Vraag nr. 101 van de heer Bourgeois dd. 27.08.2002

Datum :
27-08-2002
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Parliamentary questions
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Sociaal statuut zelfstandigen,Vaststelling referte-inkomen.

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 101 van de heer Bourgeois dd. 27.08.2002
Vraag nr. 101 van de heer Bourgeois dd. 27.08.2002
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 101 van de heer Bourgeois dd. 27.08.2002
Tax year : 2005
Document date : 27/08/2002
Document language : NL
Name : 02/101
Version : 1
Question asked by : Bourgeois

VRAAG 02/101

Vraag nr. 101 van de heer Bourgeois dd. 27.08.2002


Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 139, blz. 17612-17614

Sociaal statuut zelfstandigen - Vaststelling referte-inkomen.

VRAAG

    De bijdragen in het sociaal statuut der zelfstandigen worden berekend op de netto beroepsinkomsten van drie jaar geleden. Het bedrag van die referteinkomsten is datgene wat autonoom vastgesteld wordt door het fiscaal bestuur. Noch het sociale verzekeringsfonds, noch het RSVZ, noch de arbeidsrechtbanken kunnen dit bedrag veranderen, zelfs wanneer de fiscus een vergissing zou begaan hebben.

    Dank zij een tussenkomst van het College van de federale ombudsmannen werd het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen in een concreet geval toch bereid gevonden om uitzonderlijk af te stappen van de onveranderlijkheid van het referteinkomen (casus 01 ln 2167). In de plaats van het door de fiscus foutief ingeschatte inkomen als basis te nemen, werden de bijdragen berekend op de reële inkomsten.

    Het lijkt mij onaanvaardbaar dat zelfstandigen op sociaal verzekeringsvlak de dupe kunnen zijn van een manifeste fout van de fiscale administratie, en dat zij enkel via de ombudsmannen soelaas kunnen krijgen.

    Hoe billijk deze "toegift" van het RSVZ ook mag zijn, vindt u niet dat de afwijkmogelijkheid voor het RSVZ expliciet wettelijk zou moeten mogelijk zijn, in gevallen waar de fiscale administratie manifest een vergissing heeft begaan en zulks ook toegeeft?

ANTWOORD

    Ik heb de eer het geachte lid hierna het antwoord op de door hem gestelde vraag te bezorgen.

    Het geachte lid verwijst naar een zeer specifiek geval waarvoor het RSVZ uitzonderlijk bereid werd gevonden om de vigerende wettelijke bepalingen niet strikt toe te passen.

    In casu ging het over een zelfstandige in bijberoep, met relatief kleine beroepsinkomsten, waarvoor de belastingen ten onrechte geen rekening gehouden hadden met de forfaitaire beroepskosten. Had het fiscaal bestuur het kostenforfait toegepast, dan was de betrokkene met zijn referte-inkomsten beneden de bijdragedrempel voor de bijberoepen gebleven zodat hij geen bijdrage had moeten betalen. Het ministerie van Financiën was in principe bereid om haar vergetelheid recht te zetten, maar kon dit niet meer wegens het laattijdige bezwaar van de betrokken persoon.

    Het RSVZ is hoe dan ook gebonden door de taxatiewijze van de fiscale administratie. Dit is een constante in de rechtspraak. De arbeidsrechtbank stelde in haar vonnis trouwens dat het de fiscale administratie is die de inkomens vaststelt, en niet verzoekster, noch het RSVZ, noch de rechtbank.

    Hierbij kan worden opgemerkt dat de belastingplichtige burger steeds het recht heeft, weliswaar binnen bepaalde termijnen, bezwaar in te dienen tegen een mogelijk foutieve belastingsaanslag.

    Het RSVZ werd in deze, na tussenkomst van het College van federale ombudsmannen, bereid gevonden om alsnog de bijdragen te reduceren rekening houdend met het (relatief kleine) kostenforfait van 20%, op voorwaarde dat de betrokkene de gerechtskosten op zich nam. Dergelijke houding werd door het genoemd College gekwalificeerd als "behoorlijk bestuur".

    Wanneer het geachte lid pleit voor een uitbreiding van de bevoegdheden van het RSVZ naar herkwalificatie van beroepsinkomsten, betreedt men in feite het terrein dat bevoegdheidshalve toegewezen is aan het ministerie van Financiën. Een wetsaanpassing op het vlak van het sociaal statuut der zelfstandigen lijkt me dan ook niet gewenst, temeer daar het RSVZ ook niet beschikt over het volledige fiscale dossier van een mogelijke betrokkene. Wanneer het College van federale ombudsmannen het optreden van het RSVZ in genoemde zaak betiteld heeft als behoorlijk bestuur, kunnen soortgelijke gevallen in de toekomst behandeld worden in toepassing van hetzelfde algemene rechtsbeginsel.