Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 10 december 2014 (België)

Publicatie datum :
10-12-2014
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
7 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20141210-2
Rolnummer :
180/2014

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 159bis van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 225.685 van 3 december 2013 in zake Dominique Bogaert tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 december 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 159bis van het WWROSP de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij dat Verdrag, in zoverre het iedere persoon die een regularisatievergunning wenst aan te vragen, daadwerkelijk de mogelijkheid ontzegt die aan te vragen en vervolgens een beroep in te stellen voor de Waalse Regering en vervolgens voor de Raad van State, zodra een proces-verbaal is opgesteld waarin het bestaan van een stedenbouwkundig misdrijf is vastgesteld, in die zin dat het een dergelijke aanvraag onontvankelijk maakt wanneer geen schikking is voorgesteld, zolang geen in kracht van gewijsde getreden vonnis bedoeld in artikel 155, § 2, van het WWROSP is uitgesproken, terwijl, indien geen dergelijk proces-verbaal is opgesteld, eenzelfde regularisatieaanvraag die is ingediend door een persoon die zich bevindt in een volkomen vergelijkbare strafbare situatie, ontvankelijk is en ten gronde zal worden onderzocht, waarbij die persoon echter een beroep voor de Waalse Regering zal kunnen indienen en vervolgens, in voorkomend geval, voor de Raad van State ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 84, § 1, 1°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (WWROSP), vervangen bij artikel 1 van het decreet van 27 november 1997 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », vervolgens gewijzigd bij artikel 69 van het decreet van 18 juli 2002 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » en bij artikel 39, 1°, van het decreet van 30 april 2009 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid », bepaalt :

« Zonder voorafgaande, schriftelijke en uitdrukkelijke stedebouwkundige vergunning van het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of de Regering, is het verboden :

1° op een terrein te bouwen of het te gebruiken voor de oprichting van één of meer vaste installaties. Onder ' vaste installaties bouwen of plaatsen ' verstaat men de oprichting van een gebouw of een kunstwerk, en het plaatsen - zelfs met niet-duurzame materialen - van een installatie, die in de grond zijn ingebouwd, eraan zijn vastgehecht of erop steunen, en die bestemd zijn om ter plaatse te blijven, zelfs als ze demonteer- of verplaatsbaar zijn; ».

Artikel 154, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 1 van het decreet van 27 november 1997, en gewijzigd bij artikel 69 van het decreet van 18 juli 2002, bepaalt :

« Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een boete van 100 frank tot 300.000 frank of slechts met één van deze straffen worden gestraft degenen die :

1° de in artikel 84 bedoelde handelingen en werken uitvoeren [...] zonder voorafgaande vergunning, [...]; ».

B.1.2. Artikel 156, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 1 van het decreet van 27 november 1997, vervolgens gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 24 mei 2007 « betreffende de overtredingen en de straffen inzake stedenbouw », bepaalt :

« Buiten de officieren van de gerechtelijke politie, de ambtenaren en personeelsleden van de administratie en de wegenpolitie, hebben de door de provinciegouverneur aangewezen technische ambtenaren en beambten van de gemeenten, alsmede de daartoe door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden van het Gewest, de bevoegdheid om de in de artikelen 153 en 154, in dit artikel, vierde lid, en in artikel 158, vijfde lid, bepaalde overtredingen op te sporen en bij proces-verbaal vast te stellen. Het proces-verbaal van vaststelling wordt zo spoedig mogelijk opgestuurd naar de bouwheer, naar elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek en genotspand uitgezonderd, naar elke persoon die gebruik maakt van het onroerend goed, naar het gemeentecollege, naar de gemachtigd ambtenaar en naar de procureur des Konings. De Regering kan de vorm van het proces-verbaal bepalen ».

Artikel 155 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 1 van het decreet van 27 november 1997, vervolgens gewijzigd bij de artikelen 67 en 69 van het decreet van 18 juli 2002, bij artikel 2 van het decreet van 24 mei 2007 en bij artikel 101 van het decreet van 30 april 2009, bepaalt :

« § 1. De gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege kunnen op eigen initiatief of binnen de door de gemachtigde ambtenaar opgelegde termijn, één van de in paragraaf 2 bedoelde wijzen van herstel voor de correctionele rechtbank vorderen. Ze brengen elkaar gelijktijdig daarvan op de hoogte.

§ 2. Naast de straf, beveelt de rechtbank op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege :

1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;

2° ofwel de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken;

3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, voor zover het noch op de beschermingslijst voorkomt, noch beschermd is.

De rechtbank bepaalt daartoe een termijn, die in de gevallen bedoeld in 1° en 2°, niet langer mag zijn dan één jaar.

In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. De som wordt betaald in handen van de ontvanger der registraties en gestort op een speciale rekening van de begroting van het Gewest.

§ 3. Wat het onmiddellijke herstel betreft, zijn de rechten van de burgerlijke partij beperkt tot het door de bevoegde overheid gekozen herstel, onverminderd het recht op schadevergoeding ten laste van de veroordeelde.

§ 4. Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van boek IV van het vierde deel van het Strafwetboek, beveelt het vonnis dat, wanneer de plaats niet in haar oorspronkelijke staat wordt hersteld of wanneer de werken en werkzaamheden niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd, de gemachtigde ambtenaar, het gemeentecollege en eventueel de burgerlijke partij, van ambtswege de uitvoering daarvan kunnen vorderen.

Het bestuur of de burgerlijke partij die het vonnis ten uitvoer legt, heeft het recht om de na het herstel van de plaats overblijvende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een plaats die ze zelf kiezen.

De veroordeelde is gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten, na aftrek van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen, op vertoon van een door de beslagrechter uitvoerbaar verklaarde geschatte staat.

§ 5. Wanneer het vonnis, op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege overeenkomstig artikel 1, beveelt hetzij het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat, hetzij de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken, worden deze door de veroordeelde uitgevoerd zonder dat hij in het bezit van de in artikel 84 bedoelde vergunning moet zijn.

De veroordeelde moet het gemeentecollege evenwel acht dagen voor de aanvang van de werken verwittigen. Het College kan uitvoeringsvoorwaarden opleggen, met name wat betreft de openbare veiligheid en volksgezondheid.

§ 6. Wanneer de handelingen en de werken die uitgevoerd of in stand gehouden zijn in overtreding van de bepalingen de vereiste stedenbouwkundige vergunning zouden kunnen krijgen op grond ofwel van de regelgeving die gold bij de voltooiing van de handelingen en de werken ofwel van de regelgeving die gold bij de indiening van de aanvraag, in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 110 tot en met 113 of 127, § 3, en rekening houdend met de algemene gebiedsbestemming of het architectonisch karakter van dat gebied, stelt de Regering of de gemachtigd ambtenaar, in overeenstemming met het gemeentecollege, een vergelijk voor met de overtreder.

Indien de inbreuk bestaat in de uitvoering en de instandhouding van handelingen en werken onderworpen aan de voorafgaande stedenbouwkundige verklaring bedoeld in artikel 84, § 2, lid 2, 4°, of aan de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 129, § 3, en bij ontstentenis van een verklaring resp. aangifte, stelt de gemachtigd ambtenaar, in overeenstemming met het gemeentecollege, een vergelijk aan de overtreder voor.

De beslissing van het gemeentecollege over het vergelijk wordt binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering of de gemachtigd ambtenaar overgemaakt. Bij ontstentenis wordt de beslissing gunstig geacht.

Het vergelijk wordt getroffen via de betaling van een geldsom waarvan het bedrag bepaald wordt volgens de door de Regering vastgelegde regels, zonder dat dit bedrag minder mag bedragen dan tweehonderdvijftig euro of meer dan vijfentwintigduizend euro.

De storting van het bedrag van het vergelijk moet voorafgaan aan de indiening van de vergunningsaanvraag of de verklaring resp. aangifte.

De storting van het bedrag van het vergelijk geschiedt :

- ofwel in handen van de gemeenteontvanger indien de overtreding is vastgesteld door de ambtenaren en agenten van de lokale politie of door de technische ambtenaren en personeelsleden van de gemeenten, aangewezen door de provinciegouverneur;

- ofwel in handen van de ontvanger der registratie op een bijzondere rekening van de gewestbegroting in de andere gevallen.

De strafvordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de betaling.

De Regering of de gemachtigde ambtenaar kan een dading slechts op geldige wijze voorstellen, indien de Procureur des Konings geen intentie tot vervolging te kennen heeft gegeven binnen negentig dagen na het verzoek dat aan hem werd gericht.

§ 7. Op verzoek van de kopers of huurders, kan de rechtbank hun koop- of verhuurtitel nietig verklaren, onverminderd het recht op schadeloosstelling ten laste van de schuldige ».

B.2. Artikel 159bis van het WWROSP, ingevoegd bij artikel 6 van het decreet van 24 mei 2007, bepaalt :

« Voor de handelingen en werken die, al naar gelang het geval, uitgevoerd of in stand gehouden worden [zonder vergunning of] zonder de voorafgaande stedenbouwkundige verklaring bedoeld in artikel 84, § 2, lid 2, 4°, of zonder de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 129, § 3, en waarvoor het proces-verbaal van vaststelling bedoeld in artikel 156, lid 1, is opgesteld, zijn de vergunningsaanvraag of de aangifte die ingediend zijn na de kennisgeving bedoeld in artikel 156, lid 1, onontvankelijk indien :

1° ofwel het vonnis bedoeld in artikel 155, § 2, niet in kracht van gewijsde is getreden;

2° ofwel indien de betaling van het vergelijk niet is geschied ».

B.3. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, van artikel 159bis van het WWROSP, in zoverre die wetskrachtige bepaling een verschil in behandeling creëert tussen twee categorieën van personen die, nadat zij op een terrein waarvan zij eigenaar zijn een vaste installatie hebben geplaatst zonder de stedenbouwkundige vergunning te hebben verkregen die is vereist bij artikel 84, § 1, 1°, van het WWROSP, aan de gemeente een vergunningsaanvraag richten : enerzijds, diegenen van wie de overtreding beschreven bij artikel 154, eerste lid, 1°, van het Waalse Wetboek, nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een proces-verbaal opgemaakt met toepassing van artikel 156 van hetzelfde Wetboek en, anderzijds, diegenen van wie dezelfde overtreding wel het voorwerp heeft uitgemaakt van een dergelijk proces-verbaal, waarvan met toepassing van diezelfde bepaling is kennisgegeven maar dat geen aanleiding heeft gegeven tot een voorstel van vergelijk in de zin van artikel 155, § 6, van hetzelfde Wetboek, noch heeft geleid tot een in kracht van gewijsde gegaan vonnis dat uitspraak doet over een verzoek tot herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat, bedoeld in artikel 155, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek.

Alleen aan de personen die tot de tweede categorie behoren zouden, door de in het geding zijnde bepaling, het recht om een beslissing van het gemeentecollege te verkrijgen over de gegrondheid van hun vergunningsaanvraag, het recht om vervolgens een beroep in te stellen bij de Waalse Regering tegen de beslissing van het gemeentecollege, en het recht om een beroep in te stellen bij de Raad van State tegen het gewestelijk besluit, worden ontzegd.

B.4.1. De vergunningsaanvraag die bij artikel 159bis van het WWROSP wordt beoogd, is een aanvraag « tot regularisatie » (Parl. St., Waals Parlement, 2006-2007, nr. 594/1, p. 6) die tot doel heeft een situatie te regulariseren die een misdrijf vormt dat reeds is vastgesteld bij een proces-verbaal opgemaakt met toepassing van artikel 156, eerste lid, van het WWROSP.

B.4.2. Dat proces-verbaal, waarvan onder andere aan de procureur des Konings wordt kennisgegeven, en dat een « essentiële akte » is van de « strafrechtelijke procedure » (ibid., p. 4), « strekt ertoe een gerechtelijke overheid de mogelijkheid te bieden haar houding te bepalen ten aanzien van misdrijven » (RvSt, 29 juni 2009, nr. 194.807, Demeure) en te beslissen of al dan niet een strafvordering op gang moet worden gebracht (artikel 155, § 6, achtste lid, van hetzelfde Wetboek).

Van dat proces-verbaal dient ook kennis te worden gegeven aan de door de Waalse Regering aangewezen gemachtigd ambtenaar en aan het gemeentecollege, om die twee overheden meer bepaald toe te laten te beslissen of de correctionele rechtbank moet worden verzocht om onder meer het herstel van de plaats van het misdrijf in haar oorspronkelijke staat te bevelen (artikel 155, § 1 en § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek). Wanneer de procureur des Konings afziet van vervolging, laat die kennisgeving de Waalse Regering of haar gemachtigd ambtenaar, alsook het gemeentecollege, ook toe zich uit te spreken over een aan de overtreder te richten voorstel van vergelijk indien de ontbrekende vergunning zou kunnen worden uitgereikt (artikel 155, § 6, eerste, derde en achtste lid, van hetzelfde Wetboek). In geval van een voorstel van vergelijk mag de vergunningsaanvraag pas worden ingediend na storting van het vereiste bedrag aan de overheden (artikel 155, § 6, vierde en vijfde lid, van hetzelfde Wetboek).

B.4.3. Het proces-verbaal dat is opgesteld met toepassing van artikel 156, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, dient ook te worden opgestuurd naar de eigenaar van het onroerend goed waarop het misdrijf is gelokaliseerd.

Alleen de in B.4.1 bedoelde vergunningsaanvraag die na die kennisgeving wordt ingediend, kan onontvankelijk worden verklaard met toepassing van de in het geding zijnde bepaling. Deze is daarentegen niet van toepassing op de vergunningsaanvraag die wordt ingediend nadat een proces-verbaal is opgesteld maar vóór de kennisgeving ervan, noch a fortiori op de vergunningsaanvraag die wordt ingediend voordat een proces-verbaal is opgesteld (RvSt, 11 april 2012, nr. 218.857, Zune; 15 juni 2012, nr. 219.770, Kohl-Bemelmans; 12 maart 2013, nr. 222.827, Claeys; 20 november 2013, nr. 225.534, Schmit en Trantes; 15 mei 2014, nr. 227.419, Everard de Harzir).

B.5. Het is « om de procureur des Konings de uitoefening van zijn prerogatieven te waarborgen » (Parl. St., Waals Parlement, 2006-2007, nr. 594/1, p. 3) dat de regel van onontvankelijkheid die is uitgedrukt in de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt het onderzoek te verhinderen van een « aanvraag tot regularisatie » van een strafbare situatie die het voorwerp heeft uitgemaakt van een proces-verbaal.

Hij geldt meer bepaald niet wanneer een « vonnis dat zich definitief en onherroepelijk heeft uitgesproken over de straf en, in voorkomend geval, over de overeenkomstig artikel 155, § 2, voorgestelde herstelmaatregel » is gewezen (ibid., p. 6).

De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een geheel van maatregelen die ertoe strekken te vermijden dat « de administratieve weg de gerechtelijke weg [...] doorkruist » (Parl. St., Waals Parlement, 2006-2007, nr. 594/8, p. 3).

B.6. Het bestaan van het misdrijf dat is begaan door de persoon die behoort tot de in B.3 beschreven eerste categorie, is nog niet meegedeeld, noch aan de gerechtelijke overheden die ermee belast zijn de strafvordering op gang te brengen of zich erover uit te spreken, noch aan de gemeentelijke of gewestelijke administratieve overheden die bevoegd zijn om het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade te vorderen.

De persoon die tot de in B.3 beschreven tweede categorie behoort weet daarentegen, door de kennisgeving van het proces-verbaal, dat het bestaan van het misdrijf dat hij heeft begaan reeds is meegedeeld aan de bevoegde gerechtelijke en administratieve overheden. Hij weet ook dat bij de correctionele rechtbank een verzoek aanhangig is gemaakt tot het verkrijgen van een bevel tot herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat. Door een vergunningsaanvraag in te dienen na die kennisgeving, verzoekt hij de administratieve overheid dus een beslissing te nemen - de toekenning van een vergunning die een onwettige situatie regulariseert - die onbestaanbaar zou kunnen blijken met een vonnis van de correctionele rechtbank dat een herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat beveelt.

Rekening houdend met het doel van de in het geding zijnde bepaling is het dan ook redelijk verantwoord de twee voormelde categorieën van personen op verschillende wijze te behandelen door de vergunningsaanvraag die wordt ingediend na de kennisgeving van het proces-verbaal onontvankelijk te verklaren.

De procedure die aan de prejudiciële vraag ten grondslag ligt, geeft voldoende aan dat een op de in het geding zijnde bepaling gegronde beslissing van onontvankelijkheid de indiener van de vergunningsaanvraag niet het recht ontneemt om een beroep in te stellen bij de Waalse Regering en vervolgens bij de Raad van State.

B.7. Uit het voorgaande blijkt dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen.

B.8. De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, leidt niet tot een andere conclusie.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 159bis van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 december 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels