Vraag nr. 734 van de heer Didden dd. 11.04.1994

Datum :
11-04-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Parliamentary questions
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

Invordering,Feitelijke scheiding,Vervolging

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 734 van de heer Didden dd. 11.04.1994
Vraag nr. 734 van de heer Didden dd. 11.04.1994
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 734 van de heer Didden dd. 11.04.1994
Tax year : 2005
Document date : 11/04/1994
Document language : NL
Name : 94/734
Version : 1
Question asked by : Didden

VRAAG 94/734

Vraag nr. 734 van de heer Didden dd. 11.04.1994


Bull. nr. 743, blz. 3116

Invordering - Feitelijke scheiding - Vervolging

VRAAG

    Ingevolge de artikelen 1414, eerste lid, 1440, eerste lid, alsmede ingevolge artikel 295 van het Wetboek van de inkomstenbelasting kan bij wanbetaling door de belastingplichtige de aanslag ten laste van de echtgenote worden ingevorderd.

    Wanneer echtgenoten niet gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen of wanneer de rechtbank de scheiding van goederen niet heeft uitgesproken, kan de belasting van één van hen ook op de eigen goederen van de andere echtgenoot worden ingevorderd, tenzij deze de bewijzen aanbrengt die de wet vereist (cf. art. 295, §§ 1 tot 4, van het Wetboek van de inkomstenbelasting).

    Mag ik van de geachte minister vernemen :

    1. Of de feitelijke scheiding, in het vonnis van echtscheiding vastgesteld door de rechter, die meer dan 15 jaar geleden is ingegaan een voldoende bewijs is zoals artikel 295, §§ 1 tot 4, van het Wetboek van de inkomstenbelasting voorschrijft;

    2. Of de wetgever bedoeld heeft dat de fiscus de echtgenote van de belastingplichtige moet blijven vervolgen bij wanbetaling van de ex- echtgenoot als blijkt dat deze echtgenote wettelijk gescheiden is van de belastingplichtige;

    3. Of de wet zodanig is gesteld dat bij de combinatie van beide vorige vragen, namelijk in geval van echtscheiding, de echtgenote moet vervolgd worden om de achterstallige belastingen te betalen van haar ex- echtgenoot voor het belastingjaar 1990 wanneer ze bijvoorbeeld reeds vanaf 1974 totaal geen contact meer met haar ex-echtgenoot heeft gehad, hetgeen in het echtscheidingsvonnis door de Rechtbank van eerste aanleg werd bevestigd;

    4. Of het niet wenselijk is de wetgeving inzake inkomstenbelasting voor reeds lang wettelijk gescheiden echtgenoten te wijzigen, gezien de vele psychische en sociale gevolgen die zulke pijnlijke procedures met zich meebrengen voor de niets vermoedende en inzake fiscale aanslagen onwetende gescheiden levende echtgenotes ?

ANTWOORD

    1. De ontvanger der directe belastingen kan de belasting in verband met de eigen inkomsten van een echtgenoot in beginsel ook verhalen op de eigen goederen van diens partner.

    Die partner kan zijn eigen goederen evenwel onttrekken aan de vervolgingen van de ontvanger, indien hij aantoont dat die goederen in zijn bezit zijn gekomen op één van de vier wijzen die zijn opgesomd in artikel 295, § 1, tweede lid, 1° tot 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) [sinds aanslagjaar 1992, art. 394, § 1, tweede lid, 1° tot 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92)].

    De partner moet aantonen :

  • Dat hij die goederen bezat vóór het huwelijk;
  • Of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;
  • Of dat hij ze heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
  • Of dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel.

    De vaststelling in het echtscheidingsvonnis dat de feitelijke scheiding sinds meer dan 15 jaar is ingetreden, bewijst bijgevolg op zich niet dat goederen van de partner op een van de vier opgesomde wijzen in diens bezit gekomen zijn, en vormt dan ook geen voldoende bewijs zoals vereist door artikel 295, § 1, tweede lid, WIB.

    2. De fiscus kan de inkomstenbelastingen en de voorheffingen die betrekking hebben op de periode vóór de echtscheiding, ook na de echtscheiding, binnen de wettelijke grenzen van artikel 295, WIB (thans art. 394, WIB 92), blijven vervolgen tegen de ex-echtgenoot van de belastingschuldige, als deze laatste niet betaalt.

    Het gaat immers om schulden in verband met de periode toen de partners nog gehuwd waren, dus om schulden waarop artikel 295, WIB (thans art. 394, WIB 92) van toepassing is, zodat de fiscus de invorderingsmogelijkheden die dat artikel verleent, tegen beide ex- echtgenoten kan en moet aanwenden.

    Voor de belastingschulden die betrekking hebben op de periode na de echtscheiding kan de ex-echtgenote van de belastingschuldige uiteraard niet meer worden aangesproken door de fiscus.

    3. De feitelijke scheiding blijft zonder enig juridisch gevolg ten aanzien van de invorderingsmogelijkheden van de schuldeisers van de echtgenoten, waaronder de Schatkist. De omstandigheid dat het bestaan van de feitelijke scheiding bevestigd is in het echtscheidingsvonnis, verandert daar uiteraard niets aan.

    Het derde onderdeel van de vraag van het geachte lid moet dan ook bevestigend beantwoord worden, in zoverre de achterstallige belasting betrekking heeft op de periode vóór de echtscheiding.

    4. De uit de echt gescheiden echtgenoten kunnen enkel nog worden aangesproken voor belastingschulden van hun ex-partner die betrekking hebben op de periode toen ze nog gehuwd waren.

    De wetgever heeft bij artikel 37 van de wet van 28 juli 1992 een artikel 394bis ingelast in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

    Op grond van dat artikel kan de echtgenoot die feitelijk gescheiden leeft, een gemotiveerd verzoekschrift richten aan de directeur der belastingen, opdat die de invordering tegen de verzoeker van de belasting betreffende de inkomsten van de andere echtgenoot, beperkt tot hetgeen die andere echtgenoot verschuldigd zou zijn geweest indien hij al zijn rechten van bezwaar en van ontheffing van ambtswege zou hebben uitgeoefend.

    Verder is het zo dat de feitelijke gescheiden echtgenoot niet langer onwetend blijft omtrent de fiscale aanslagen die ten name van zijn partner worden gevestigd. Hoewel geen enkele bepaling haar daartoe verplicht, heeft de administratie immers op 26 november 1990 aan de ontvangers der belastingen voorgeschreven dat zij de feitelijk gescheiden echtgenoot moeten inlichten van het bestaan van een schuld op naam van zijn partner die tegen hem kan worden ingevorderd bij toepassing van de artikels 1414 en 1440 van het Burgerlijk Wetboek of krachtens artikel 295, WIB (thans artikel 394, WIB 92).

    Gelet op die wetgevende en administratieve initiatieven meen ik dat een wijziging van de wetgeving zich niet opdringt.