We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Voorafgaande beslissing nr. 2011.083 dd. 05.07.2011

Datum :
05-07-2011
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Prior agreements L 24.12.2002
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

inkomstenbelasting - inbreng van aandelen - oprichting van vennootschappen - holdingvennootschap - normaal beheer van het privé-vermogen - gestort kapitaal - interne meerwaarde - divers inkomen - meerwaarde op aandele

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Voorafgaande beslissing nr. 2011.083 dd. 05.07.2011
Voorafgaande beslissing nr. 2011.083 dd. 05.07.2011
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Prior agreements L 24.12.2002
Title : Voorafgaande beslissing nr. 2011.083 dd. 05.07.2011
Document date : 05/07/2011
Publication date : 06/02/2012
Keywords : inkomstenbelasting / inbreng van aandelen / oprichting van vennootschappen / holdingvennootschap / normaal beheer van het privé-vermogen / gestort kapitaal / interne meerwaarde / divers inkomen / meerwaarde op aandelen
Document language : NL
Name : Voorafgaande beslissing nr. 2011.083 dd. 05.07.2011
Version : 1

Voorafgaande beslissing nr. 2011.083 dd. 05.07.2011

 

Inkomstenbelasting

Inbreng van aandelen

Oprichting van vennootschappen

Holdingvennootschap

Normaal beheer van het privé-vermogen

Gestort kapitaal

Interne meerwaarde

Divers inkomen

Meerwaarde op aandelen

 

Samenvatting

 

De  geplande inbreng door X van de aandelen A, B, C en D die hij momenteel privé aanhoudt in een nieuw op te richten holdingvennootschap kan, gelet op de in de beslissing opgenomen overwegingen,  worden aangemerkt als een normale verrichting van beheer van privé-vermogen als bedoeld in art. 90, 9°, eerste gedachtestreepje WIB 92.  De aandelen behoren tot het privé-patrimonium van de aanvrager en vallen niet onder het toepassingsgebied van art. 41 WIB 92. Het kapitaal dat wordt gevormd door de inbreng in natura van aandelen die X aanhoudt vertegenwoordigt fiscaal gestort kapitaal in de zin van de art. 184 WIB 92 t.n.v. de nieuw op te richten holdingvennootschap.

 

I.        Voorwerp van de aanvraag

 

          Deze aanvraag strekt ertoe te vernemen of:

 

1.              de aandelen A, B, C en D  tot het privé-patrimonium van X behoren en derhalve niet onder het toepassingsgebied van artikel 41 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) vallen;

 

2.              de inbreng door de aanvrager van de participaties die hij aanhoudt in A, B, C en D in een nog op te richten holdingvennootschap als een normale verrichting van beheer van privé-vermogen als bedoeld in artikel 90, 1° en 9°, eerste gedachtestreepje WIB 92, kan worden beschouwd;

 

3.              het kapitaal dat wordt gevormd door de inbrengen in natura beschouwd kan worden als gestort kapitaal in de zin van artikel 184 WIB 92.

 

II.      Omschrijving van de verrichting

 

II.A.   Identiteit van de aanvrager en van de groepsvennootschappen en omschrijving van hun activiteiten

 

4.              De aanvraag wordt ingediend in naam van X. De aanvrager heeft twee kinderen.

 

5.              De aanvrager houdt momenteel rechtstreeks en onrechtstreeks participaties aan in verschillende vennootschappen.

 

6.              A werd ruime tijd geleden opgericht door X (meerderheidsaandeelhouder) en Y (minderheidsaandeelhouder) door inbreng in geld. Het betreft een onroerend goed vennootschap.

 

7.              Er hebben sinds de oprichting geen wijzigingen plaatsgevonden in het aandeelhouderschap van de vennootschap.

 

8.              X bezit de meerderheid van de aandelen en is zaakvoerder.

 

9.              D werd een aantal jaar geleden opgericht door X (meerderheidsaandeelhouder) en 4 derden door inbreng in geld. Het betreft een exploitatievennootschap.

 

10.          Er hebben sinds de oprichting geen wijzigingen plaatsgevonden in het aandeelhoudersschap van de vennootschap.  X is in het bezit van de meerderheid  van de aandelen.

 

11.          De Raad van Bestuur is samengesteld uit volgende bestuurders: X en de 4 overige aandeelhouders.

 

12.          B werd recent opgericht door X.  Hij bezit alle aandelen.

 

13.          De vennootschap is een exploitatievennootschap.

 

 

14.          C werd geruime tijd geleden opgericht  door X (meerderheidsaandeelhouder) en Y (minderheidsaandeelhouder) door inbreng in geld.

 

15.          De vennootschap is een exploitatievennootschap.

 

16.          Er hebben sinds de oprichting geen wijzigingen plaatsgevonden in het aandeelhoudersschap van de vennootschap.  X bezit de meerderheid van de aandelen.

 

17.          De Raad van Bestuur is samengesteld uit volgende bestuurders: X en een derde.

 

18.          Naast de ICT activiteiten houdt C ook een minderheidsparticipatie aan in E.

 

19.          E werd een aantal jaar geleden opgericht door C en 5 andere vennootschappen door inbreng in geld.

 

20.          Het betreft een vereniging van handelaars uit dezelfde sector die producten aanbieden voor professionele en particuliere klanten.

 

21.          Er hebben sinds de oprichting geen wijzigingen plaatsgevonden in het aandeelhoudersschap van de vennootschap.

 

II.B.   Beschrijving van de voorgenomen verrichting

 

22.          De vooropgestelde herstructurering zal in twee fasen plaatsvinden:

 

22.1.    vooreerst zou X de aandelen in zijn persoonlijk bezit inbrengen in een nieuw op te richten vennootschap.  Het is niet de bedoeling dat de andere aandeelhouders hun participatie inbrengen in de nieuwe holding. Vervolgens zou de vennootschap C de aandelen die zij bezit van E verkopen aan de nieuw op te richten holding.

 

22.2.    in een tweede fase zou er een aantal personeelsleden worden overgeheveld naar de nieuwe holding om op deze wijze te voldoen aan de bepalingen van artikel 60bis van het wetboek der successierechten, anticiperend op de afloop van de tijdelijke maatregel waarbij de voorwaarden voor de toepassing van artikel 60bis werden versoepeld.

 

23.          Buiten de voormelde participatie houdt de aanvrager momenteel ook nog een participatie aan in F. De aandelen F die in het bezit zijn  van X (m.n. een minderheidsparticipatie) zullen niet ingebracht worden omdat deze kortelings worden verkocht aan de overige aandeelhouders. Hieromtrent wordt geen uitspraak gevraagd.

 

24.          Naar aanleiding van de inbreng in natura zal een revisoraal verslag worden opgesteld. De inbrengwaarde zal niet afwijkend zijn van de waarde zoals door de bedrijfsrevisor bepaald. De inbrengwaarde zal ook gebruikt worden als waardebepaling voor de verkoop van de deelneming E door C aan de nieuw op te richten holding.

 

25.          Een afschrift van het verslag van de bedrijfsrevisor, dat zal worden opgemaakt naar aanleiding van de inbreng in natura, zal onverwijld aan de locale controle van de aanvrager worden overgemaakt.

 

26.          Voorts nemen de aanvragers de volgende engagementen op zich:

 

26.1.    gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wordt geen kapitaalvermindering door de holding doorgevoerd;

 

26.2.    gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wordt geen kapitaalvermindering door enige andere vennootschap voormeld doorgevoerd, tenzij die middelen door de holding worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen;

 

26.3.    gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wijzigen de dividenduitkeringen door de betrokken vennootschappen niet ten overstaan van vroeger (dit wil zeggen vóór de overdracht aan de holding). Er mogen toch hogere dividenden worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen ook worden gebruikt voor de betaling van aandeelhouders die wensen uit te treden voor zover de dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van een lening of de aflossing van een rekening-courant die werd aangegaan voor de uitkoop van sommige aandeelhouders;

 

26.4.    gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng stemmen de door de betrokken vennootschappen betaalde managementfees, bedrijfsleiderbezoldigingen, enzovoort, overeen met de vroegere management fees dan wel bedrijfsleiderbezoldigingen. Een aanpassing aan de evolutie van het indexcijfer is wel toegelaten.
De geldstroom vanuit de betrokken vennootschappen naar de holding mag hoger zijn dan de vroegere managementfees en/of bedrijfsleiderbezoldigingen indien blijkt dat hier daadwerkelijk prestaties tegenover staan (bijvoorbeeld boekhouding, personeel, ...) die vroeger door een andere vennootschap werden verricht en nu door de holding worden uitgevoerd (eventueel met overdracht van het betrokken personeel) én marktconform worden doorgerekend.

 

III.         M otivering van de verrichting door de aanvrager

         

27.          De belangrijkste drijfveer is tweeërlei: enerzijds de successieproblematiek en anderzijds een aantal bedrijfseconomische redenen.

 

28.          Wat betreft de successieproblematiek is het de bedoeling van de aanvrager om er voor te zorgen dat alle vennootschappen van de groep, bij een eventueel overlijden van X, ressorteren onder de vrijstelling van artikel 60bis van het wetboek successierechten. Daarom is het noodzakelijk om alle aandelen in eigendom van X, onder de nieuwe holding te hangen, met name de nieuw op te richten holding, die voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 60bis  W. Succ.

 

29.          Indien de vrijstelling niet aan de orde is bij overlijden van de aanvrager, zal een belastbaarheid in de successie immers teweeg brengen dat een deel van de groep zou moeten ten gelde gemaakt worden om eventuele successierechten te betalen.

 

30.          Naast de successieproblematiek biedt de geplande herstructurering nog een aantal andere bedrijfseconomische en juridische voordelen:

 

30.1.    Door het creëren van een horizontale structuur, ontstaat de mogelijkheid om key personen of financiële partners deel te laten nemen in de verschillende vennootschappen van de groep. Deze mede participatie leidt tot een betere motivering van de betrokken key-personen.  De structuur laat X dan toe om zo beter te waken over het uitgebouwde patrimonium, als een goed huisvader, zonder dagdagelijks bij de leiding van elk van de vennootschappen betrokken te moeten zijn. Op termijn is het de bedoeling om deze personen het dagelijks management van respectievelijke vennootschappen te laten overnemen.

 

30.2.    Bewaring van de continuïteit van de activiteit en van het personeel van de bestaande vennootschappen. Door de onderbrenging van alle elementen van de groep onder een centrale holding eventueel in een latere fase gevolgd door een certificering van de aandelen van de holding, wordt voorkomen dat naar aanleiding van het overlijden van de aandeelhouder het bestuur van de groep wordt versnipperd over de familie.

 

30.3.    Mogelijkheid om op efficiënte wijze geldmiddelen uit de dochter-vennootschappen te verwerven bij wijze van dividend, teneinde eventuele nieuwe deelnemingen of projecten te financieren. Er zijn momenteel plannen om de activiteiten van de groep uit te breiden.

 

30.4.    Ingevolge de voorgenomen verrichting wordt een deel van het vermogen van de vennootschappengroep uitgedrukt in de nieuwe holding. Bij onderhandelingen met banken over de financiering van projecten, zal belastingplichtige daarom in een sterkere positie komen te staan. De nieuwe holding kan deze projecten ondersteunen.

 

30.5.    Door het creëren van een horizontale structuur is het bovendien eenvoudiger om één van de betrokken vennootschappen te verkopen zonder de structuur zelf in het gedrang te brengen. Er zijn nog geen concrete plannen op dit ogenblik.

 

30.6.    De minderheidsparticipaties van de overige aandeelhouders kunnen op termijn worden uitgekocht door de holding.

 

31.          De invloed op de notionele intrestaftrek is slechts aan de orde voor wat betreft de verkoop van de participatie E door C aan de nieuw op te richten holding. Deze invloed blijft volgens de aanvrager evenwel beperkt vermits de waarde van E zeer beperkt is.

 

32.          De aanvrager heeft beslist om een nieuwe vennootschap te gebruiken als holding en niet te opteren voor C als topholding. De reden hiervoor is dat C een commercieel actieve vennootschap en geen holding is. Een eventuele uitzakking van de commerciële uitbating brengt dermate veel praktische beslommeringen met zich mee dat dit niet opportuun werd geacht. Bovendien wordt door de voorliggende handelswijze ook vermeden dat de familieleden betrokken worden bij de herstructurering zelf.

 

33.          De aanvrager verzoekt om een ruling op het vlak van diverse bepalingen inz. inkomstenbelastingen.

 

          III.A.      Artikel 41 WIB 92

 

34.          X is van oordeel dat de aandelen van de groep behoren tot zijn privépatrimonium en dat zij derhalve niet vallen onder het toepassingsgebied van art. 41 WIB 92:

 

34.1.    de aandelen in handen van de aanvrager zijn niet in het kader van een beroepswerkzaamheid aangeschaft of verkregen;

 

34.2.    de aandelen zijn niet als actiefbestanddeel geboekt;

 

34.3.    voor de aandelen werden fiscaal geen afschrijvingen of waardeverminderingen aangenomen.

 

          III.B.      Artikel 90,1° en 9° WIB 92

 

35.          X is tevens van oordeel dat de voorgenomen verrichtingen niet vallen onder het toepassingsgebied van art. 90, 1° of 9° WIB 92.

 

36.          Artikel 90, 1° WIB 92 luidt: "Diverse inkomsten zijn: 1° (…) winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen;"

 

37.          Artikel 90, 9° WIB 92 luidt: "Diverse inkomsten zijn: Meerwaarden op aandelen die zijn verwezenlijkt naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel van die aandelen buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen."

 

          Normaal beheer van privévermogen

 

38.          De aanvrager verzoekt de DVB te willen bevestigen dat de geplande verrichting kadert binnen een normaal beheer van een privé vermogen.

 

39.          De betekenis van het begrip "normaal beheer van een privévermogen" is niet geheel duidelijk. Wanneer de betekenis van een fiscale wettekst niet duidelijk is, moet de tekst geïnterpreteerd worden in het licht van de bedoeling van de wetgever. Deze bedoeling moet gezocht worden in de voorbereidende werkzaamheden van de wet zelf. Is de tekst dan nog steeds dubbelzinnig, dan moet er gekozen worden voor de interpretatie die gunstig is voor de belastingplichtige. Andere interpretatiemethoden mogen niet worden gebruikt (A. TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht, 2003, Brussel, Larcier, p.25.).

 

40.          In de voorbereidende werkzaamheden bij deze wettelijke bepaling staat te lezen (Verslag Commissie van Financiën, doc. Nr. 366, Senaat, 20 september 1962, p. 147): "Feitelijk wijkt het beheer van een vermogen af van de uitoefening van een winstgevende betrekking of van de speculatie, zowel door de aard van de goederen - d.z. onroerende goederen, waarden in portefeuille, roerende voorwerpen (allemaal goederen die normalerwijze een privaat vermogen uitmaken) - als door de aard van de daden die met betrekking tot die goederen verricht worden : daden die een goed huisvader verricht voor het dagelijks beheer, maar tevens met het oog op het winstgevend maken, de tegeldemaking en de wederbelegging van bestanddelen van een vermogen, d.i. van goederen die hij heeft verkregen door erfopvolging, schenking, of door eigen sparen, of nog als wederbelegging van vervreemde goederen".

 

41.          Henri De Page definieert de "daden van een goede huisvader" als (H. DE PAGE, Traité, Tôme II, n° 175, p. 164) :"tout acte quelconque, fut-il de disposition, qui a pour but de faire fructifier et augmenter son patrimoine".

 

42.          Ook de rechtspraak volgt dit standpunt : "dat het nastreven van winst het werkelijke kenmerk is van een wijs beheer van een vermogen" (Gent, 15 juni 1973, geciteerd door M. ANDRé, "De begrenzing op het fiscaal vlak van het normale beheer van een privaat vermogen", Bull. Bel., 1992, nr. 719, (2350), 2378); "Attendu que les notions de spéculation et de gestion d'un patrimoine ne sont pas incompatibles" (Bergen, 18 mei 1989, F.J.F., No. 89/193) ; "Celui qui gère son patrimoine privé peut et doit le faire d'après toutes les connaissances qu'il peut avoir et au mieux de son intérêt, sans que pour cela cette gestion change de caractère du point de vue fiscal; ... Il n'est pas établi que les requérants ont agi avec l'esprit de spéculation qui anime ceux qui agissent dans un esprit de lucre incompatible avec les desseins parfaitement normaux d'un père de famille qui désire bien placer, voire même accroître son patrimoine dans les meilleurs conditions" (Brussel, 12 mei 1975, geciteerd door M. ELOY, "Gérer son patrimoine privé en bon père de famille", R.G.F., 2003, (2), 3).

 

43.          In een arrest van 6 mei 1998 oordeelt het Hof van Cassatie (F.J.F., No. 88/156) dat art. 90, 1° WIB 92 belastbaar verklaart "het realiseren van winsten of baten uit speculatie buiten beroepsactiviteit verricht".

 

44.          Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 18 mei 1977 het begrip "speculatie", in tegenstelling tot het begrip "normaal beheer", gedefinieerd als "een aankoop met de intentie om op middellange termijn winsten te realiseren" (Cass., 18 mei 1977, Bull. Bel., 1979, nr. 572, 591). "Speculatie" in de zin van art. 90, 1° WIB 92 bestaat onder andere in "het aankopen van goederen met risico van verlies" (Cass., 15 mei 1987, F.J.F., No. 88/8).

 

45.          In een recenter arrest heeft het Hof van Beroep te Gent bevestigd dat de speculatieve intentie beoordeeld moet worden op het moment van de verwerving van de goederen en NIET op het ogenblik van de latere verkoop ervan (Gent, 21 januari 2002, RG 1992/FR/4140, nog niet gepubliceerd, aangehaald door ELOY, M., "Gestion de patrimoine et acte anormal de gestion", hoofdstuk VII, www.fiscalnetnl.be).

 

46.          Op basis van deze rechtspraak kan naar mening van de aanvrager geen sprake zijn van een toepassing van art. 90,1° of 9° WIB 92.

 

47.          Concreet is de aanvrager van mening dat er sprake is van het normaal beheer van een privé patrimonium om de volgende redenen:

 

47.1.    de overdracht van de aandelen is geen speculatie hetgeen blijkt uit de volgende feitelijke elementen:

 

47.1.1.  De aandelen zijn familiaal bezit van X en de groep is organisch gegroeid waarbij duidelijk blijkt dat de aandelen niet met het oog op hun wederverkoop werden verworven. Bij de verwerving ervan door X is er bijgevolg onder geen enkele omstandigheid sprake geweest van speculatie.

 

47.1.2.  De inbreng van de aandelen in de nieuw op te richten holding kadert in hoofdzaak in een successierechtelijke planning van het vermogen van de aanvrager.

 

47.1.3.  De geplande inbrengen door de aanvrager kaderen tevens in een algemene groepsstructurering, met het oog op potentiële uitbreiding met inbreng van key personen en/of financiële partners waarbij de mogelijkheid wordt geschapen om te participeren in specifieke vennootschappen van de groep, zonder te moeten participeren in het geheel van de groep.

 

47.2.    de overdracht van de aandelen dient volgens de aanvrager beschouwd te worden als een normale verrichting van beheer van een privé vermogen, hetgeen blijkt uit het volgende :

 

47.2.1.  Er bestaat in hoofde van de aanvrager op heden geen enkele behoefte om enige (verhoogde) liquiditeiten aan de structuur te onttrekken.

 

47.2.2.  De aanvrager wenst op termijn een successierechtelijke overgang van het vermogen vertegenwoordigd door de groep binnen de familie te bewerkstelligen, zonder dat hierbij successierechten verschuldigd worden. Het is immers zijn uitdrukkelijke wens, om, zoals het een goede 'huisvader' betaamt, ervoor te zorgen dat de eventuele successierechten die dienen te worden betaald bij een toekomstig overlijden beperkt zijn. Anderzijds zou het een daad van slecht beheer zijn die niet past voor een bonus pater familias indien er vandaag geen maatregelen worden genomen om een eventueel (vroegtijdig) overlijden te voorzien, hetgeen niet alleen nefaste fiscale en burgerrechtelijke gevolgen zou hebben voor de familie, maar natuurlijk ook voor de groep zelf. Vandaar dat de mogelijkheid moet worden voorzien om de volledige groep te laten vererven met vrijstelling van successierechten conform artikel 60bis W.Succ.Vl.Gew. Gelet op het feit dat slechts een beperkt aantal van de groepsvennootschappen in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 60bis W.Succ.Vl.Gew., zeker na afloop van de tijdelijke gunstmaatregelen, zou bij een plots overlijden van X, de financiële draagkracht van de groep in het gedrang komen.

 

47.2.3.  Tegelijk vergroot de centralisering van de aandelen in de holdingvennootschap het aantal mogelijkheden waarop de successieplanning kan worden georganiseerd. Zo is het de bedoeling, ter verzekering van behoud van controle door X, de aandelen van de groep in een volgende fase te betrekken in een bijkomende controlestructuur, met name de aandelen van de nieuw op te richten holding te certificeren via een Nederlands Stichting-Administratiekantoor. Dit wordt vereenvoudigd indien alle privé-participaties reeds gecentraliseerd zijn binnen de holdingvennootschap.

 

47.2.4.  In hoofde van X worden eveneens schenkingen op termijn eenvoudiger omdat een rechtstreekse schenking van de (blote eigendom van de) aandelen van de verschillende groepsvennootschappen door X aan zijn kinderen, ertoe zou leiden dat de kinderen zich nu reeds "rechtstreeks" kunnen inmengen met de operationele en commerciële activiteiten van voormelde vennootschappen, hetgeen ongewenst is en zelfs onverantwoord is in het licht van het voortbestaan van de groep. Uiteraard is het de bedoeling dat dit op termijn in het kader van een gezonde opvolgingsregeling wordt bewerkstelligd, maar binnen de huidige constellatie en in gevolge een plots overlijden is dat geenszins aangewezen. Vandaar dat ook deze verdere controlestructuur via een Nederlandse STAK, die vrij eenvoudig kan worden geïmplementeerd nà de herstructurering, de finale stap zou zijn binnen het behoud van de familiale groep.

 

47.2.5.  Bovendien wordt de herstructurering uitgevoerd aan normale waarden, waarbij de waardering zal worden getoetst door een bedrijfsrevisor.

 

47.2.6.  De structuur zal X ook toelaten om beter te waken over het uitgebouwde patrimonium, als een goed huisvader, zonder dagdagelijks bij de leiding van elk van de uitbatingen betrokken te moeten zijn.

 

47.2.7.  Verder verwijst de aanvrager naar het antwoord van de Minister van Financiën in antwoord op parlementaire vraag dd. 23 februari 2005 (V&A, Kamer, 2004-2005, 3 oktober 2005, 16865). Gelet op de engagementen die door de aanvragers worden aangegaan, worden de voorwaarden vermeld in het antwoord op deze parlementaire vraag nageleefd.

 

          III.C.      Artikel 184 WIB 92

 

48.          X is van oordeel dat het kapitaal dat wordt gevormd door de inbreng in natura aangemerkt dient te worden als gestort kapitaal in de zin van art. 184 WIB 92.

 

49.          Artikel 184 WIB 92 stelt het volgende: "Het gestorte kapitaal is het statutaire kapitaal voorzover dat gevormd wordt door werkelijk gestorte inbrengen en voorzover er geen vermindering heeft plaatsgevonden."

 

50.          De commentaar op het WIB 92 (Comm. IB. 92 184/4) stelt vervolgens: "Bij haar oprichting bestaat het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap uit de inbrengen van haar vennoten of aandeelhouders (in geld, roerende of onroerende goederen, handelsfonds, octrooien, enz.). Wanneer bij die oprichting het geplaatste maatschappelijk kapitaal onmiddellijk wordt volgestort, stemt het gestort kapitaal op dat ogenblik overeen met het maatschappelijk kapitaal."

 

51.          Volgens artikel 18, 2° WIB 92 omvatten dividenden: "gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen."

 

52.          Derhalve dienen de ingebrachte aandelen in hoofde van de nieuw op te richten holding  dan ook als fiscaal gestort kapitaal aanzien te worden.

 

 

IV.     Beslissing

 

53.          De aandelen A, B, C en D behoren tot het privé-vermogen van de aanvrager en vallen niet onder het toepassingsgebied van artikel 41 WIB 92.

 

54.          De geplande inbreng door X van de participaties die hij aanhoudt in A, B, C en D in een nieuw op te richten holdingvennootschap, vormt een overdracht onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.

 

55.          De geplande inbreng kan, gelet op de hierna vermelde overwegingen, worden aangemerkt als een normale verrichting van beheer van het privé-vermogen in de zin van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje WIB 92, aangezien:

 

55.1.    de aanvrager de participaties reeds geruime tijd, en meer bepaald sinds de oprichting van de betrokken vennootschappen aanhoudt en deze bijgevolg op een normale wijze heeft verkregen;

 

55.2.    voorliggende verrichting geen complexe verrichting, noch een spitsvondig feitencomplex betreft;

 

55.3.    de aanvrager de in randnummers 25 en 26 vermelde engagementen aangaat;

 

55.4.    voor de waardering van de aandelen beroep zal gedaan worden op een onafhankelijk revisor;

 

55.5.    de aanvraag in hoofdzaak kadert in de regeling van de successieproblematiek door de aanvrager en zijn wens om ervoor te zorgen dat bij een eventueel overlijden alle groepsvennootschappen kunnen ressorteren onder de vrijstelling van artikel 60bis W.Succ.;

 

55.6.    de meerwaarde die bij de inbreng van de aandelen wordt gerealiseerd, gelet op de bezitsduur van de aandelen, de afwezigheid van financieringen en van hoge risico's, niet het gevolg is van speculatie als bedoeld in artikel 90, 1° WIB 92.

 

56.          Het kapitaal van de nieuwe holdingvennootschap dat wordt gevormd naar aanleiding van de inbreng, wordt beschouwd als gestort kapitaal in de zin van artikel 184  WIB 92.

 

          Gelet op de overwegingen vermeld in randnummer 53 tot en met 56, beslist het College van de DVB dat:

 

57.          de aandelen A, B, C en D tot het privé-vermogen van de aanvrager behoren en niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 41 WIB 92;

 

58.          de geplande inbreng door de aanvrager van de participatie die hij aanhoudt in A, B, C en D in een nieuw op te richten holdingvennootschap, beschouwd kan worden als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen, zodat de meerwaarde niet zal belast worden op grond van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92;

 

59.          het kapitaal van de nieuwe holding, dat wordt gevormd naar aanleiding van de inbreng, als gestort kapitaal in de zin van artikel 184 WIB 92 wordt beschouwd.

 

60.          De beslissing is slechts geldig voor zover het verslag van de bedrijfsrevisor, dat de waarde van de betrokken participaties op het ogenblik van de inbreng weergeeft, aan de locale controle van de aanvrager zal worden overgemaakt.

 

61.          De aandacht wordt erop gevestigd dat de DVB zich met deze beslissing niet uitspreekt over de verkoop door C van haar participatie in E aan de nieuw op te richten holdingvennootschap, noch over de verkoop door X van de participatie die hij aanhoudt in F aan de overige aandeelhouders van deze vennootschap en over de toekomstige certificering van de aandelen van de nieuwe holdingvennootschap via een Nederlandse Stichting-Administratiekantoor.

 

62.          De aandacht wordt er op gevestigd dat de beslissing slechts geldig blijft voor een periode van één jaar en dit vanaf de datum van de voorafgaande beslissing.