We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.
We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Vraag nr. 1489 van de heer Van Biesen dd. 04.12.2006

Datum :
04-12-2006
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Parliamentary questions
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Intracommunautaire leveringen,Nieuwe vervoermiddelen

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 1489 van de heer Van Biesen dd. 04.12.2006
Vraag nr. 1489 van de heer Van Biesen dd. 04.12.2006
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 1489 van de heer Van Biesen dd. 04.12.2006
Tax year : 0
Document date : 04/12/2006
Keywords : Intracommunautaire leveringen / Nieuwe vervoermiddelen
Document language : NL
Modification date : 01/06/2007 13:39:18
Name : 06/1489
Version : 1
Question asked by : Van Biesen

VRAAG 06/1489

Vraag nr. 1489 van de heer Van Biesen dd. 04.12.2006


Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 162, blz. 31604 - 31606

Intracommunautaire leveringen - Nieuwe vervoermiddelen

VRAAG

    Krachtens artikel 39 bis, eerste lid, 1° WBTW worden de intracommunautaire leveringen van om het even welke goederen (nieuwe vervoermiddelen inbegrepen) aan belastingplichtigen van de belasting vrijgesteld, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge.

    Krachtens artikel 39 bis, eerste lid, 2° WBTW worden de intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen van de belasting vrijgesteld wanneer deze leveringen worden verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar niet toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen aan de belasting te onderwerpen, of nog, voor enige andere niet-belastingplichtige.

    Één van de basisvoorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling is dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de gemeenschap. De verkoper dient krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 ten allen tijde in het bezit te zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt en die hij op ieder verzoek van de met de controle van de BTW belaste ambtenaren moet kunnen overleggen.

    Het bewijs van het bestaan van het vervoer of de verzending van het goed vanuit België naar een andere lidstaat moet worden geleverd door de Belgische leverancier, via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Het standpunt van de administratie is dat elk bewijsstuk is toegelaten, maar geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of onmisbaar is.

    Wanneer de klant de goederen zelf komt ophalen op de zetel van de verkoper, en dus niet gebruik maakt van een derde transporteur wordt het moeilijk om het bewijs te leveren van een transport buiten België naar een andere lidstaat.

    In Duitsland en in Nederland volstaat het dat de verkoper in het bezit is van een geldig BTW-nummer van de klant en een attest van inbezitname getekend door de klant, om een vrijstelling voor intracommunautaire levering in te roepen.

    1. Kan een attest van inbezitname volstaan om het transport naar een andere lidstaat aan te tonen wanneer de klant de goederen zelf komt ophalen?

    2. Is het transport naar een andere lidstaat bewezen wanneer de verkopen in het bezit is van een CMR (overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg) in het geval het vervoer gebeurt door een derde transporteur?

    3. Indien het antwoord op de twee voorgaande vragen negatief is, wat is dan nodig opdat ontegensprekelijk het bewijs geleverd is van vervoer naar een andere lidstaat?

ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 12.04.2007)

    De bewijsproblematiek inzake de toepassing van de in artikel 39 bis van het BTW-Wetboek voorziene vrijstelling inzake intracommunautaire leveringen werd reeds uitvoerig becommentarieerd in de antwoorden op meerdere parlementaire vragen.

    Ik verwijs het geachte lid meer specifiek naar het antwoord op de vraag nr. 248 van de heer volksvertegenwoordiger Fournaux van 23 januari 1996 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer GZ 1995-1996, nr. 26 van 18 maart 1996, blz. 3019-3023) en naar het antwoord op de recente vraag nr. 1039 van de heer volksvertegenwoordiger Goyvaerts van 15 december 2005 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer GZ 20052006, nr. 112 blz. 21114-21117).

    In die antwoorden werd steeds gepreciseerd dat bij de bewijsvoering van het vervoer naar een andere Lidstaat elk bewijsstuk toegelaten is, maar dat geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of onmisbaar is.

    Indien het vervoer wordt verricht door of voor rekening van de koper, kan het voor de Belgische verkoper moeilijk zijn om de echtheid van het vervoer aan te tonen. Om deze reden kunnen een geschreven opdracht (telex, bestelbon, enzovoort) die uitgaat van de koper, waarin hij uitdrukkelijk vermeldt dat de goederen bestemd zijn om te worden vervoerd naar een andere Lidstaat, evenals een ontvangstbewijs waarop de naam, het adres en het BTW identificatienummer van de koper, de omschrijving van de goederen en hun bestemming vermeld staan, elementen van aanvullend bewijs vormen.

    Wanneer het meer specifiek gaat om de levering van een voertuig dat bestemd is om door de verwerver te worden gebruikt in diens Lidstaat, zijn een kopie van het inschrijvingsbewijs van de wagen onder normale nummerplaat op naam van deze klant in de Lidstaat van bestemming en het tijdelijk inschrijvingsbewijs afgeleverd in België (indien de verwerver het voertuig zelf meeneemt) zeker belangrijke en nuttige aanvullende bewijselementen.

    Er werd daarentegen steeds op gewezen dat het aannemen van een bepaald document (zoals een door de verwerver ondertekende verklaring of een CMR) of van een limitatieve lijst van documenten als absoluut bewijsmiddel voor het recht op de vrijstelling onmogelijk in overweging kan worden genomen.

    Dergelijke maatregel zou, naast zijn illegaal karakter ten opzichte van het BTW-Wetboek en de Grondwet, om reden dat de administratie er aldus toe gehouden zou zijn te moeten verzaken aan de wettelijk verschuldigde BTW niettegenstaande zij over het bewijs beschikt dat de goederen in België zijn gebleven, ook ontegensprekelijk fraudepraktijken vergemakkelijken en aanmoedigen (vervalste handtekeningen, vervalste CMRs vervalste inschrijvingsbewijzen, enzovoort).

    Het geachte lid zal bijgevolg begrijpen om welke reden niet in gunstige zin kan worden ingegaan op zijn gestelde vragen.