffer compenseren, belastbaar maakt. Dat arrest werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 1999. Op 23 februari 2000 verstuurde de dienst C.D.V.U. Pensioenen namens de Minister van Financiën een brief aan eiser waarin hij liet weten met de stelling van het Arbitragehof akkoord te gaan (zie bijlage stuk I/1 dossier verweerder). Er werd verwezen naar een publicatie in het Belgisch Staatsblad van 1 januari 2000 van een bericht van verweerder. Op 3 maart 2000 heeft verzoeker om volledige ontheffing verzocht van alle belastingen die in het verleden op die vergoedingen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid geheven werden. In zijn directionele beslissing van 19 november 2000 ging verweerder alleen in op het verzoek tot ontheffing voor de aanslagjaren 1998 en 1999. Met een dagvaarding van 29 en 30 januari 2002 stelden eisers hun huidige vordering in. 2. De standpunten en vorderingen van de partijen Eisers vorderen dat de rechtbank met betrekking tot de aanslag die op hun naam gevestigd werd in de Personenbelasting en de aanvullende belastingen voor het aanslagjaar 1997, in hoofdorde de ontheffing zou toekennen tot beloop van de uitkeringen wegens blijvende invaliditeit en de terugbetaling van de ten onrechte geheven sommen zou bevelen. Subsidiair vorderen eisers voor datzelfde aanslagjaar dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van de belastingen die betrekking hebben op het belasten van de invaliditeitsvergoedingen, verhoogd met de moratoire interest vanaf de datum van betaling. Met betrekking tot de aanslagjaren 1991 tot en met 1996 vorderen eisers dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van de belastingen die betrekking hebben op het belasten van de invaliditeitsvergoedingen, verhoogd met de moratoire interest vanaf de respectieve data van betaling. Eisers vragen bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement. Verweerder vordert dat de vordering van eisers door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eisers zouden verwezen worden in de gerechtskosten. III. BEOORDELING 1. De ontvankelijkheid van de vordering Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk. 2. De grond van de vordering 2.1. Stelling van eisers 2.1.1. Met betrekking tot aanslagjaar 1997 In hoofdorde voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte stelt dat eisers geen 'wettige reden' hebben om voor aanslagjaar 1997 op basis van het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 (zijnde een nieuw feit) ambtshalve ontheffing te vragen. Volgens eisers is het feit dat op het moment dat het genoemde arrest in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd, de bezwaartermijn voor aanslagjaar 1997 nog niet verstreken was, geen beletsel voor het toepassen van de ambtshalve ontheffing. Zij roepen in dat zij geenszins vertrouwd zijn met de fiscaliteit en dat ze pas na het verstrijken van de bezwaartermijn kennis genomen hebben van het gewijzigde standpunt in de rechtspraak en de gewijzigde opvatting van de administratie. Hun gebrek aan kennis beschouwen zij als een 'wettige reden' in de zin van artikel 376, § 1 WIB 92. Volgens hen is het adagium dat iedereen geacht wordt de wet te kennen niet meer van deze tijd en zij wijzen erop dat de uiteindelijke wetswijziging er pas gekomen is op 19 juli 2000. 2.1.2. De subsidiaire argumentatie voor aanslagjaar 1997 en de argumentatie voor de aanslagjaren 1991 tot en met 1996 Voor alle jaren waarvoor de termijnen eraan in de weg zouden staan om ontheffing van de belasting te bekomen, vorderen eisers vanwege verweerder (in zijn algemene hoedanigheid, verantwoordelijk voor de daden van de wetgevende macht) schadevergoeding krachtens de artikelen 1382 en 1383 BW Volgens verweerder impliceert iedere ongrondwettigheid van de wetgevende macht noodzakelijkerwijze een onrechtmatige daad waarvoor verweerder aansprakelijk is. Ook zou verweerder, via zijn orgaan van de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Brugge een Aquiliaanse fout begaan hebben door geen terugbetaling te bevelen voor de aanslagjaren 1991 tot en met 1997. Die fout is er volgens eisers de noodzaak van dat zij schade hebben geleden, namelijk belastingen hebben moeten betalen op de ontvangen invaliditeitsvergoedingen. Ook de interest die zij gederfd hebben op die betaalde belastingen, rekenen zij onder hun schade. 2.2. Stelling van verweerder Verweerder voert slechts een beperkt verweer. Voor het aanslagjaar 1995 stelt verweerder dat het bezwaarschrift van 3 maart 2000 te laat was vermits de driejarige termijn van artikel 376, § 1 WIB 92 in het beste geval verstreek op 31 december 1998. Voor het aanslagjaar 1996 voert verweerder aan dat de bezwaartermijn verstreek op 30 april 1998 en dat de driejarige termijn van artikel 376, § 1 of § 2 WIB 92 ook verstreken was op 3 maart 2000. Met betrekking tot het aanslagjaar 1997 stelt verweerder dat een 'nieuw feit' slechts tot ontheffing van ambtswege met toepassing van artikel 376 kan aanleiding geven op voorwaarde dat de wettelijke termijn voor het indienen van een tijdig en geldig bezwaarschrift, verstreken is op het ogenblik van het nieuwe feit. Vermits de bezwaartermijn voor aanslagjaar 1997 nog liep tot 30 april 1999, terwijl het betreffende arrest van het Arbitragehof al gepubliceerd was op 19 maart 1999, hadden eisers volgens verweerder bezwaar kunnen indienen. Door die termijn te laten verstrijken zijn zij naar het oordeel van verweerder ontzegt van het recht op ambtshalve ontheffing wegens gebrek aan wettige reden. 2.3. Beoordeling 2.3.1. Met betrekking tot het aanslagjaar 1997 Er bestaat geen betwisting over dat het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 een 'nieuw feit' is in de zin van artikel 376, § 1 WIB 92. Ook wordt erkend dat het voormalige artikel 34, § 1, 1° WIB 92 (voorheen artikel 32bis WIB 64) ongrondwettelijk was. Verweerder betwist dat eisers een wettige reden zouden hebben om dat nieuwe feit 'laattijdig' in te roepen zoals artikel 376, § 1, WIB 92 voorziet. De rechtbank aanvaardt dat het woord 'laattijdig', gelet op de context en de doelstelling van artikel 376, § 1, WIB 92, inhoudt dat, op het moment van het verzoek tot ambtshalve ontheffing, de bezwaartermijn al verstreken is. De belastingplichtige moet dus met een 'wettige reden' kunnen verantwoorden waarom hij niet tijdens de bezwaartermijn het nieuwe feit heeft ingeroepen. Een andere lichtzinnige uitleg kan men niet geven aan het gebruik van het woord 'laattijdig'. Dat veronderstelt immers dat de belastingplichtige met 'iets' te laat is. Daarmee kan alleen bedoeld zijn dat hij te laat is om bezwaar in te dienen. Wat een 'wettige reden' is in de zin v an artikel 376, § 1 WIB 92, moet van geval tot geval beoordeeld worden. De invulling van dat begrip moet niet abstract maar vanuit de concrete situatie van de betrokken belastingplichtige gebeuren. Het is de belastingplichtige die niet in staat moet geweest zijn om het nieuwe feit in te roepen vóór het verstrijken van de termijnen van bezwaar (Cass. 30 april 1968, Arr. Cass. 1968, Pas., 1968, I, 737). De Administratie erkent in haar commentaar (Com.IB 376/14) overigens zelf dat het niet alleen overmacht is die een wettige reden kan inhouden. Zoals daar terecht vermeld wordt, moet eventueel rekening gehouden worden met beletsels die, zonder een volstrekte onmogelijkheid met zich mee te brengen, niettemin volstaan om het niet-optreden of het laattijdig optreden van de belastingplichtige uit te leggen. De rechtbank stelt vast dat verweerder pas op 23 februari 2000 aan eiser liet weten dat het belastingstelsel van zijn invaliditeitsvergoedingen zou wijzigen wegens ongrondwettelijkheid van de betreffende belastingwet. In die brief wordt meegedeeld wat (volgens verweerder) kon gedaan worden voor de vergoedingen die vóór 1999 betaald waren. Naar dit oordeel van de rechtbank moet in redelijkheid worden aangenomen dat dit voor eisers de eerste keer was dat zij ervan op de hoogte gebracht werden dat het vroegere belastingregime ongrondwettelijk was. Verweerder ontkent niet dat eisers fiscaal niet onderlegd zijn. Evenmin kan van de modale burger verwacht worden dat hij het Belgisch Staatsblad leest, laat staan dagelijks. Zelfs al was het voor eisers niet totaal onmogelijk om tegen 30 april 1999 kennis te hebben van het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998, toch kan de publicatie van dat arrest op 19 maart 1999 niet volstaan om een vermoeden van kennisname te creëren. In de concrete omstandigheden van eisers neemt de rechtbank aan dat zij van de publicatie vóór 30 april 1999 geen kennis hadden. Nu uit niets blijkt dat zij op enige andere manier van het bestaan van het arrest weet hadden, beroepen zij zich op een wettige reden om pas na het verstrijken van de bezwaartermijn het bestaan van het arrest als 'nieuw feit' in te roepen. Aan de andere voorwaarden van artikel 376, § 1 WIB 92 was voldaan. Verweerder heeft voor het aanslagjaar 1997 dan ook ten onrechte de ambtshalve ontheffing van de aanslag met betrekking tot de belasting op de vergoedingen wegens blijvende ongeschiktheid geweigerd. Wat dat betreft is de vordering alvast gegrond. 2.3.2. Met betrekking tot de aanslagjaren 1991 tot 1996 De argumentatie van verweerder dat voor de aanslagjaren 1995 en 1996 de termijnen voor bezwaar en ambtshalve ontheffing verstreken waren op 3 maart 2000, is correct. Eisers beroepen zich op de aansprakelijkheid van verweerder voor ongrondwettelijke wetgeving. De rechtbank treedt de stelling van eisers bij dat verweerder aansprakelijk is op grond van de artikelen 1382 en 1383 BW De fout bestaat erin dat artikel 34, § 1, 1°, WIB 92 (voorheen artikel 32bis WIB 64) artikel 10 van de Grondwet schond en dat die wetsbepaling werd toegepast door directe belastingen en aanvullende belastingen te heffen op de vergoedingen die eiser krachtens de arbeidsongevallenwet ontving wegens blijvende arbeidsongeschiktheid. Dat feit is er de oorzaak van dat eisers schade hebben geleden. De schade bestaat uit het gedeelte van de belastingen dat in elk van de betreffende aanslagen voor de aanslagjaren 1991 tot en met 1996 betrekking heeft op die uitgekeerde vergoedingen. Daaraan moet de vergoedende interest worden toegevoegd, telkens vanaf de data van betaling van de betreffende belastingen. Zonder deze 'fout' van verweerder zouden eisers immers het genot hebben gehad van het geld dat zij als belasting afdroegen. Die genotsderving wordt gecompenseerd door betaling van de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet. Vermits verweerder het best geplaatst is om tot herberekening van de betreffende aanslagen te gaan, kan - zoals gevorderd - een abstracte formulering van het schadebedrag volstaan. 3. De gerechtskosten Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen. 4. Uitvoerbaarheid bij voorraad Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger.Wb. geldt. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan. De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid. Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden. Eisers laten na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zouden ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de hen toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.). IV. UITSPRAAK De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak. Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond. De rechtbank veroordeelt verweerder om de aanslag in de Personenbelasting en de aanvullende belastingen die voor het aanslagjaar 1997 op naam van eisers gevestigd werd onder artikelnummer 780.317.642 van het kohier van de gemeente Kortrijk te ontheffen voor het gedeelte van de belastingen dat betrekking heeft op de uitkeringen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eisers van alle sommen die op basis van het te ontheven gedeelte van de aanslag geïnd werden, verhoogd met de moratoriuminterest voorzien in artikel 418 WIB 92. De rechtbank veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers, begroot in hoofdsom op het bedrag van de belastingen op de uitkeringen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die deel uitmaken van de belastbare grondslag van de volgende zeven aanslagen die op naam van eisers werden gevestigd in de Personenbelasting en de aanvullende belastingen en telkens in het kohier van de gemeente Kortrijk werd opgenomen: - aanslagjaar 1991, kohierartikel 1723302; - aanslagjaar 1991, kohierartikel 2706008 (supplement aan artikel 1723302); - aanslagjaar 1992, kohierartikel 2718659; - aanslagjaar 1993, kohierartikel 4705143; - aanslagjaar 1994, kohierartikel 748.814.149; - aanslagjaar 1995, kohierartikel 757.527.005 en - aanslagjaar 1996, kohierartikel 770.454.376, vermeerderd met de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet telkens vanaf de datum van betaling van de onterecht geïnde belastingen. De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast: aan de zijde van eisers: - dagvaarding + rolrecht: 110,69 euro - rechtsplegingsvergoeding: 334,66 euro terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden. De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op achttien februari tweeduizend en drie. De rechtbank is als volgt samengesteld: Dries Vandeputte, alleensprekend rechter Annick Vandenabeele, griffier |
|||||||