Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.12.2006

Datum :
18-12-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Bescheiden woning (art. 53, 2° W.Reg.),Inschrijvingsplicht,Overmacht

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.12.2006
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.12.2006
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.12.2006
Tax year : 0
Document date : 18/12/2006
Keywords : Bescheiden woning (art. 53, 2° W.Reg.) / Inschrijvingsplicht / Overmacht
Document language : NL
Modification date : 19/04/2007 15:02:28
Name : BR1 06/5
Version : 1
Previous document   Next document   Show list of documents

ARREST BR1 06/5


Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.12.2006



Bescheiden woning (art. 53, 2° W.Reg.) - Inschrijvingsplicht - Overmacht

EE/BW 4880

    Overmacht kan enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen. Het onderstelt dus een onvoorzienbare en onafwendbare gebeurtenis waardoor het naleven van de aangegane verbintenis of verplichting onmogelijk wordt gemaakt.

    De (slechte) staat van de kwestieuze woning ten dage van de aankoop is geen onvoorzienbaar feit die eiseres op absolute wijze heeft belet haar verplichting na te komen. Niet alleen kon eiseres zich bij de aankoop laten adviseren door de nodige deskundigen, doch bovendien diende zij er rekening mee te houden dat de verbouwingen - die pas 9 maanden na de aankoop door haar werden aangevraagd en die de woning onbewoonbaar hebben gemaakt - gepaard kunnen gaan met ongewenste vertragingen die het niet tijdig nakomen van de inschrijvingsplicht tot gevolg kunnen hebben.



Wij, ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, doen te weten :


De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 04/2275/A
Rep.nr. 2006/15995

mevrouw D. S., wonende te R.,

eiser
voor wie is opgetreden Meester N. B. loco Meester E. L., advocaat met kantoor te D.,

TEGEN

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger der Registratie te ROESELARE, met kantoren te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 24,

verweerder
voor wie optreedt Meester L. D., advocaat met kantoor te B.,

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het fiscaal verzoekschrift tijdig ingediend ter griffie de dato 28.07.2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 20 november 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Bij akte verleden voor notaris L. de dato 17 december 1998 kocht eiseres een woonhuis gelegen te R., onder de gunstregeling van artikel 53, 2° W. Reg. (evenredig registratierecht van 6 %). Deze regeling heeft voor gevolg dat eiseres onder meer de verplichting had om ingeschreven te zijn in het bevolkingsregister op het adres van het verkregen goed binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de authentieke akte.

Na onderzoek bleek dat eiseres binnen voormelde periode (nl. op 17 december 2001) niet was ingeschreven in het bevolkingsregister op het adres van het verkregen goed.

Dientengevolge was eiseres naast de aanvullende registratierechten ten bedrage van 2.416,97 EUR een rechtenvermeerdering verschuldigd ten bedrage van 874,13 EUR.

2.2. Eiseres vordert dat :

  • De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
  • De betwiste geheven bijrechten en rechtenvermeerdering nietig worden verklaard.
  • Verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in haar hoofde begroot op 356,97 EUR rechtspiegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 356,97 EUR.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. De wetgever heeft de inschrijvingsplicht in het bevolkingsregister op het adres van het verkregen goed binnen de drie jaar na de authentieke akte als criterium opgesteld om het verlaagd tarief van registratierecht te kunnen behouden. Deze verlaging blijft evenwel verkregen zo de niet nakoming van deze inschrijvingsplicht het gevolg is van overmacht (zie artikel 60, 3 de lid W. Reg.).

In casu diende de inschrijving dus te gebeuren uiterlijk op 17 december 2001. De daadwerkelijke inschrijving dateert evenwel van 2 december 2002.

3.2.2. Eiseres stelt dat het bij de aankoop van de woning totaal onvoorzienbaar was dat de volledige dakconstructie diende te worden afgebroken en heropgebouwd en dat de voorgevel diende vervangen te worden wegens aanwezigheid van zwammen achter de cementering. Verder stelt zij dat zij niet nalatig of onvoorzichtig is geweest en dat de gebreken, die aan het licht zijn gekomen na de aankoop van de woning, een onoverkomelijke hinderpaal hebben gevormd om de woning te betrekken binnen de door de wet voorziene termijn.

3.2.3. Eiseres kan niet gevolgd worden waar zij voorhoudt dat het niet (tijdig) nakomen van de inschrijvingsplicht het gevolg is van overmacht.

Overmacht kan enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen. Het onderstelt dus een onvoorziene en onafwendbare gebeurtenis waardoor het naleven van de aangegane verbintenis of verplichting onmogelijk wordt gemaakt.

De (slechte) staat van de kwestieuze woning ten dage van de aankoop is geen onvoorzienbaar feit die eiseres op absolute wijze heeft belet haar verplichting na te komen. Niet alleen kon eiseres zich bij de aankoop laten adviseren door de nodige deskundigen, doch bovendien diende zij er rekening mee te houden dat de verbouwingen die pas 9 maanden na de aankoop door haar werden aangevraagd en die de woning onbewoonbaar hebben gemaakt gepaard kunnen gaan met ongewenste vertragingen die het niet tijdig nakomen van de inschrijvingsplicht tot gevolg kunnen hebben.

Alle verder argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten.

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot 364,40 EUR rechtplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag achttien december tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter ;
L. N., griffier.