Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 21.01.2002

Datum :
21-01-2002
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Belgian justice
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Aftrek,Conforme factuur

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 21.01.2002
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 21.01.2002
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 21.01.2002
Tax year : 2005
Document date : 21/01/2002
Keywords : Aftrek / Conforme factuur
Document language : NL
Modification date : 02/11/2006 09:34:05
Name : BR1 02/6
Version : 1

ARREST BR1 02/6


Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 21.01.2002



Aftrek - Conforme factuur

    Een BTW-belastingplichtige die recht op aftrek van de BTW wil uitoefenen, moet aantonen dat de gemaakte uitgaven bestemd zijn voor zijn economische activiteit en beschikken over een conforme aankoopfactuur. Aangezien in de voorliggende zaak de betrokken BTW-belastingplichtige niet beschikt over een factuur van zijn leverancier (maar wel van de leverancier van zijn leverancier - zie omstandige feitenbeschrijving in het vonnis), voldoet deze niet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek van BTW De verwerping van het recht op aftrek door de BTW-administratie gebeurde dus terecht.



Vierde kamer

Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. Haemers Nicolas
E-a. adjunct-griffier: Mevr. Lhoest Nathalie
Partij: NV Carrera t. De Belgische Staat

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 3 december 1999.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24 december 2001.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 428.368.727, ingevolge haar activiteit van aannemer van industriële schilderwerken. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
In 1999 heeft de BBI-administratie een onderzoek gestart inzake leveringen door de BVBA Ruincolor aan de NV Wapa te Brugge. Die aan laatstgenoemde vennootschap afgeleverde goederen werden dan gefactureerd aan andere personen, waaronder eiseres.
Op 12 november 1999 werd door inspecteur Filip De Weerdt een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 16 november 1999 werd op basis van dit proces-verbaal door de eerstaanwezend inspecteur D. Le Bacq, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 16 november 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de R. Deceuninck, directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.
Op 17 november 1999 werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gegeven door middel van een aangetekend schrijven.

2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig, minstens ongegrond is en dat zij bijgevolg dient te worden ontslaan van de verschuldigdheid van de erin genoemde bedragen in hoofdsom, boetes en intresten. Verder vordert zij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen of van de bedragen die ten onrechte geheven, ingehouden of toegerekend zouden zijn op andere tegoeden uit hoofde van haar hoedanigheid van BTW-belastingplichtige. Tevens vraagt zij dat verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van een vergoeding ten bedrage van 1.250.000,- Bf. wegens het uitbrengen van een tergend en roekeloos dwangbevel, vermeerderd met de intresten vanaf 17.11.1999. Ten slotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, aan haar zijde begroot op 5417,- Bf. dagvaardingskosten en 12.900,- Bf. rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vordert dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.600,- Bf. rechtsplegingsvergoeding

III. BEOORDELING

3.1. Uit het proces-verbaal de dato 12.11.1999 blijkt dat er door de NV Wapa verschillende goederen werden besteld bij de BVBA Ruincolor. De leveringen werden betaald aan de BVBA Ruincolor met een cheque van de rekening van de gedelegeerde bestuurder van de NV Wapa en de leveringsbonnen werden afgetekend voor voldaan (stukken 2 tot en met 5 van verweerder). Deze goederen werden effectief geleverd bij de NV Wapa.
Voor geen van deze leveringen werd echter een factuur opgemaakt door de leverancier aan de koper. Integendeel verzocht de koper (NV Wapa) de leverancier een factuur op te maken op naam van een derde persoon, zijnde eiseres.
Verder blijkt dat eiseres die goederen contant betaald aan de NV Wapa en ze daar ook gaat ophalen. Volgens verweerder gebeurt er bijgevolg een tweede levering zoals bedoeld in artikel 10 W.BTW. Ditmaal gebeurt zij door de NV Wapa aan eiseres.
Als bewijs van de betaling krijgt eiseres een factuur die echter niet werd opgesteld door haar eigen verkoper, de NV Wapa maar wel door de verkoper bij de eerste verkoop van de BVBA Ruincolor aan de NV Wapa, zijnde de NV Ruincolor. De zaakvoerder van de BVBA Ruincolor heeft verklaard dat een dergelijke werkwijze gebeurde op verzoek van de NV Wapa.
Volgens verweerder beschikt eiseres derhalve niet over een factuur van haar eigen leverancier. Dit is in strijd met artikel 53 W.BTW.
Aangezien eiseres derhalve niet in het bezit is van een factuur die beantwoordt aan artikel 5 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992, werd de BTW vermeld op de desbetreffende factuur ten onrechte in aftrek gebracht door eiseres.

3.2. Eiseres stelt daarentegen dat er collectief via de NV Wapa een bestelling werd geplaatst bij de BVBA Ruincolor, met duidelijke mededeling dat de bestelling uitging van onderscheiden ondernemingen en dat derhalve ook de facturatie aan deze onderscheiden afnemers diende te gebeuren.

3.3. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel bewijsstuk voorlegt van het feit dat er een handelsrelatie bestond tussen haar en de BVBA Ruincolor. Authentieke bestelbons op haar eigen naam die ze persoonlijk heeft afgegeven aan de zaakvoerder van de BVBA Ruincolor en/of authentieke bestelbons op naam van de NV Wapa waarop duidelijk staat dat de geleverde goederen eigenlijk bestemd zijn voor eiseres en/of rechtstreekse betalingen van eiseres aan de BVBA Ruincolor worden niet voorgelegd.
Uit de bewijsstukken 2 en 4 van verweerder blijkt integendeel overduidelijk dat de bestelbons uitgaande van de NV Wapa en teruggevonden bij de BVBA Ruincolor uitsluitend spreken op naam van de NV Wapa. Ze vermelden nergens dat de bestelling voor iemand anders zou zijn dan de NV Wapa. Verder blijkt uit de bewijsstukken 3 en 5 van verweerder dat alle goederen aan de NV Wapa werden geleverd en dat er op de leveringsbons niet stond dat de bewuste goederen voor iemand anders zouden zijn bestemd dan de NV Wapa zelf. Ten slotte werden alle goederen ook betaald door de NV Wapa.
Dat er geen handelsrelatie bestond tussen eiseres en de BVBA Ruincolor wordt trouwens ook bevestigd door de zaakvoerder van de BVBA Ruincolor. In het proces-verbaal van 12 november 1999 (stuk 37 van verweerder) verklaart voormelde zaakvoerder De heer Vandenberghe letterlijk: «Met Carrera bestond en bestaat er geen professionele relatie.» Deze verklaring stemt volledig overeen met de verklaring van de afgevaardigde bestuurder van eiseres aan de controleagent waar gezegd werd dat hij zijn bestellingen plaatste bij de NV Wapa.

3.4. Dat de NV Wapa enkel is tussengekomen als lasthebber en dat zij gehandeld heeft in naam en voor rekening van eiseres wordt tegengesproken door de door verweerder voortgebrachte bewijsstukken en gedane vaststellingen. Het is overduidelijk dat er in de door verweerder voorgelegde stukken 2 t.e.m. 5 nergens sprake is van eiseres en dat zij uitsluitend verwijzen naar de NV Wapa die bestelt, leveringen ontvangt en betaalt zonder enig voorbehoud. Dat de NV Wapa handelde in eigen naam wordt trouwens ook bevestigd door de verklaringen van de leverancier van de goederen.

3.5. Eiseres kan haar recht op aftrek maar uitoefenen op grond van een conforme factuur die voldoet aan artikel 5 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992. De conformiteit van de factuur is immers de eerste voorwaarde om de aftrek van de door de leverancier in rekening gebrachte BTW te verkrijgen. Het wordt overeenkomstig de wettekst geacht een vormvoorwaarde te zijn om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen, en niet zomaar een bewijsregel.
Eiseres moet derhalve het bewijs leveren dat de leverancier die op de facturen vermeld staat, met de werkelijke leverancier overeenstemt.
In casu slaagt eiseres er niet in dit bewijs te leveren (zie 3.3 en 3.4). Wel integendeel, de gedane vaststellingen en verklaringen vormen een geheel van gewichtige en overeenstemmende vermoedens van het foutief karakter van de voorgelegde facturen.
Te dezen zijn er wel degelijk 2 leveringen gebeurd in de zin van artikel 10 W.BTW, maar werd er slechts 1 factuur afgeleverd. Eiseres beschikte over een factuur van de BVBA Ruincolor, zijnde de leverancier van de NV Wapa, maar beschikte daarentegen niet over een factuur van haar eigen leverancier de NV Wapa. Dit is duidelijk in strijd met artikel 53 WBTW.
Aangezien eiseres in casu geen facturen op naam van haar eigen leverancier kon voorleggen, waren deze facturen behept met een ernstig vormgebrek.
Vermits eiseres de juistheid van de facturen niet kan aantonen welke door de administratie op ernstige gronden werden betwist en derhalve haar recht op aftrek niet kan bewijzen, dient het verzet tegen het kwestieuze dwangbevel als ongegrond te worden afgewezen.

3.6. Aangezien het kwestieuze dwangbevel terecht werd uitgevaardigd, dient de door eiseres gevorderde schadevergoeding als ongegrond te worden afgewezen.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 327,22 EUR., uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.