Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) - Arrest van 12 maart 2015 (België)

Publicatie datum :
12-03-2015
Taal :
Duits - Frans - Nederlands
Grootte :
6 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel 20150312-1
Rolnummer :
28/2015

Samenvatting

Het Hof zegt voor recht : Artikel 19quater, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding schendt artikel 129, § 2, van de Grondwet, in zoverre het van toepassing is op de personeelsleden van een Franstalige basisschool die behoort tot het gesubsidieerd vrij onderwijs en die gevestigd is in een gemeente met een bijzonder taalstatuut.

Arrest

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 224.262 van 4 juli 2013 in zake Marianne de Moffarts tegen de Vlaamse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juli 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 19quater van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, zoals ingevoegd bij decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX, artikel 129, § 2, van de Grondwet, in de mate dat deze bepaling onverschillig toepassing vindt in het Nederlandse taalgebied, met inbegrip van de gemeenten met bijzonder taalstatuut ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 19quater van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding (hierna : « Rechtspositiedecreet »), zoals ingevoegd bij artikel VIII.34 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX en aangevuld bij artikel VII.18 van het decreet van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX.

Artikel 19quater bepaalt :

« Indien de bestuurstaal niet dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat behoort tot een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, tot een pedagogische begeleidingsdienst, tot het ambt van administratief medewerker of een ambt van het administratief personeel de bestuurstaal beheersen op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

Indien de bestuurstaal niet dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat niet bedoeld is in het eerste lid de bestuurstaal beheersen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor Talen.

Een personeelslid voldoet aan de taalvereisten voor de bestuurstaal als hij in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs dat behaald is in de bestuurstaal aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde Nederlandstalige onderwijsinstelling ».

B.2. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of artikel 19quater van het Rechtspositiedecreet, artikel 129, § 2, van de Grondwet schendt in zoverre die bepaling van toepassing is in het gehele Nederlandse taalgebied, met inbegrip van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut.

Uit het verwijzingsarrest volgt dat de verzoekende partij voor de Raad van State een leerkracht is die personeelslid is van een Franstalige basisschool die tot het gesubsidieerd vrij onderwijs behoort en die gevestigd is in een gemeente met een bijzonder taalstatuut, namelijk Wezembeek-Oppem. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de situatie van het personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals geregeld door het tweede lid van de in dit geval in het geding zijnde bepaling.

B.3.1. Artikel 129, § 1, 1° en 2°, en § 2, van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap regelen, bij uitsluiting van de federale wetgever, elk voor zich, bij decreet, het gebruik van de talen voor :

1° de bestuurszaken;

2° het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen;

[...]

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft :

- de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat. Voor deze gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheden bedoeld in § 1 geen verandering worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid;

[...] ».

B.3.2. Uit de voormelde bepaling blijkt dat de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, bij uitsluiting van de federale wetgever, elk voor zich, bij decreet, het gebruik van de talen voor de vermelde aangelegenheden kunnen regelen.

Die decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat.

B.3.3. Daaruit volgt dat voor die gemeenten de federale wetgever als enige bevoegd is om het gebruik van de talen voor de beide voormelde aangelegenheden te regelen en dat in de regels betreffende het gebruik van de talen in die beide aangelegenheden geen verandering kan worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid.

B.3.4. Die bevoegdheid om het gebruik van de talen te regelen, ongeacht of zij aan de federale overheid dan wel aan de gemeenschappen toebehoort, is onderscheiden van de materiële bevoegdheden van respectievelijk de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, onder meer de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake het onderwijs.

B.4.1. Volgens de Vlaamse Regering regelt het in het geding zijnde artikel niet het gebruik van de talen in de zin van artikel 129, § 1, 1° en 2°, van de Grondwet, maar het onderwijs zoals bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet.

B.4.2. Artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, regelen, elk voor zich, bij decreet :

[...]

2° het onderwijs, met uitsluiting van :

a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;

b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;

c) de pensioenregeling;

[...]

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of andere gemeenschap ».

B.5.1. Bij de grondwetsherziening van 24 december 1970 werden bepaalde bevoegdheden met betrekking tot het onderwijs voor de eerste keer toegewezen aan de cultuurgemeenschappen. Bij dezelfde herziening werd hun eveneens de bevoegdheid toegewezen om het gebruik van de talen te regelen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen. De decreten inzake onderwijs en de decreten inzake het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen hadden vanaf dat ogenblik verschillende territoriale toepassingsgebieden : terwijl de eerste van toepassing waren in heel het overeenkomstige taalgebied alsook in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ten aanzien van de instellingen die, wegens hun activiteiten, als uitsluitend behorend tot de overeenkomstige gemeenschap moeten worden beschouwd, waren de tweede enkel van toepassing in het overeenkomstige taalgebied, met uitzondering van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut (Parl. St., Kamer, 1970-1971, nr. 10-31/5, pp. 2-3).

B.5.2. Bij de grondwetsherziening van 15 juli 1988 werd heel de aangelegenheid van het onderwijs, met uitzondering van de drie aangelegenheden die thans zijn vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet, aan de gemeenschappen toegewezen. De territoriale bevoegdheidsverdeling inzake het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen werd bij die gelegenheid niet gewijzigd, maar de Grondwetgever voegde eraan toe dat de wijzigingen in de taalwetgeving voor onder meer het onderwijs, met name in de zes randgemeenten, slechts konden worden doorgevoerd bij wetten aangenomen met een bijzondere meerderheid :

« Door artikel 59bis, § 4, tweede lid, worden de gemeenten en groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat, onttrokken aan het territoriaal toepassingsgebied van de decreten van de Gemeenschappen inzake het gebruik van de talen. Hierdoor ressorteert het regelen van het gebruik van de talen voor deze gemeenten onder de bevoegdheid van de nationale overheid.

Aangezien evenwel het taalstelsel van toepassing op deze gemeenten de twee taalgemeenschappen aanbelangt, is het aangewezen in de Grondwet te preciseren dat de taalwetgeving van toepassing op deze gemeenten slechts kan worden gewijzigd door een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid » (Parl. St., Senaat, B.Z., 1988, nr. 100-2/1°, p. 5).

Bij de besprekingen met betrekking tot die grondwetswijziging preciseerde de minister van Institutionele Hervormingen (N) dat

« de op [de school die in een faciliteitengemeente is gevestigd en onderwijs verstrekt in een andere taal dan die van de streek] toepasselijke bepalingen diegene [zullen] zijn die in de wet van 30 juli 1963 zijn vervat, zulks zo lang die wetgeving ongewijzigd blijft » (Parl. St., Kamer, 1988, nr. 10/59b - 456/4, p. 30).

B.5.3. Die grondwetsherzieningen die de bevoegdheden inzake het onderwijs hebben overgedragen aan de gemeenschappen, hebben de bevoegdheid van de federale overheid om het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut, waaronder de randgemeenten, niet gewijzigd.

B.5.4. De in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet bedoelde bevoegdheid van de gemeenschappen inzake het onderwijs biedt hun aldus de mogelijkheid het onderwijs van een bepaalde taal als onderdeel van het schoolprogramma te regelen, maar niet het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen. Het is die laatste bevoegdheid die is vermeld in artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet.

B.6. Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet betreffende het onderwijs XIX was een aanpassing van de taalvoorwaarden van het personeel in het onderwijs noodzakelijk « om verschillende redenen », zoals het gebrek aan afstemming op het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, het geen rekening houden met de taalkennis die een kandidaat elders verwerft, de onaangepastheid aan de hedendaagse inzichten en de hinderpaal die de huidige wijze van vaststelling van de benodigde taalkennis vormt voor een normale aanwerving (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2159/1, p. 89).

B.7. Het in het geding zijnde artikel 19quater van het Rechtspositiedecreet heeft specifiek betrekking op het personeel van de onderwijsinstellingen waar de bestuurstaal niet dezelfde is als de onderwijstaal en legt taalkennisvereisten op aan diegenen die tijdelijk worden aangesteld in een door de Vlaamse overheid gesubsidieerde onderwijsinstelling. Luidens artikel 31, eerste lid, van het Rechtspositiedecreet geldt die taalkennisvereiste ook voor personeelsleden die in vast verband worden benoemd. De in het geding zijnde bepaling regelt niet een aangelegenheid die onder het onderwijs valt.

B.8.1. Het Hof dient te onderzoeken of de regeling van die taalkennisvereisten voor de leerkrachten van de vrije gesubsidieerde scholen behoort tot de bevoegdheid om het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen te regelen.

B.8.2. In de aangelegenheden waarvoor de Grondwetgever de bevoegdheid om het gebruik van de talen te regelen niet ofwel aan de federale wetgever ofwel aan de gemeenschapswetgevers heeft toegewezen, omvat de bevoegdheid om een bepaalde aangelegenheid te regelen die om taalkennisvereisten op te leggen, op voorwaarde dat er een voldoende nauwe band bestaat tussen de betrokken aangelegenheid en de desbetreffende vereisten en op voorwaarde dat die vereisten niet verder gaan dan hetgeen als noodzakelijk kan worden beschouwd voor de redelijke vervulling van de betrokken taken.

B.8.3. Hetzelfde geldt niet voor de aangelegenheden waarvoor de Grondwetgever de bevoegdheid om het gebruik van de talen te regelen aan een bepaalde wetgever heeft toegewezen. De bevoegdheid om de taalkennis te regelen is in beginsel immers het uitvloeisel van de bevoegdheid om het gebruik van de talen te regelen. Het komt de overheid die bevoegd is om het gebruik van de talen te regelen toe eveneens het niveau van taalkennis te bepalen dat vereist is om te kunnen voldoen aan de verplichtingen inzake het gebruik van de talen en de wijze te bepalen waarop het vereiste bewijs van taalkennis kan worden geleverd. Wanneer de federale wetgever krachtens de Grondwet bevoegd is om het gebruik van de talen in een bepaalde aangelegenheid te regelen, is hij dat eveneens om de taalkennis in die aangelegenheid te regelen. Evenzo, wanneer de gemeenschappen krachtens de Grondwet bevoegd zijn om het gebruik van de talen in een bepaalde aangelegenheid te regelen, zijn zij dat eveneens om de taalkennis in die aangelegenheid te regelen.

B.9.1. Daaruit volgt dat de in artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet bedoelde bevoegdheid om « het gebruik van de talen » te regelen voor « het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen » eveneens de bevoegdheid omvat om, in die aangelegenheid, taalkennisvereisten op te leggen aan de leerkrachten.

B.9.2. In zoverre zij aan leerkrachten de kennis van een bepaalde taal oplegt, ressorteert de in het geding zijnde bepaling onder de bevoegdheid om het gebruik van de talen voor het onderwijs te regelen die is bepaald in artikel 129, § 1, 2°, en § 2, van de Grondwet. Aangezien de Grondwetgever een territoriaal bevoegde wetgever heeft aangewezen om het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen te regelen, moeten de aan de leerkrachten opgelegde taalkennisvereisten, in die aangelegenheid, immers worden beschouwd als een noodzakelijk corollarium van die bevoegdheid.

B.10. De omstandigheid dat, zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 65/2006 van 3 mei 2006, bepaalde extra taalkennisvereisten aan de leerkrachten van de instellingen van het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs kunnen worden opgelegd door de federale wetgever, doet geen afbreuk aan het feit dat de aan het onderwijzend personeel van het gesubsidieerd vrij onderwijs opgelegde taalkennisvereisten onder de bevoegdheid met betrekking tot het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen vallen.

In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat die leerkrachten deel uitmaken van het gemeentepersoneel en in dat opzicht onder de verplichtingen inzake het gebruik van de talen en de taalkennis vallen die zijn voorgeschreven bij de artikelen 23 en 27 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, aangezien die instellingen in een gemeente met een bijzonder taalstatuut zijn gevestigd (B.13 tot B.16).

In zoverre zij de leerkrachten van de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs beoogt, heeft de in het geding zijnde bepaling personen die in de plaatselijke diensten van de randgemeenten in een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden in de zin van artikel 27 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet als adressaten (RvSt, arresten nr. 209.127 en nr. 209.128 van 24 november 2010). Zij zou bijgevolg niet kunnen vallen onder de in artikel 129, § 1, 1°, en § 2, van de Grondwet bedoelde bevoegdheid om het gebruik van de talen voor de bestuurszaken te regelen.

B.11. Aangezien de bevoegdheid om het gebruik van de talen te regelen voor het onderwijs in de onderwijsinstellingen die zijn opgericht, gesubsidieerd of erkend door de overheid en die gevestigd zijn in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut, krachtens artikel 129, § 2, van de Grondwet, aan de federale wetgever toekomt, is de decreetgever niet bevoegd om de in het geding zijnde bepaling aan te nemen. Die bepaling is dan ook niet verenigbaar met artikel 129, § 2, van de Grondwet.

B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 19quater, tweede lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding schendt artikel 129, § 2, van de Grondwet, in zoverre het van toepassing is op de personeelsleden van een Franstalige basisschool die behoort tot het gesubsidieerd vrij onderwijs en die gevestigd is in een gemeente met een bijzonder taalstatuut.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 maart 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

A. Alen