Vraag nr. 48 van de heer Lenaerts dd. 02.09.1977

Datum :
02-09-1977
Taal :
Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Parliamentary questions
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Tekenen en indiciën,Bewijs door de belastingplichtige.

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 48 van de heer Lenaerts dd. 02.09.1977
Vraag nr. 48 van de heer Lenaerts dd. 02.09.1977
Document
Content exists in : nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 48 van de heer Lenaerts dd. 02.09.1977
Tax year : 2005
Document date : 02/09/1977
Document language : NL
Name : 77/048
Version : 1
Question asked by : Lenaerts

VRAAG 77/048

Vraag nr. 48 van de heer Lenaerts dd. 02.09.1977


Bull. nr. 556, pag. 2203

Tekenen en indiciën - Bewijs door de belastingplichtige.

    Door de Administratie der Directe Belastingen wordt uit taxatieoogpunt naast de gewone wijze van onderzoek veelvuldig gebruik gemaakt van artikel 247, WIB (oud), art. 341, WIB 92, zijnde taxatie volgens tekenen en indiciën. Ingevolge beperkte rechtspraak nopens dit wetsartikel en bepaalde onduidelijkheden in de desbetreffende commentaar, doen zich regelmatig meningsverschillen inzake interpretatie voor, waaromtrent de belastingplichtige, wegens ontstentenis van precieze omschrijving in de wetgeving, meestal zijn zaak niet naar behoren kan verdedigen.

    Een veelvuldig voorkomende betwisting is de periode waarover een indiciair onderzoek zich uitstrekt. Het komt immers regelmatig voor dat belastingplichtigen uit fiskaal oogpunt voor een bepaald inkomstenjaar zich voor een indiciair tekort zien geplaatst, daar waar het vorige jaar een al dan niet belangrijk overschot vertoonde. Zich steunend op de thesis dat, bij ontstentenis van bewijzen, de voorhanden zijnde liggende gelden bij het begin en het einde van een inkomstenjaar als gelijk dienen te worden beschouwd, verwerpt de administratie stelselmatig alle redeneringen waarin sprake is van een vermindering van de voorhanden zijnde gelden. Aangezien betreffende liggende gelden bij begin en einde van het beschouwde tijdperk geen vaststaande bewijzen naar voor kunnen worden gebracht, impliceert dit volgens de administratie dat met vorige indiciaire overschotten geen rekening kan worden gehouden. Ter zake stelt zich bovendien de vraag of het bewijs door getuigen van liggende gelden door de administratie zou aanvaard worden.

    Alhoewel de commentaar WIB 92 inzake artikel 341 (art. 247, WIB (oud)) voorschrijft dat de toepassing ervan op een ernstige en niet enge basis dient te gebeuren, doen zich gevallen voor waarbij tot aanwending van dit artikel wordt overgegaan met als enige aanwijzing het levensonderhoud van belastingplichtige. In deze gevallen verstrekt de administratie van vaste normen en wordt, zonder rekening te houden met de werkelijkheid, het verschil tussen het indiciair vermogen van belastingplichtige en de door de administratie vooropgestelde norm inzake levensonderhoud, als indiciair tekort belast.

    Het is geenszins onze bedoeling de gegrondheid van artikel 247, WIB, (oud), art. 341, WIB 92, te betwijfelen. Wij zouden echter aan de heer Minister willen vragen ons te willen inlichten betreffende de volgende punten :

  • strookt het met de geest van de wetgeving levensonderhoud alleen als een enkele norm te beschouwen voor toepassing van dit artikel, hierbij wel veronderstellende dat belastingplichtige bekend staat als levende zonder buitensporigheden;
  • kunnen voorhanden zijnde kasgelden bewezen worden bij middel van getuigen;
  • komt het niet opportuner voor bij een indiciair nazicht in hoofde van een belastingplichtige de ganse voor taxatie vatbare periode te beschouwen in plaats van het zich vastklampen aan nauw afgebakende tijdspannen ? Het toepassen van deze werkwijze zou veel dichter aanleunen bij de geest van de wetgeving ter zake.

    Mogen wij het standpunt van de heer Minister dienaangaande vernemen ?

ANTWOORD

    1. Tekenen en indiciën moeten slechts in aanmerking worden genomen, indien zij een merkelijk hogere graad van gegoedheid uitwijzen dan die welke uit de aangegeven inkomsten blijkt. Indien dat het geval is vormen de gezinsuitgaven, ongeacht hun bedrag, een indicie van het bestaan van de inkomsten door middel waarvan zij werden gedaan en zij kunnen als grondslag dienen voor de raming van de belastbare basis naar tekenen en indiciën, overeenkomstig artikel 247 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (oud) (art. 341 WIB 92).

    De Administratie heeft geen bindende normen bepaald voor het vaststellen van het bestanddeel kosten voor levensonderhoud aangezien de waarde van dat bestanddeel hoofdzakelijk afhangt van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk geval.

    2. Volgens de rechtspraak mag de belastingplichtige om het tegenbewijs te leveren, zich niet beperken tot loutere beweringen; hij moet positieve en controleerbare gegevens voorbrengen.

    De door het geacht Lid bedoelde verklaringen van "getuigen" in verband met kasgelden zouden, bij gebreke van andere bewijzen, niet kunnen worden gecontroleerd zodat zij, niet als tegenbewijs zouden kunnen worden aanvaard.

    3. In principe is het in aanmerking te nemen tijdperk het belastbaar tijdperk waarvan sprake is in artikel 265 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (oud), (art. 360, WIB 92). Voor de natuurlijke personen valt dat tijdperk doorgaans samen met het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

    Het eenjarigheidsbeginsel van de belasting belet nochtans niet rekening te houden met tekenen en indiciën van verschillende opeenvolgende jaren.

    Voor het vaststellen van de in beschouwing te nemen periode moet steeds rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval.