Vraag nr. 1316 van de heer Didden dd. 09.04.1998

Datum :
09-04-1998
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Parliamentary questions
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Verhuring

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 1316 van de heer Didden dd. 09.04.1998
Vraag nr. 1316 van de heer Didden dd. 09.04.1998
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 1316 van de heer Didden dd. 09.04.1998
Tax year : 2005
Document date : 09/04/1998
Document language : NL
Name : 98/1316
Version : 1
Question asked by : Didden

VRAAG 98/1316

Vraag nr. 1316 van de heer Didden dd. 09.04.1998


Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 148, blz. 20277

Bull. nr. 792, pag. 1228

Verhuring

VRAAG

    In het arrest van 29 januari 1988 (FJF 88/110) besliste het Hof van Cassatie dat ook een zeer hoge huur nog geen verdekte bezoldiging is, indien er geen bewijs van simulatie is. Deze beslissing is een navolging van het historisch arrest van 1991 van het Hof van Cassatie (juridische constructies zijn toegelaten, op voorwaarde dat ze echt zijn, zelfs al hebben ze geen ander doel dan de belasting uit de weg te gaan, en zelfs als ze niet normaal zijn). Wanneer er geen simulatie is, kan er ook geen sprake zijn van een herkwalificatie van de huurgelden.

    1. Is u van mening dat de administratie conform met de beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld heeft, indien bijvoorbeeld een vennootschap aan personen, welke tevens aandeelhouders zijn en een zelfstandig beroep uitoefenen, een goed verhuurt (geregistreerd), waarbij bij voorgaande controle de huurprijs wel aanvaard werd en een jaar later de huurprijs als overdreven mag worden verworpen?

    2. Is u de mening toegedaan dat een huurcontract wel tegenstelbaar is aan de fiscus (hof van beroep, Brussel, 23 mei 1996 - "De fiscus moet zich als derde houden aan de termen van de huurovereenkomst, de verhuurder kan zich daarop beroepen, tenzij veinzing in het spel is")?

    3.Is u van mening dat de fiscus zich wel mag inlaten met het opportuniteitsprincipe, niettegenstaande de fiscus niet bewezen heeft dat er simulatie is (hof van beroep, Brussel, 6 januari 1997)?

    4. Is u van mening dat de overdreven huurprijs verworpen kan worden, indien aan derden vreemd aan de vennootschap dezelfde huurprijs zou worden gevraagd voor dezelfde vertrekken op dezelfde plaats?

    5. Is u van mening dat artikel 10 van de Grondwet toepasselijk is, indien vraag 3 negatief beantwoord wordt?

    6. Is u van mening dat de fiscus de arresten van het Hof van Cassatie mag negeren naar goeddunken (cf. vraag nr. 548 van 3 september 1996 van de heer valkeniers, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 68, blz. 9076)?

    7. Wie moet de simulatie bewijzen alvorens over te gaan tot verwerping van de aangifte?

    8. Welk verhaal heeft de belastingplichtige tegen de controleur die willekeurig deze bepalingen negeert?

    9. Is u van mening dat de belastingplichtige dezelfde rechten (artikel 10 van de Grondwet) heeft en als vergoeding het bedrag van de boete mag eisen van de fiscus, indien later blijkt dat de fiscus in het ongelijk gesteld wordt op basis van het gelijkheidsbeginsel?

    10. Is u van mening dat de belastingplichtige mag stellen dat indien er een arrest geweest is van het hof van beroep waarbij de fiscus nagelaten heeft om in cassatie te gaan, dit een vaste rechtspraak is die gebruikt mag worden door belastingplichtige (behoorlijk bestuur)?

    11. Is de administratie reeds in het bezit van een circulaire aangaande behoorlijk bestuur ?

ANTWOORD

    Vooraf wil ik het geachte lid wijzen op het feit dat het arrest van 29 januari 1988 handelde over een geval waarin de vennoot een onroerend goed verhuurde aan zijn vennootschap. Dit soort toestanden is inmiddels op wetgevend vlak geregeld via artikel 32, tweede lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).

    Anderzijds heeft de wetgever een artikel 344, § 1, in het WIB 1992 ingevoerd dat bepaalt dat aan de Administratie der directe belastingen niet kan worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340, WIB 1992 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat de kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.

    In dat laatsgenoemde geval dient geen bewijs van simulatie meer te worden geleverd, doch volstaat het te bewijzen dat belasting wordt ontweken.

    1 en 11. Zoals mijn voorganger reeds vermeldde in het antwoord op de vraag nr. 802 van 7 maart 1997 van het geachte lid (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 121, blz. 16698), gelden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur eveneens ten aanzien van de fiscale administraties.

    De terzake geldende regels zijn opgenomen in de administratieve commentaar van het WIB 1992 (inzonderheid deze op de artikelen 50 en 361, WIB 1992).

    2 tot 7. Aan de belasting zijn slechts onderworpen de winsten die voortvloeien uit de door de onderneming gedane verrichtingen. Het komt niet aan de administratie toe zicht te mengen in de wijze waarop een onderneming wordt uitgebaat. Zij dient enkel de uitslag van de onderneming te toetsen aan de fiscale wetgeving.

    Bij het beoordelen van overeenkomsten heeft zij de keuze:

  • ofwel bewijst ze dat er sprake is van veinzing zodat die overeenkomsten zelf niet tegenstelbaar worden;
  • ofwel bewijst ze dat de overeenkomsten enkel belastingontwijking tot doel hebben, zodat ze in voorkomend geval aan de overeenkomsten een andere kwalificatie kan geven (toepassing van het genoemde artikel 344, § 1, WIB 1992).


    In geen van beide gevallen kan er sprake zijn van schending van artikel 10 van de grondwet indien de regels correct zijn toegepast.

    Een uitspraak van de hoven van beroep of van het Hof van Cassatie heeft bij die beoordeling slechts waarde indien de feitelijke en juridische omstandigheden in het te beoordelen geval gelijk zijn aan die van het besproken geval. Een veralgemening van een dergelijke uitspraak is meestal af te raden.

    8. Elke belastingplichtige beschikt steeds over de gebruikelijke verhaalmiddelen (bezwaar, verhaal voor de hoven).

    9. De belastingplichtige die meent dat hij schade heeft geleden wegens een onterecht bevonden aanslag, kan de burgerlijke rechter vragen hem een schadevergoeding toe te kennen.

    10. Het feit dat de administratie der Directe Belastingen in bepaalde gevallen geen voorziening in cassatie heeft ingediend, betekent niet dat zij zich zonder meer neerlegt bij het uitgesproken arrest.